Voor de kinderen
1992-06-05
Post uit Rwanda- Jaargang 36
- nummer 12
Kauwgum en armen
"Wie gaat er mee naar de stad?"
"Ja, ikke!" roepen Jonathan Matthijs en Gersom. Dat is lang niet gebeurd dat we samen naar de stad gaan. Ik doe altijd alleen de boodschappen, de jongens moeten naar school. Maar vandaag is het een vrije dag. "Gaan we even in de boekwinkel kijken?"
vraagt Jonathan. "Ik heb zin om naar de markt te gaan" roept Gersom. Het lijkt wel echt vakantie. We pakken alle vfier onze fietsen endaar gaan we. De zon schijnt vrolijk en de mensen kijken ons na en lachen. "Kijk nou eens, allemaal op de fiets. Kijk dat kleine fietsje is!" De mensen vinden het heel grappig en het is toch niet de eerste keer dat ze ons zien. De stad is vlak bij. We steken de grote straat over.
Meteen komen er een paar jongens op ons afrennen. Ze maken een doos open die ze meedragen. "Mamma, mogen we een kauwgummetje kopen?"
vraagt Jonathan. "Hè ja." zeggen de anderen. "Vooruit, het is een speciale dag." De drie jongens kijken in de dozen. De verkopers hebben van alles. Sigaretten, toffees, zuurtjes in een papiertje en ook kauwgum, verschillende soorten. "Kijk hier, zegt een van de verkopers, dit zijn goeie."
"Nee, deze hier" zegt een andere. Ze duwen de dozen onder de neus van onze jongens. Ze willen allemaal graag wat verkopen dan verdienen ze een beetje geld. "Van wie moeten we nou nemen?" vraagt Matthijs aan mij "Ze hebben allemaal de kauwgum die we willen." "We kopen alle drie van iemand anders." bedenkt Johathan.
Een goed idee. Ik pak mijn portemonnee.
Maar dan komen er opeens van alle kanten nog meer kinderen aanlopen.
Kinderen in vieze gescheurde kleren, en moeders met babies op de rug. Ze houden hun hoofd scheef en steken hun hand uit. "Geef ons wat.. .."
vragen ze. Ik aarzel en sta daar met mijn portemonnee in de hand "Ik heb honger." zegt een kleine jongen. "Ik heb nog niks gegeten vandaag" zegt een meisje "Kijk mijn kind" zegt een moeder. "Mamma geef je geld?" zegt Matthijs en houdt ook zijn hand op. En ik aarzel. Mijn kinderen hebben wel gegeten, zij hebben geen honger. Die bedelaars weten dat heel goed, ze zien me aarzelen en ze trekken hun allerzieligste gezicht. De meesten ken ik wel. Ze lopen altijd door de stad.
Sommige kinderen zijn van huis weggegaan, omdat ze hoopten in de stad wat te kunnen verdienen. Maar dat is niet zo gemakkelijk, bedelen is dan eenvoudiger. Ze krijgen altijd wel wat, of ze vinden iets wat ze kunnen verkopen.
Maar ze blijven arm natuurlijk.
Matthijs ziet nu ook waarom ik aarzel.
"Zullen we voor iedereen kauwgum kopen?" vraagt hij. Dat lijkt me niet goed. "Mamma geef nou geld" roept Gersom. Ik haal 15 frank te voorschijn, alle kinderen en moeders steken hun hand uit. Ik geef het geld aan Jonathan en stap gauw op de fiets. "Jongens wachten jullie hier" roep ik bij het wegrijden. In de winkel aan de overkant koop ik een zak met broodjes en dan fiets ik terug. De meeste bedelaars staan er nog. Ik deel de broodjes uit. Dan stappen we met ons vieren weer op de fiets. Maar het is toch niet zo leuk meer eigenlijk. "Komen ze nou altijd bedelen als je in de stad bent?"
vraagt Matthijs "Niet zoveel als nu"
zeg ik. "Als we deze zomer in Nederland zijn dan wil ik graag een heel groot stuk kauwgom kopen en opeten zonder één enkele bedelaar erbij."
"Kauwgom? IJs" roept Jonathan.