Hoe lezen of belijden wij art. 2 NGB?
1992-05-22
In art.2 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis gaat het over de "twee middelen" waardoor wij God kennen. In december 1989 vroeg mij een catechisant, toen dit artikel even ter sprake kwam: Waarom wordt hier niet gesproken van Christus? Zo althans beleefde hij het zelf, en derhalve zijn vraag: waarom staat hier niet dat wij God alleen kennen door Christus? Ik vond dat een heel goede vraag, die ik niet gauw zal vergeten. Zij gaf mij aanleiding om een artikel daarover te schrijven in het kader van de reeks waarmee ik bezig ben.- Jaargang 36
- nummer 11
1. Verschillende benaderingen
Het komt mij voor dat de kritiek die bewust of onbewust in bovengenoemde vraag verborgen was, terecht is. Dat betekent niet dat art. 2 van de belijdenis onjuist is. Men kan immers altijd antwoorden dat art. 2 vooral ook de Schrift noemt als middel waardoor wij God kennen, en Christus kennen wij weer door de Schrift. Er is derhalve geen sprake van tegenstrijdigheid tussen beide genoemde antwoorden op de vraag hoe wij God kennen: door Christus of door "de twee middelen"
waarover art. 2 spreekt. Wel is het m.i. van kerkelijk en theologisch belang ons eens te bezinnen op deze twee gegevens: a) de volkomen juiste opvatting van de genoemde catechisant, dat wij God slechts kennen door Jezus Christus. Buiten Hem om, zonder hartelijk geloof in en liefde tot Hem kunnen wij wel trachten iets aan de weet te komen over God, maar het blijft dan een tasten in het schemerduister of ook een vrijblijvend theoretiseren, net zo lang tot er een filosofische of theotogische god uitkomt, die in werkelijkheid toch niet bestaat. b) Het tweede gegeven is dat de geloofsbelijdenis niet ten onrechte zegt dat God zich, behalve in de Schrift, ook openbaart in "de werken zijner handen". In art.2 wordt dat aldus uitgedrukt, dat wij (gelovige kerkleden) God kennen "door de schepping, onderhouding en regering der gehele wereld".
2. Lezen of belijden? Leer of leven?
Het antwoord van de bovengenoemde catechisant zouden we kunnen noemen een antwoord vanuit de praktische en werkzame geloofshouding waarin wij belijden dat wij alleen dank zij onze Heiland God kennen als onze Schepper en Verlosser. Niemand komt
tot de Vader dan door Hem. Dat is een geloofs- getuigenis, rechtstreeks vanuit een hartelijke beaming van de woorden van Christus zelf. Dat is het eerste en het beste antwoord dat wij kunnen geven op de vraag hoe wij God kennen. In een evangelisatie-gesprek zou dit volkomen op zijn plaats zijn, omdat wij dan spreken vanuit een persoonlijke en hartelijke verbondheid met God. Dat zou de meeste mensen ook wel eens meer kunnen aanspreken dan een opsomming van de "twee middelen" van de godskennis. Bovendien krijgt men uit art.2 ook nog de indruk dat het eerstgenoemde middel tot kennis van God niet al te betrouwbaar is, althans minder duidelijk en onvolkomen. In de praktijk van de geloofsgesprekken speelt dit "eerste middel" dan ook praktisch geen rol.
Het functioneert alleen nog in de christelijke lofzang, en verder bij een fijne vacantiestemming in de heerlijke "natuur", (met verdringing van alle narigheid in die natuur) zodat dit geloof ook wel smalend genoemd wordt een "toeristengeloof"
3. De leer der kerk
De Ned. Gel. Bel. is in dit artikel echter meer "leer", dan "leven". Daar is rn.l. niets op tegen. In de kerk heeft "de leer" een rechtmatige plaats. Zolang de "leer der kerk" niet van karakter verandert en gewijzigd wordt in (al dan niet verdunde en gepopulariseerde) wetenschappelijke, theologische dogmatiek, zolang mogen we blij zijn dat er een "leer" is, met een niet-theoretisch, maar praktisch geloofskarakter.
