Kuiterts nieuwste boek (5)
1992-06-19
Eenzijdig?- Jaargang 36
- nummer 13
We zouden het nog hebben over Kuiterts bijbelopvatting. Maar eerst iets anders. We hebben een brief ontvangen van een lezer met als bijlage een interview met Kuitert in een andere krant. Daarin zou de ware Kuitert te voorschijn komen, eerlijk en onopgesmukt.
Wanneer we nu, aldus het verzoek, dat interview zouden overnemen in ons blad dan zou weliswaar de schade die mijn bespreking van het boek teweeg gebracht heeft niet weggenomen zijn, maar dan zouden onze lezers tenminste weten wie of die professor Kuitert eigenlijk is. Wat hiervan te zeggen? Ik dacht dat we daar maar niet aan moesten beginnen. Ons blad staat voldoende open voor aanvullende kommentaren uit eigen kring, daar hebben we een zogenaamd neutrale krant niet voor nodig. Maar afgezien daarvan wil ik toch ook iets ter verdediging van mijn eigen geschrijf te berde brengen. Heb ik dan zo misgekleund?
Ik heb ooit een blinde vriend gehad. Die zou eens voor de tv geïnterviewd worden. Trots had ik enkele kennissen uitgenodigd om dat samen te bekijken. Maar schrik, in dat gesprek zei mijn vriend dingen waarin ik hem helemaal niet herkende een die zelfs op onze vriendschap en eigenaardig licht wierpen. Ik heb dat toen woedend aan zijn ondervrager toegeschreven. Dat was natuurlijk niet eerlijk, want wat mijn vriend zei kwam tenslotte uit zijn eigen mond.
Maar dit is waar: wanneer je iemands mening uit een interview wilt opmaken dan moet je de ondervrager en de ondervraagde bij elkaar optellen en deze som door twee delen. Anders gezegd: de ondervrager bepaalt voor een zeker deel de mening van de ondervraagde.
Dat gaat natuurlijk ook op voor mijn boekbespreking die toch ook een soort interview is. Het is 'mijn' Kuitert die eruit rolt. Maar zoals ik al eerder geschreven heb, dat is een eenzijdigheid die op het geheel van wat binnen het orthodoxprotestantisme over het boek geschreven is, niet eens misstaat. Het gemiddelde van al die kommentaren zal wel ergens de ware Kuitert benaderen. En ja, wil je hem echt leren kennen dan zit er niets anders op dan hem zelf te te lezen. Elke positieve bespreking wil dat bereiken.
Hoofd- en bijzaken
Toch nog iets meer hierover. Men vindt dus dat ik opvallend vriendelijk over Kuitert schrijf. Waarom doe ik dat? Dat heeft, geloof ik, een persoonlijke achtergrond. Onlangs kwam mij . de preek nog eens onder ogen die ik kort na het overlijden en de begrafenis van mijn vrouw voor de gemeente van Zeist gehouden heb. De teneur van die preek was: vind het nooit vanzelfsprekend dat we bij ons sterven bij God mogen komen. Bedank de Zaligmaker dat Hij dat voor elkaar gebracht heeft.
Ons leven een thuisreis, hoe is het mogelijk! Na een jaar ben je zo'n preek al weer vergeten, al heb je hem zelf gemaakt en gehouden. Maar hem opnieuw lezende dacht ik: het moet zo geweest zijn dat Kuitert mij met zijn boek in dat onderbewuste besef geraakt heeft, want hij spreekt op dezelfde toonhoogte als ik in die preek.
De diepe godvrezendheid die mij wel eerder bij Kuitert opgevallen was, die heb ik herkend en die heeft mij (zoals trouwens ook wel anderen) ontroerd.
Vandaar, denk ik. Maar onttrek ik door deze ontboezeming mijn bijdrage niet aan de objektieve toetsing?, kan iemand vragen. Dat is mijn bedoeling niet. Wat ik nu vertel is immers wel persoonlijk maar niet exklusief, iedereen kan zoiets overkomen. Je gaat, is mijn ervaring, onder zulke omstandigheden door een reduktie-proces heen.
