De vrouw zwijge in de gemeente!? (2)
1992-06-05
De Reformatie: Luther en Calvijn- Jaargang 36
- nummer 12
De herontdekking van de Bijbel door de reformatoren leidde niet vanzelf tot een nieuwe visie op de positie van vrouwen in de kerk. De historisch in de middeleeuwse kerk gegroeide situatie werd door Luther c.s. zodanig als norm beschouwd, dat op het punt van de deelname van vrouwen geen herbezinning plaats vond bij het licht van de Bijbel. De Reformatie had een tweeledige uitwerking op de kerkelijke opvattingen over de rol van vrouwen.
Allereerst bracht de Reformatie een andere waardering teweeg van huwelijk en gezin. Sexualiteit werd niet meer zo verderfelijk gevonden. Daarnaast werd afstand genomen van het celibaat en van de exclusieve toewijding aan God als zinvolle religieuze levensdoelen. Dit betekende het einde van de vrouwelijke kloosterorden en de begijnbeweging. Luther, in 1525 zelf getrouwd met de voormalige non Katharina von Bora, zag bij het opengaan van de kloosters de noodzaak de vrouwen een nieuwe levensbestemming aan te reiken. Hij vond deze in het huwelijk. Een vrouw was naar zijn mening 'niet geschapen om maagd te blijven, maar om kinderen te krijgen, zoals ook de lichaamsbouw van het vrouwelijk lichaam bewijst'. De getrouwde vrouw steeg aanmerkelijk in aanzien. Maar dit leidde er niet toe dat de positie van vrouwen in de kerk verbeterde. In de op Luther geïnspireerde grotere reformatorische kerkgenootschappen bleven alle ambten voor vrouwen gesloten.
Calvijn neigde ertoe het optreden van vrouwen in de gemeente te exegetiseren vanuit de eerder genoemde 'zwijgteksten' 1 Cor. 14:34-36 en 1 Tim 2:11-12. Hij verbood alle activiteit van vrouwen in het kerkelijk leven, op een uitzondering na. Vrouwen mochten wel als diaken de ziekenverzorging op zich nemen - maar zich niet met aalmoezen bezighouden. Hij baseerde zich hierbij op Rom. 8:12, waarbij hij onder 'wie barmhartigheid bewijst' weduwen en andere dienaren verstond die volgens het gebruik van de oude kerk waren aangesteld voor de ziekenverzorging.
Voor de latere positie van vrouwen in de Nederlandse kerken is het van belang hier de ambtsopvatting te bespreken die Calvijn ontwikkelde.
Deze opvatting is in vrijwel alle kerken van gereformeerde signatuur nog altijd de gebruikelijke. Calvijn had in zijn situatie in Genève behoefte aan drie tot vier ambten. Hij wilde deze zoals bijna alles in zijn kerkorde op de Bijbel funderen. Het gelukte hem vrij eenvoudig de functies van oudste, diaken, herder en leraar (de latere predikant) uit het Nieuwe Testament af te leiden, zij het dat hij enkele andere functies die daar ook genoemd worden liet voor wat zij waren. De drie ambten werden naar voorbeeld van het politieke stadsbestuur van Genève alle bij de 'regering' van de kerk betrokken.
Ook de terminologie die Calvijn voor de ambtsdragers gebruikte, verwees naar de wereldlijke macht. Hij spreekt over de 'waardigheid' van het ambt en noemt de ambtsdragers 'vertegenwoordigers' van God. Verder bracht Calvijn een hiërarchie aan. De oudsten stonden bijvoorbeeld boven de diakenen.
De maatschappelijke positie van vrouwen in Calvijns tijd liet niet toe dat zij aan de regering van de kerk deelnamen.
Dat de reformator hen geen plaats gaf in zijn kerkorde lag hiermee voor de hand. De gedachte om vrouwen tot ziekenverzorgende diakenen te benoemen treffen we in Calvijns kerkorde niet aan. Wel staat vast dat reformatorische kerken her en der pogingen hebben gedaan het diaconessenambt in te voeren.
Uit de Reformatie kwamen naast de grote kerkgenootschappen een aantal kleinere en soms radicalere stromingen voort zoals de doperse beweging en de Evangelische Broedergemeente.
Het is opmerkelijk dat deze gewegingen naar verhouding veel vrouwen aantrokken en dat zij zich er evenzeer konden laten gelden als mannen. Ook vrouwen gaven leiding aan diensten en aan het kerkbestuur. Van deze bewegingen ging een uitstraling uit die tot in onze eeuw merkbaar is. Gezien zijn verleden is het niet toevallig dat de Doopsgezinde Broederschap het eerste kerkgenootschap in Nederland was dat (in 1911) een vrouwelijke predikant benoemde. .