Zo spreekt ook de Schrift ,zelf over "de leer der apostelen", of over "de gezonde leer". Dit meestal in afweer van de opvattingen van dwaalgeesten, de "dwaalleer" dus. Het ware te wensen dat de jongere generaties in onze ortriodoxe kerken in deze praktische zin wat meer afwisten van de leer der kerk. Want deze leer is een kostelijk middel om ons te helpen bij het verstaan van de Schrift, bij het zien van de grote lijnen, bij het zich concentreren op de hoofdzaken, en bij het zelf formuleren van wat wij in het geloof met ons hart verstaan hebben van de "boodschap" die God voor ons heeft. Overigens: een kostelijk middel dat ook middel moet blijven en geen doel mag worden. Tenzij we perse een theologische, d.w.z. wetenschappelijke uitdieping van die leer beogen. Dat .
heeft ook zijn goed recht, maar meer in de universiteit en in een studeerkamer dan in de kerk. In dé kerk is goede theologie (inclusief dogmatiek) belangrijk voor predikanten en verder is het een mooie en nuttige hobby voor geïnteresseerden.
Maar de belijdenis is van en voor alle kerkleden. Als kerklid behoort men zich die geestelijk "eigen"
te maken, rn.i.
4. Confessie .
Wat men noemt "de leer der kerk" heeft dus een nauwe relatie met wat wij als christenen concreet geloven en belijden. Daarom spreekt onze kerkelijke traditie, die helaas nog altijd dol is op Latijnse woorden, ook van "confessie". Dat woord is door de eeuwen heen zo ingeburgerd, dat iedereen weet dat dit woord "belijdenis" betekent en dat "confessionelen" mensen zijn die zich trouw willen houden aan hun confessie, aan hun geloof en belijden, voorzover dat door de kerk is geformuleerd in "artikelen". De hoofdzaken van ons christelijk geloof zijn hierin, in principe voor alle tijden, vastgesteld. Daarom is de leer der kerk, althans voor haar eigen leden, een secundaire norm voor het geloof der leden. Een secundaire, omdat zij in gebrekkige menselijke bewoordingen bedoelt te zeggen, wat voor de gelovigen de hoofdzaken zijn van de inhoud van hun geloof in Gods Woord.
Een zekere (volg)orde in de onderwerpen is daarin begrijpelijk en ook gewenst.
Dat komt het geheel van ons geloofsleven zeker ten goede. Althans, dat kàn zo werken.
5. Confessie en systematiek
AI dan niet in het kader van het vak "symboliek" (Konfessionskunde), wordt in de theologie van ouds opgemerkt dat de Ned.Gel.Bel. met haar 37 artikelen theologisch van opzet is, systematisch, en aanleunend tegen de dogmatiek. Die systematiek is dan bijvoorbeeld deze, dat eerst (in artikel 1) gesproken wordt over het bestaan van God en, als een logisch vervolg, in art.2 de kwestie besproken wordt hoe wij dan God kennen, hoe wij dat weteri dat Hij er is en wie Hij is. Deze "systematiek"
maakt de confessie echter nog niet tot een wetenschappelijk theologisch geschrift. Systematiek is geen exclusief kenmerk van wetenschap.
De systematiek van onze Confessie is praktisch van aard. Zij is ook weer geheel anders dan die van de Catechismus. In beide hebben we te maken met een door en door praktische systematiek, zoals iedereen die in zijn dagelijks leven op allerlei gebied ook toepast. Tal van onze dagelijkse werkzaamheden worden chaotisch en tal van woonruimten worden een rommelige troep, als er niet een praktische en systematische ordening en behandeling plaats vindt, en wel "geregeld", eerst dit en dan dat. "Ordelijkheid"
wordt in het leven meestal als een deugd gewaardeerd. Een theoretische, wetenschappelijke systematiek is echter wat anders, en ook wel wat meer dan een keurige ordening van onderwerpen die besproken worden.
Maar dit onderwerp uit het vak "theologische encyclopedie" kan verder blijven rusten. Waar het ons om gaat is de vraag of de systematische ordening van de Ned. Gel. Bel. naar aard en gebruik een praktische ordening van ons (niet-wetenschappelijk) belijden is, dan wel of we hier met een echte of quasi wetenschappelijke tekst te maken hebben: Het risico van dat laatstgenoemde zit er wel in, omdat velen van oordeel schijnen te zijn, dat de Ned. Gel. Bel. in feite een gepopulariseerd uittrekseltje is uit de dogmatiek.
Historisch gezien zit daar wel wat in, maar principieel is dat toch een misvatting.