Daar kunnen meer mensen van spreken.
Ik zelf noem dat wel eens het Prediker-effekt. In het boek Prediker merk je dat ook. Daarin is iemand aan het woord die door de wederwaardigheden van het leven sterk onder de indruk is gekomen van de betrekkelijkheid van alles en die zich nu de vraag stelt: wat hou ik eigenlijk over? In het algemeen trouwens merk ik aan mezelf wel dat ik gevoeliger word voor hoofdzaken en bijzaken probeer te relativeren. Wij maken vandaag met z'n allen een weergaloze kultuurkrisis door, een geloofskrisis ook. Er zijn ontzettend weinig verlossende woorden.
En als je dan merkt dat wat de bijbel ten diepste bedoelt bij iemand veilig is (bij iemand wel te verstaan die er duidelijk blijk van geeft tot de twintigste eeuw te willen behoren) en dat hij er teer mee omgaat, - ik kan het niet helpen maar dan ben ik bereid veel door de vingers te zien, of beter gezegd: te relativeren. Dus ook te relativeren wat zo iemand over de bijbel zegt, want ook de Schrift is als het erop aankomt middel en geen doel. Zelfs Jezus heeft zichzelf 'weg' genoemd. De weg, goed. Maar toch 'weg'. Dat is weg-naar-de-Vader; zelfs Hij vond zichzelf geen 'doei'. Hij is onze Middelaar en daar zit het woord 'middel' in. Doel kan alleen God zelf zijn.
Vriendelijkheid
En dan ook nog dit: Ben ik te vriendelijk of zijn we aan een te grote onvriendelijkheid gewend? Wordt wat men zo in onze rechtzinnige kringen over anderen schrijft niet vaak ontsierd door verdachtmaking? Gaan we niet te gauw van het slechte uit? Iemand ten goede houden, kunnen we dat nog wel? We geloven in het bestaan van de duivel. Dat ontslaat ons toch van de verplichting om in iedere andersdenkende een duivel te zien? Ik ben met de Katechismus van mening dat er "boze raadslagen zijn die tegen Gods heilig woord bedacht worden". Maar ik denk daarbij weliswaar niet uitsluitend maar toch wel in de eerste, in de tweede en in de derde plaats aan de duivel. Ik heb daarvoor de verwijsteksten van de Katechismus op mijn hand (antw. 123). Het geloof in de duivel, wil ik zeggen, zou het tussenmenselijke verkeer vrijer, meer ontspannen en onbevangener kunnen maken. Want is God zelf niet begonnen met ons allemaal tegenover de grote tegenstander te zetten (Genesis 3:15)? Het vrouwenzaad, heel het vrouwenzaad, tegenover de slang? Of zijn soms niet alle mensen 'vrouwenzaad'? Zeg niet te gauw: dat vrouwenzaad is Christus.
Zeg liever: dat vrouwenzaad is uiteindelijk de Christus. Oorspronkelijk was het op z'n ruimst gemeend. Wij zijn dus ondanks onze val-in-zonde met z'n allen bedoeld aan Gods kant te staan.
Ik denk dat ons dat verplicht met vriendelijkheid te beginnen en zo lang mogelijk vriendelijk te blijven. Dat moet ik ook tegen mezelf zeggen, want ik ken mijn eigen scherpte al is die nog zo zakelijk bedoeld.
Laatste der Mohikanen?
Intussen kan dit alles natuurlijk niet betekenen dat we nu tot naïviteit veroordeeld zouden zijn. Ik vind het boek van Kuitert religieus goed. Tegelijk vraag ik me af of hij niet de laatste der Mohikanen is. Mag je bij het standpunt dat hij tegenover de Heilige Schrift inneemt verwachten dat er na ons nog een geslacht zal opstaan dat deze religieuze diepte haalt? Is niet aan alles in dit boek te merken dat Kuitert zelf bij een andere bijbel-opvatting is grootgebracht dan hij nu bepleit? En heeft hij niet uit kracht van die vroegere opvoeding zijn boek geschreven?