Heroriëntatie in de 20e eeuw: Hervormden en Gereformeerden
In de grote Nederlandse protestantse kerken traden in de positie van vrouwen van de 17e tot het eind van de 1ge eeuw geen noemenswaardige veranderingen op, of het moest de hernieuwde belangstelling voor het diaconaat zijn die in het midden van de vorige eeuw onder invloed van het Reveil in Nederland werd gewekt. De diaconessen deden veelzijdig kerkelijk-sociaal werk onder armen, zieken, gevangen en prostituées. Maar een officiële kerkelijke status in het gemeenteleven kregen zij niet. Het wachten voor verandering was op de eerste feministische golf (+ 1880-1925). Maatschappelijke ontwikkelingen als de industrialisatie en de groei van wetenschappelijke kennis deden vrouwen vanaf 1880 vragen om recht op onderwijs, arbeid en gelijk staatsburgerschap (waaronder kiesrecht).
Het aldus ontstane 'vrouwenvraagstuk' bracht in Nederland een klimaat teweeg dat ook in de Nederlandse kerken aanzetten gaf tot herbezinning op de positie van vrouwen.
De vraag naar de invoering van het actief kiesrecht van vrouwen diende zich in de Hervormde Kerk in 1897 aan. Jarenlange discussie en hernieuwde theologische reflectie volgde: was actief vrouwenkiesrecht met het oog op met name de teksten uit 1 Corinthe 14 en 1 Timotheus 2 wel bijbels verantwoord? Wilden vrouwen zelf wel zo graag stemrecht? Gaf het geen aanstoot of aanleiding tot verwarring?
Het waren vragen die later ook in andere kerken gesteld zouden worden. In 1922, drie jaar na de invoering van het vrouwenkiesrecht in de politiek, hakte de synode de knoop door. Met ingang van 1923 werd vrouwen in de Hervormde Kerk het actief kiesrecht verleend.
Ook de discussie over het door vrouwen bekleden van de drie ambten van diaken, ouderling en predikant vergde veel tijd. In 1902 verwierp de synode met slechts tien tegen negen stemmen een voorstel om de vrouw toe te laten tot het ambt van predikant als 'niet naar de wil van God'. Na deze bijna-invoering van het hiërarchisch meest hoogstaande ambt werd vrouwen geleidelijk toegestaan allerlei andere functies op inofficiële wijze te bekleden. Ze konden worden benoemd tot godsdienstleraressen, sociaal werksters en zo meer. Het gaf hen verregaande bevoegdheden in het apostolaat, het pastoraat of de catechese.
De taken waren echter duidelijk bedoeld als niet-ambtelijk. Tot de ambten van diaken, ouderling en predikant durfde de Hervormde Kerk vrouwen tot in de jaren '50 niet toe te laten. Wel gaf de synode voortdurend ruimte tot voortzetting van de discussie over de vrouw in het ambt. Na diverse commissies, rapporten en besprekingen was de synode er in 1958 in meerderheid aan toè in te stemmen met de openstelling van zowel het ambt van diaken als ouderling. Het predikantschap werd voorwaardelijk opengesteld. In 1967 volgde de onvoorwaardelijke openstelling. 'In de geschiedenis van de kerkelijke ontwikkelingen is 65 jaar een korte tijd', schreef de predikante dr. M.C. Jongeling als reactie hierop, verwijzend naar de gebeurtenissen in 1902.
De Gereformeerde Kerken in Nederland maakten bij het verlaten van een traditie van 19 eeuwen een parallelle ontwikkeling door als de Hervormde Kerk. In 1921 voerden de kerken van Brussel en Zandvoort op eigen houtje het actieve vrouwenkiesrecht in. Deze eigengereide handelwijze kwam in 1924 op de synode van Utrecht ter tafel. De beide kerken moesten de klok weliswaar terug draaien, maar de teerling was geworpen. Het werd een langdurige kwestie. Uiteindelijk sprak de synode van Rotterdam zich in 1952 in meerderheid uit voor de invoering van het actieve vrouwenkiesrecht. Inmiddels was met het optreden van een gereformeerde 'predikante' in Bandoeng tijdens en kort na de Japanse bezetting van Nederlands Indië echter ook de vraag naar de vrouw in het ambt actueel geworden. Een nieuwe discussie begon. Vooral op grond van bijbelteksten waarin vrouwen een ondergeschikte positie innemen werd het ondenkbaar geacht vrouwen in de Gereformeerde Kerken ooit een leidinggevende functie te geven. Over het ambt van diaken viel nog te denken, maar het ouderling- of predikantschap was volstrekt uitgesloten.
De Bijbel sprak hiervoor een te duidelijke taal vond de synode. In 1961 was dit standpunt nog ongewijzigd.
Vier jaar later daarentegen was de mening geheel en al omgeslagen, met als resultaat dat de synode in 1968 het ambt van diaken en ouderling voor vrouwen open stelde en in 1969 het predikantschap.
Deze pijlsnelle inhaalmanoeuvre van de Gereformeerde Kerken ten opzichte van de Hervormde Kerk is opmerkelijk.
Toch speelden in beide protestantse kerken vergelijkbare redenen de ambten voor vrouwen open te stellen een rol. Allereerst ontwikkelde zich in de loop van deze eeuw een ander bijbelgebruik. De Bijbel had niet langer een formeel, autoritair gezag, maar werd veeleer richtinggevend en inspirerend. Bovendien verloren de drie ambten hun vroegere autoriteit.