6. Confessie en theologie
Vermoedelijk moet in art.2 inderdaad gedacht worden aan de invloed van de wetenschappelijke theologie. Deze is immers opzettelijk en terecht uit op "kennis", en vooral op geordende kennis, met name op "wetenschappelijk verantwoordde en systematisch geordende kennis" die binnen bepaalde grenzen ook volledigheid beoogt. Zo pleegt de theologie ook veel "geloofswaarheden" systematisch "op een rijtje" te zetten. Dat wordt vaak onjuist geïnterpreteerd: God heeft (onordelijk??) gesproken in zijn Woord en nu kan de theoloog komen en "orde op zaken stellen". Dat is althans de mening van veel theologen, meestal verzwegen, maar soms ook openlijk uitgesproken. Ook K.Schilder drukte zich in deze geest wel uit. Ik ga dat nu en in ons blad niet bestrijden.
Maar we komen hier wel in eEmkerkelijke gevarenzone, die in onze tijd, zo mogelijk nog meer dan in het verleden, onze waakzaamheid vergt. Een kerkelijke confessie is immers wat anders dan theologie, zoals een kerk geen theologische hogeschool is en het geloof iets anders is dan (onvolwassen) wetenschap. In de geschiedenis van de kerk heeft echter de wetenschap, in casu de theologie, praktisch van het begin af, veel invloed gehad op de kerkelijke confessies. Zo ook op de bewoordingen van art.2. Dat komt o.a. hierin uit, dat in plaats van het eerder te verwachten concrete geloofs-antwoord (wij kennen God door Christus) geantwoord wordt op een mogelijke (!) vraag naar de mogelijkheid van godskennis. Die mogelijkheid dan ook nog voorgesteld op een min of meer volledige wijze, ingedeeld in twee punten: we kennen God door twee middelen, nl. door zijn werken en door zijn woord. Die twee middelen staan (als we de tekst op zichzelf en letterlijk nemen) los naast elkaar in een rangorde, waarbij de betekenis van het eerstgenoemde punt haast in het niets verzinkt vergeleken bij het tweede punt. Immers Gods zelfbekendmaking door de Schrift is "klaarder en volkomener" dan die door schepping en voorzienigheid.
7. Een kerkelijke gevarenzone
Ons probleem beziende vanuit de kerkgeschiedenis (binnen onze Westerse cultuurgeschiedenis !) moeten we helaas zeggen, dat onze Confessie hier ook tot een kerkelijke gevarenzone kan worden. Dat is zeer duidelijk bij art.2 van de Ned. Gel. Bel. Sedert mijn activiteiten in gereformeerde jongelingsverenigingen in mijn vooroorlogse jeugd, tot op vandaag, heb ik diverse "toelichtingen" gezien op de Ned. Gel. Bel. Zowel populaire als theologisch-wetenschappelijke. Bij artikel 2 gingen ze echter allemaal in de kortste keren spreken over de theologische onderscheiding van algemene en bijzondere openbaring en vervolgens over de problematiek van hun onderlinge verhouding. Ook over de vraag of de geschiedenis eveneens behoort tot "het boek der natuur" en hoe dat dan verstaan moet worden als zelf-openbaring van God. Interessante en ook belangrijke vragen. Probleemstellingen en discussies waarin het roomse, voor-reformatorische denken nog levensgroot aanwezig en werkzaam was, zoals dat meestal nog steeds het geval is in onze orthodoxe theologie. Artikel 2 zelf zegt daarover niets. Deze problematiek zag men er echter wel inzitten. Begrijpelijk, zoals we straks zullen zien, want 1: de bewoordingen kunnen het suggereren, 2: de theoretische systematiseringsbehoefte was altijd al traditioneel, en vooral 3: de achtergrond van de roomse theologie met haar speculaties over een "natuurlijke theologie"
zat bij Calvijn en bij De Brès waarschijnlijk in het achterhoofd toen ze dit artikel ontwierpen. Evenwel: dit artikel kiest geen positie tegen de genoemde roomse opvatting. Dat is, vergeleken met vele andere artikelen in deze confessie wel opmerkelijk. Maar was het ook terecht? Deze vraag vereist een genuanceerd antwoord. De theologen uit de reformatietijd waren het hierover onderling ook niet eens!