Zou iemand die volgens zijn recepten gaat leven er ook toe in staat zijn? Ik kom hier weer bij dat ware woord terecht dat ik eens van de voormalige klassikus aan de VU Jan Woltjer gelezen heb en dat ik in ons blad wel eens vaker heb aangehaald: De vooronderstelling van de kritiek is het gezag van de traditie. Woltjer wilde met deze uitspraak zeker de kritiek niet uitbannen, hij vond die nodig. Wel was zijn stelling waarschuwend bedoeld: de kritiek kan zo ver gaan dat je de tak waarop je zit doorzaagt. Kuitert heeft ten aanzien van de leer-traditie deze waarschuwing wel ter harte genomen, is mijn indruk, hij is wars van alle geëxperimenteer. Maar ten aanzien van de bijbel vind ik hem te kritisch.
Snijdt hij zich niet teveel van de bron af? Nee, zal Kuitert zeggen, dat doe ik niet. Juist niet. Ik wil maken dat de Schrift weer gelezen gaat worden, dat ze een brevier-boek wordt (p. 297). En het is waar, dat zegt Kuitert niet alleen, daar doet hij ook naar.
Heel zijn boek verraadt een regelmatige en intense omgang met de Schrift.
Formeel en materieel gezag
Maar Kuitert zou zich eens moeten afvragen hoe hij ertoe gekomen is om aan dat boek zo'n voorrang te verlenen boven andere literatuur. Is dat alleen vanwege zijn inhoud? Kuitert zegt van wel. "De inhoud van de bijbel maakt het boek belangrijk en niet omgekeerd, het is niet zo dat wat erin staat belangrijk is omdat het in de bijbel staat" (p. 293). Na deze uitspraak neemt hij wat gas terug: "Dat laatste is niet helemaal waar. Als je eenmaal onder de indruk van de bijbel bent gekomen, werkt dat natuurlijk zo, dat je dan niet lichtvaardig hele stukken schrapt of naar de SChroothoop verwijst". Juist. Er is dus een formeel bijbelgezag dat weliswaar uit de inhoud voortvloeit maar toch vervolgens een eigen betekenis krijgt. Denk bijvoorbeeld eens aan de situatie van de opvoeding. Gaat daar dat formele gezag zelfs niet vooraf aan het inhoudelijke?
Nog v66rdat we de inhoud verstonden had de Schrift al gezag over ons. Alleen al vanwege de eerbied waarmee het boek behandeld werd. Het lag op een apart plaatsje in de huiskamer en er werd voor de voorlezing tijd vrijgemaakt hoe ongelegen dat ook kon komen. "Aandacht!", zei Vader, "we luisteren nu naar wat de Here zegt" en zijn stem 'was bij het lezen eerbiediger dan anders. Dat was voor het kind allemaal formeel bijbelgezag, want de inhoud drong toen nauwelijks tot ons door. Hoe verder je namelijk teruggaat in je kinderjaren des te groter wordt de voorrang van dat formele gezag boven het materiële.
Het is nu precies dat formele gezag geweest dat ons bij het opgroeien nieuwsgierig heeft gemaakt en aan het lezen heeft gezet. En wie ging geloven, die stelde vanuit de inhoud van de bijbel dat formele gezag van het begin in het gelijk.
Vooropgaand gezag
Wanneer je van buiten komend op het geloof toestapt ligt dat natuurlijk anders.
Totaal anders? Augustinus (die zo iemand was) zei: "Ik zou het evangelie niet geloofd hebben als het gezag van de kerk mij daartoe niet bewogen had". Typisch een uitspraak over zijn begin als christen. De kerk of de kerkmensen nemen dan de plaats van de ouders in het gezin in. Later komt zo'n beginneling daarbovenuit en zegt hij met de mensen van Sichar: "Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten dat deze waarlijk de Heiland der wereld is" (Johannes 4:42). Het inhoudelijk gezag gaat dan het formele verdringen.
Ik kan ook zeggen: vullen.
Maar het is dus ook voor degene die van. buiten komt waar: de kerk predikt het Woord met een vooropgaand gezag.