Ouderlingen en predikanten ontplooiden zich van gezaghebbers tot contactpersonen met een sociale taak voor wie het geestelijk welzijn van de individuele gemeenteleden bovenaan staat. Tenslotte zag men dat vrouwen in de samenleving een steeds grotere rol gingen spelen en in capaciteiten niet voor mannen onderdeden.
Waarom zou de kerk zich dan van deze bron van begaafdheden afsluiten?
Werd vrouwen geen onrecht gedaan door ze uit te sluiten?
De Hervormde en Gereformeerde Kerken hebben sinds de eindjaren '60 inmiddels verdere (en gezamenlijke) stappen gezet op de weg naar de integratie van vrouwen. In navolging van andere maatschappelijke organisaties ligt het voeren van een positieveactiebeleid, gericht op een evenredige vertegenwoordiging van vrouwen in beleids- en beslisfuncties, voor de jaren '90 in het verschiet.
Herbezinning in de kleinere reformatorische kelken
De kleinere reformatorische kerken bevinden zich in de heroriëntatie op de positie van vrouwen in stadia die zich bevinden tussen het begin- en eindpunt van de hier geschetste ontwikkeling in de Gereformeerde en Hervormde Kerken. De Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk heeft zichzelf tot nu toe altijd voorbehouden van de hervormde synodale lijn af te wijken en kent geen vrouwelijke ambtsdragers.
Ook de Gereformeerde Gemeenten kennen deze niet. Dit kerkgenootschap heeft vrouwen bovendien nooit stemrecht verleent bij de verkiezing van ambtsdragers. De Gereformeerde Kerken Vrijgemaakt daarentegen hebben ruim tien jaar geleden uitgesproken geen bijbelse bezwaren te zien in het stemrecht van vrouwen.
Het kerkgenootschap acht het desondanks niet verstandig tot daadwerkelijke invoering over te gaan, al neemt de druk dit wel te doen thans toe. Over vrouwelijke ambtsdragers vindt geen discussie plaats. Ook in de Christelijke Gereformeerde Kerken is de positie van vrouwen op kerkelijk niveau geen vooraanstaand punt van debat, al vallen momenteel incidenteel enige roerselen waar te nemen omtrent vrouwelijke diakenen. Het stemrecht van vrouwen is reeds ingevoerd. Voor wat onze eigen kerk betreft mogen de verschillen die er gegroeid zijn in de ambtelijke praktijk als bekend worden verondersteld: enkele kerken kennen vrouwelijke ouderlingen, andere hebben alleen het diaken ambt voor vrouwen opengesteld en weer andere willen van de vrouw in het ambt absoluut niet weten. Het tempo van verandering in onze eigen kerk, maar ook in de overige hier genoemde genootschappen valt moeilijk te voorspellen. Het is afhankelijk van de mate waarin de kerken bereid zijn traditioneel bijbelse opvattingen onder kritiek te stellen van uit hernieuwde theologische en historische studie verkregen inzichten. Ook spelen kwesties als het gezag van ambtsdragers en kerkelijke verordeningen, en de waardering van de positie van vrouwen in de samenleving hierbij een rol. En de geest des tijds, niet te vergeten. Het is niet toevallig dat het thema van de vrouw in de kerk juist in eerste decennia van deze eeuw en tegen het einde van de democratiserende en oecumenische jaren '60 op de synodale vergaderingen van de Hervormde en Gereformeerde Kerken hoog op de agenda prijkte. Enerzijds is het daarom niet onwaarschijnlijk dat het nog wel enkele generaties duurt, voordat de kleinere reformatorische kerken uit overtuiging met een nieuwe opvatting hebben ingestemd. Aan de andere kant toont de geschiedenis echter hoe plotseling veranderingen soms kunnen plaatsvinden. Een voorbeeld daarvan vormt de maatschappelijke positie van vrouwen. Daarin is in deze eeuw meer verandering opgetreden dan in tal van eeuwen daarvoor!
Literatuur (onder meer):
Dr.WimBoelens:Vrouwen in de kerk, Gooi & sticht, Hilversum, 1985 Prof.dr. M. H. Bolkesteinendrs. H.J. Bolkestein-van Binsbergen (redactie): Vrouw zijn in het licht van het evangelie, Ten Have, Baarn, 1982 Prof. dr. A.J. Bronkhorst, De vrouw in het ambt. Een discussie-handleiding, Utrecht, 1980 Dr. G. Huls: De vrouw in de kerk, Bosch en Keuning, Baarn, 1965 Dr. Auke Jelsma: Tussen heilige en helleveeg, Boekencentrum,'s Gravenhage, 1975 Op haar plaats? 13 vrouwen over hun positie in kerk en maatschappij, Stichting Christelijk StudiecentrumICS, Amsterdam, 1992 Dr. Jo Tigcheler: Vrouwen spiritualiteit in het Nieuwe Testament, Kok, Kampen, 198