8. De risico’s van kerkscheuringen
Sinds lang geldt in de gereformeerde theologie art.2 van de NGB als de confessionele "locus classicus" voor de onderscheiding van algemene en bijzondere openbaring. Als je dan, zoals ik (al heel wat jaren), die theologische onderscheiding van algemene en bijzondere openbaring als onjuist verwerpt en haar zelfs indirect (nI. via de protestantse theologische ethiek) als schadelijk beschouwt voor het christelijk leven, dan kan het gaan spannen.
Het ligt voor de hand dat dan de gebruikelijke vraag gesteld kan worden of ik niet in strijd kom met "Schrift en belijdenis". In onze gereformeerde subcultuur zijn we immers niet erg bedreven in het onderscheiden tussen schriftgeloof, confessie en theologie.
De Schrift zelf, de confessies en de geloofskennis der kerkleden, het wordt in ons verwarringwekkende kerkelijke spraakgebruik allemaal nog steeds "theologie" genoemd. "Verwarringwekkend"
is dan nog zacht gezegd.
We kennen de moqelijke gevolgen daarvan uit ervaring: de vrijmaking, de scheuring in 1968, en de ongetwijfeld nog lange tijd voortdurende onmogelijkheid van kerkelijke eenwording binnen de orthodoxe gereformeerde gezindte. Dit zijn maar drie duidelijke voorbeelden. Theologische meningsverschillen worden niet scherp onderscheiden van confessionele geloofsverschillen.
En confessionele eensgezindheid wordt vaak, soms zelfs gretig, theologisch opgesplitst in theologische verdeeldheid, ten einde (vaak onbewust) de kerkelijke gedeeldheid in stand te kunnen houden. Theologische afwijkingen van een theologische traditie worden immers al spoedig ervaren als afwijkingen van de confessie, vanwege de "vereenzelviging" die ik nu al vaak genoemd heb.
9. Idealisering van de confessie
Daarom sprak ik van een gevarenzone die in en met onze Confessie niet hoeft, maar wel kàn betreden worden.
Want de confessie is op allerlei punten méér geformuleerd vanuit de achtergrond ener dogmatische (al of niet terechte) theoretische strijd, dan vanuit de achtergrond van het levende en actuele schriftgeloof, zoals dat in de gemeente beleefd en in het leven ervaren wordt. In mijn vorig artikel gaf ik daarvan een piepklein voorbeeldje, in de toelichting op de term "eenvoudigheid Gods". Dat was een term die bedoeld was in het verlengde van de Grieks-filosofische idee van de ondeelbaarheid van geestelijke substanties.
Maar er zijn grotere en grovere voorbeelden te noemen. Wellicht wat verderop in deze reeks artikelen. Een zodanig theoretisch-theologisch gebruik is echter in strijd met de eigen bedoeling van de confessies. Een confessie als de Ned.Gel.Belijdenis is bedoeld om het geloof der gemeente overeenkomstig de Heilige Schrift te verwoorden, te normeren ("reguleren"), uit te dragen naar buiten en ook te verdedigen tegen echte dwaalleer.
Maar deze goede bedoeling kan aanleiding geven tot een ideaalbeeld van de confessie dat niet altijd klopt met haar werkelijkheid, en met het gebruik dat men er van maakt in kerk en theologie.
Hoe vaak is dit ideaal-beeld zelfs niet tot een afgodsbeeld geworden? En daarmee is dan het "confessionalisme"
geboren. Vanwege de (praktisch/ feitelijke) vereenzelviging van de Confessie met het Woord van God zelf. De confessie wordt dan soms genoemd: "naspreken" van de H. Schrift. Naar de geest en bedoeling van de Confessie kan men dat inderdaad zo wel zeggen.
Die bedoeling mag dan ook het zwaarste wegen in ons kerkelijk en christelijk spreken. Maar strikt theologisch gesproken is het natuurlijk onzin. Zelfs al zou de Confessie bestaan uit-louter tekstaanhalingen, dan nog zou de keuze van die teksten, en dus het voorbijgaan van andere,misschien ook relevante teksten, meer zijn dan die teksten zelf. Zij is een gebrekkige menselijke aangelegenheid, onderhevig aan mogelijke dwaling. Laat staan nu zij in feite veel meer is dan simpel "naspreken" van de Schrift. Zij bevat soms hele redeneringen, gebaseerd op theologische (maar daarom natuurlijk nog niet onjuiste!) onderscheidingen.
Maar of dat altijd terecht is, is een andere vraag.
Ruimtegebrek noopt mij tot afbreken.
Het slot van dit artikel de volgende keer.