Gereformeerden aan de macht
2007-09-14
In mei van dit jaar werd de Vriendendag van de ChristenUnie gehouden in het gebouw van de Tweede Kamer. Eén van de aanwezigen was oud-CDA-politicus Sytze Faber. In de Statenpassage had hij een eigen plek om zijn boek ‘Gereformeerden aan de macht’ gesigneerd en wel aan de man te brengen. Dat was niet toevallig, want Faber heeft recent een belangrijke episode in de ontwikkeling van de ChristenUnie van zeer nabij meegemaakt.- Jaargang 51
- nummer 18
Ten tijde van de formatieonderhandelingen werd Faber – op zijn eigen verzoek – door de ChristenUnie in de gelegenheid gesteld vergaderingen van de fractie en van het formatieteam bij te wonen. In De wet van de koestal laat Faber de lezer delen in zijn ervaringen. Dat levert een aardig beeld op van de eerste schreden van de ChristenUnie op het regeringspad. Maar Faber doet meer. Hij zet de recente kabinetsformatie in een gereformeerd perspectief. Hij schrijft: Wie had tot voor kort gedacht dat anno 2007 ruim een kwart van de zevenentwintig bewindslieden praktiserend gereformeerd zou zijn? Vier behoren tot de ervaren stal van Jan Peter Balkenende, drie tot het debuterende team van André Rouvoet. Gereformeerden typeert hij als volgt: ‘Een sterke overtuiging, rechtlijnigheid en vasthoudendheid zijn hun handelsmerk.’ Tot die vaste overtuiging hoort dat de overheid zich niet overal mee moet bemoeien, maar zich slechts een terughoudende rol in de samenleving behoort aan te meten.
Dit om de ‘soevereiniteit in eigen kring’ te waarborgen, het principe dat kenmerkend was voor Abraham Kuyper, “politiek gezicht” van de gereformeerden en oprichter van de Anti-Revolutionaire Partij (ARP).
Premiers
Faber geeft een opsomming van de gereformeerde premiers sinds 1917: Colijn, Gerbrandy, Zijlstra, Biesheuvel en Balkenende. Hij schetst een somber beeld van de prestaties van deze premiers. Over Colijn schrijft hij: ‘De kilheid waarmee zijn kabinetten de uit Duitsland gevluchte joden weerden, kan wedijveren met het hardvochtige vreemdelingenbeleid van de eerste drie kabinetten van de eveneens gereformeerde Balkenende.’ Elders in het boek zegt Faber kort maar krachtig: ‘Vreemdelingenbeleid, barmhartigheid en gereformeerde premiers, dat lijkt niet samen te kunnen gaan’. De kabinetten waaraan deze premiers leiding gaven, was geen lang leven beschoren. Faber: ‘De korte levensduur van de kabinetten met een gereformeerde minister-president duidt erop dat deze premiers niet uitblinken in bindend vermogen.’
Verwondering
Faber was, zoals hij het zelf zegt, ‘in 1977 het laatste direct gekozen kamerlid van de ARP.’ Drie jaar later werd de ARP opgeheven vanwege de komst van het Christen-Democratisch Appèl (CDA). Het CDA ontstond uit een fusie van ARP, Christelijk- Historische Unie (CHU) en Katholieke Volkspartij (KVP). Faber ziet de ChristenUnie als ‘politieke wederopstanding’ van de ARP. Hij noemt enkele keren een parallel op christelijk-sociaal vlak. In zijn betoog klinkt verwondering over de stormachtige politieke ontwikkeling die zich ‘aan de randen van het gereformeerde erf’ heeft voltrokken: ‘Wat de kerkelijke denominaties aangaat, is de uitkomst opmerkelijk. De kleine orthodoxe gereformeerde kerken kunnen alle drie bogen op een CU-bewindspersoon: de christelijke gereformeerden (Rouvoet), de vrijgemaakt gereformeerden (Van Middelkoop) en de Nederlands-gereformeerden (Huizinga). Dat is nog nooit eerder vertoond.’ Met De wet van de koestal belicht Faber op een toegankelijke en compacte manier een stukje recente politieke geschiedenis. Daarbij biedt het boek een interessante blik achter de schermen van de ChristenUnie bij de recente kabinetsformatie.
Sytze Faber (2007), De wet van de koestal – Gereformeerden in Den Haag. Amsterdam, 2007. 160 pagina's, € 15,-.
Drs. Jan Smit is lid van de NGK in Rotterdam-Overschie.