Persschouw
1992-06-05
Werkdruk- Jaargang 36
- nummer 12
Ik zal u een klein persoonlijk feit vertellen: sinds een paar jaar krijg ik af en toe het licht verontrustende gevoel dat ik tot een steeds kleiner wordende minderheid in Nederland behoor - een minderheid onder het werkende deel van ons volk, bedoel ik. Het is misschien wat raar en "niet eigentijds" om het te moeten zeggen, maar ik kan mijn werkdruk wèl aan.
De laatste jaren krijg ik in toenemende mate de indruk dat mensen die redelijk hard werken en dàt gedurende soms zelfs meer dan 38, 40 of 45 uur per week en die niettemin hun werkdruk aankunnen, bezig zijn een zeldzaamheid te worden. Wie hebben we de laatste jaren niet horen zeggen dat hun werkdruk nu ècht onaanvaardbaar hoog was geworden?
Het is, geloof ik (maar dat weet ik niet helemaal zeker) begonnen met de verpleegkundigen, maar daar is het geenszins bij gebleven. Het woord, het begrip ... de klacht sloeg aan en dáár kwamen de anderen. De werkdruk is echt te groot geworden voor de mensen in de bouwen voor gevangenispersoneel en voor schoonmakers en voor grote groepen mensen in de industrie en voor de meeste vertegenwoordigers/ verkopers en voor reeksen verschillende soorten ambtenaren en voor mensen in het openbaar vervoer en laten we vooral de docenten in diverse vormen van onderwijs niet vergeten. Ik ben trouwens nu nog een hele reeks van andere categorieën wel vergeten of laat ik het anders zeggen: ik vond mijn opsomming van groepen mensen die zeggen dat hun werkdruk te zwaar is geworden z6 wel lang genoeg. Je kunt er natuurlijk nog rijtjes anderen bij noemen, zoals bijvoorbeeld de meeste directeuren van bedrijven, maar die klagen zelden in de publiciteit. Die klagen tegen elkaar en dat is niet ècht klagen, want in diepste wezen vinden ze het fijn. Vinden ze het heerlijk om tegen collega's op te scheppen over het feit dat ze werkweken van 70 of 80 uur maken.
Maar goed: dat is een uitzondering, zowel met die idioot lange werkweken als met het feit dat ze het heel fijn vinden en er trots op zijn. AI die andere mensen, honderdduizenden en ik denk echt zo langzamerhand: miljoenen andere Nederlanders ... die klagen. Nu hoort u mijn niet zeggen dat al die klachten ongerechtvaardigd zijn. Voor een aantal van die mensen zijn de eisen die er elke dag aan hen worden gesteld ongetwijfeld zwaar en zwaarder dan ze leuk of rechtvaardig vinden. Maar voor al die miljoenen Nederlanders? Allemaal gebogen onder een onaanvaardbare druk van hun dagelijks werk?
.Zwoegen en sappelen en ploeteren, de hele dag lang - 7 óf 8 uur of wàt er ook in het contract staat? Nooit tijd voor een babbeltje met collega's? Nooit tijd voor koffie? Nooit tijd voor dat privételefoontje?
Nooit tijd voor wat dan ook?
Alsmaar werken, opgejaagd door de baas of door het plichtsgevoel?
Neemt u mij niet al te kwalijk, maar ik geloof er helemaal niets van. Ik geloof wél dat wij in Nederland nogal sterk de neiging hebben elkaar na te praten en àls dan iemand met dat verrukkelijke woord "werkdruk" aankomt, dan pakken we dat gretig op. Ik heb het geconstateerd dat in mijn beide Nederlandse woordenboeken (allebei van 1977) het woord "werkdruk" nog helemaal niet voorkomt. Wèrd er toen, in de jaren 70 en daarvoor nog niet hard gewerkt (is dat pas van de laatste paar jaar?) of hadden we toen alleen het woord nog niet bedacht? Of was er misschien toen een merkwaardige gedachte dat je in de tijd dàt je werkte ook best hard kon werken - en onder een mate van druk? Tja, er was natuurlijk één ding anders in die verre tijd van een jaar of vijftien/twintig geleden: er werd langer gewerkt dan nu.
Iedereen werkte nog minstens 40 uur per week. Ik wil bepaald niet zeggen dat die tijd terug moet komen, maar het kan natuurlijk nooit kwaad als we ons realiseren dat er in 35 of 36 uur (of wat uw werktijd op het ogenblik ook is), ook een hoeveelheid werk in moet worden afgeleverd: 10% (of meer) minder werkuren, betekent niet dat er ook 10% minder werk is (tenminste, dat hoop ik voor de organisatie waar u werkt) en het betekent ook in de meeste gevallen niet dat er bij die organisatie nu 10% méér mensen werken.
Wat ik maar zeggen wilde: ik wil niet beweren dat er in de jaren '90 van deze eeuw door een vrij groot aantal mensen niet hard wordt gewerkt. Dat wordt er wèl. Maar dat dat onder (om dat modewoord dan nog maar eens te gebruiken) allemaal onder ondraaglijk soort werdruk gebeurt, k6m ...kom. Er heeft laatst nog een vakbondsbestuurder gezegd dat het werken in "zijn bedrijfstak" tegenwoordig wel op het bedrijven van topsport lijk. En dan zeg ik nogmaals: kom ...kom. Ik ken een paar topsporters die voor de Olympische Spelen aan het trainen zijn en ik kan u verzekeren: dat is andere koek. Maar ik weet nu al dat over 5 of 10 jaar iemand een ander nog èrger woord zal verzinnen dan werkdruk om aan te geven hoe vreselijk het werkende leven wel niet is.
Dit artikel kwamen wij tegen in het 'Gereformeerd Kerkblad - wekelijks orgaan ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Overijssel, Gelderland, Flevoland, Utrecht en Noord-
Holland'. Ds. L. Douw, (vrijgemaakt) gereformeerd emeritus-predikant te Enschede, trof het ergens aan en gaf het een plaats in zijn Persrevue. Hij maakte ter inleiding de volgende behartigenswaardige opmerkingen: "Tussen alle soms zware of zwaarwichtige kerkelijke bijdragen in geef ik hier een luchtig en relativerend stukje door van de - waarschijnlijk onkerkelijke, in ieder geval "vrijzinnige"AVRO-commentaar E. Peereboom.
"De kinderen van het licht" nemen een bepaalde terminologie met bepaalde achtergronden wel eens wat onkritisch over.
En van "de kinderen van deze wereld"
valt nog wel eens wat te leren. Vandaar de weergave van dit enige tijd geleden gehouden radiopraatje."
O. Mooiweer Enschede