Dus niet omdat het interessant is maar omdat het Gods Woord is. Vandaar de gedrevenheid om het Woord te verbreiden. Er zijn er die daar zelfs hun leven voor inzetten en over hebben.
Diegenen in de wereld die daarvan onder de indruk komen gaan van dat Woord kennis nemen. En wanneer ze dan door Gods genade gaan geloven beamen ze achteraf het gezag waarmee het gebracht werd. Dat mensen zonder bemiddeling van kerk of christenen de bijbel gaan lezen en tot geloof komen (inderdaad om zijn inhoud!) komt voor maar regel is dat niet. Regel is dat bij de eerste kennismaking het formele gezag voorop gaat en het inhoudelijke volgt. Het is wat idealistisch om het omgekeerd voor te stellen.
De open bijbel
Later wordt het allemaal wat anders.
Je wordt volwassen in het geloof en zoals dat in de verhouding tot je ouders gaat: van onderschikking wordt het nevenschikking, zo gaat het enigszins ook met de Schrift. Het begint je te irriteren dat er zo druk gedaan wordt over het gezag van de bijbel want hij is je vriend geworden. Het gezag is er wel maar je voelt het niet, het is een zacht juk en een lichte last.
Aan de volwassenheid is verder ook het nuanceren eigen. Ik denk dat niemand eraan ontkomt dat hij zich op de duur door het ene bijbelboek meer aangesproken voelt dan door het andere, door de ene auteur ook meer dan door de andere. Je gaat kritische vragen stellen. Je leert door het gebruik de menselijkheid van de Schrift onderscheiden. Je denkt wel eens: Nou, nou, Paulus, draaf je nu niet een beetje door? Ook de beperktheid van de Schrift ga je zien, dat je haar echt kunt overvragen. Dat het niet waar is wat men vroeger zei: De Schrift is rechter in alle geschillen. Wat is daar al niet een ruzie uit voortgekomen!
Kortom, het wordt dan door Gods genade een levende omgang met het Woord. Alles op voorwaarde dat je met een geopende bijbel leeft. Laat je hem dicht dan blijft z'n massief-formele gezag onaangetast. Dan wordt het inderdaad 'van kaft tot kaft'. Bij een epen bijbel weet je nauwelijks dat-ie een kaft heeft. En ja, je wordt ook kritisch ten aanzien van wat nu precies 'bijbels' is. Kuitert heeft gelijk wanneer hij de orthodoxie de spiegel voorhoudt: "Niet de hele bijbel, maar een keuze uit wat zich in de bijbel aandient, krijgt het kaartje 'bijbels' opgespeld"
(p. 292). Dat is gewoon waar, er is nogal wat willekeurig Schriftgebruik in de orthodoxie. Trouwens, dat hele gedeelte, al die zes punten die Kuitert op p. 291/2 opsomt, moeten ons al kunnen we niet alles toestemmen ertoe brengen de Schriftleer sober' te houden; niet teveel vastleggen, de Schrift is een wonder en verrast altijd weer, vooral als je denkt haar orthodox of vrijzinnig in de vingers te hebben.
Soberheid siert.
De bijbel Gods Woord
Echter, waar ik voor pleit is dat de vaders en de moeders met recht en reden en vooral blij en dankbaar tegen hun kinderen moeten kunnen zeggen: "De bijbel, jongens? Gods Woord!" De grootvaders mogen op de achtergrond mompelen: "Nou ja, alles van de bijbeL.."
- wij weten dat zij niet de beste opvoeders zijn. De terechte nuance die zij bedoelen komt later wel, die hoef je er bij kinderen niet in te stampen.
Dat werkt zelfs kontra-produktiet.
Samenvattend zou ik mijn eerste kritiek op Kuiterts bijbelopvatting in de vorm van deze vraag willen gieten: Als je zegt dat de bijbel de oudste en meest uitgebreide vorm van het christelijke zoekplaatje van God is (p. 294), praat je dan niet als iemand die God in de bijbel reeds gevonden heeft? En is er dáárom niet meer van de bijbel te zeggen, iets dat verder gaat? Inderdaad 'De Bijbel Gods Woord'? Volgende keer verder.