Ingezonden

1992-06-19
  • Jaargang 36
  • nummer 13
Een veel besproken rapport (1)
Korte reactie en enkele vragen n.a.v.
ds. W. Smouter: een veel besproken rapport (Opbouw 22 mei 1992)

Een voorzichtige benadering
Veel waardering heb ik voor de voorzichtige wijze waarop ook ds. Smouter met bovenstaande vraag omgaat. Zo'n verhaal helpt om te onderscheiden waar het op aan komt en gezien het gebed van Paulus in de brief aan Filippi is het niet onbelangrijk die gave te ontvangen en te ontwikkelen.
Ook ben ik nogal ingenomen met de genuanceerde wijze waarop hij een kerntekst in dit verband, als Galaten 3:28 behandelt: in Christus is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk.

Het verschil zit hem in het "geestelijke gezag"?
Ds. Smouter komt evenwel tot de konklusie dat de vraag "het ambt open voor zusters van de gemeente" wezenlijk anders ligt voor het ambt van ouderling dan voor het ambt van diaken.
Het verschil zou hem zitten in het "geestelijk gezag". Vanwege dit verschil zou het ambt van diaken z.i. wél en het ambt van ouderling niet opengesteld mogen Worden voor zusters van de gemeente. Ik heb daar een paar opmerkingen en een paar vragen bij. Het gaat mij hierbij naast het verschil ook vooral om de eenheid van het werk van de ambtsdragers.

1. Handelingen 6 moet blijven als bron van kennis voor het diakonaat!
Ds. Smouter zegt: zusters van de gemeente "worden door de gemeente ook tot bepaalde taken geroepen, waaronder die van "diaken". De bewijzen hiervoor uit Handelingen 6:11 Romeinen 16:1/1 Tim. 3:11 en 5:1-16 zijn duidelijk." Mijn vraag is: zijn die bewijzen inderdaad zo duidelijk? In Handelingen 6:1 waar het over "weduwen"
gaat, kan het inderdaad gaan om vrouwen die diakonaal werk doen. Ds.
Smouter zal met mij eens zijn dat "het kan" dwz. het is niet noodzakelijk.
Maar wel is duidelijk dat er 7 diakenen, zeven mannen aangesteld worden om de tafels te bedienen.
Mijn vraag aan ds. Smouter is: Wanneer in Handelingen 6:1 inderdaad duidelijk sprake is van diakenen, waarom hebben de apostelen dan onder de zeven diakenen die in dit gedeelte gekozen worden, geen enkele vrouw benoemd? Dit, terwijl ze in de benoeming wel degelijk rekening gehouden hebben met faktoren als "wie past het beste bij de groep waaronder de problemen zich voordoen".
Het zijn nl. alle 7 - let maar op hun namen - vermoedelijk mensen uit de verstrooiing. En om die groep in Jeruzalem ging het. Zou een vrouwelijke diaken in de gedachtengang van ds.
Smouter dan niet de aangewezen persoon zijn om onder deze weduwen te werken? Maar die overweging is blijkbaar niet bij de apostelen opgekomen.
Nee, er staat zelfs expliciet: ziet dan uit broeders naar zeven mannen onder u enz.

Tussen haakjes
De schrijvers van het rapport hebben (wel wat biblicistisch naar mijn mening) Handelingen 6 laten vallen als bron van kennis voor het diakenschap omdat er niet met zoveel woorden over diakenen wordt gesproken. Dit gaat mij wat al te snel; zeker als je bedenkt dat Handelingen 6 in de geschiedenis van de kerk altijd als bron van kennis voor l'iet diakonale werk heeft gefungeerd en wij zonder deze bron snel 'uitgeput' zijn. Ik bedoel: Je kunt je eigenlijk geen goede voorstelling maken van wat diakonaal werk inhoudt wanneer je Handelingen 6 laat vallen. Dus volgens mij moet de cie met sterkere argumenten komen om een zo fundamenteel schriftgedeelte te laten vervallen. Wat ik nog veel liever zou zien is dat wij Handelingen 6 gewoon in de traditie van de kerken handhaven. Dus de cie laat de zeven als diakenen vervallen, maar om nu met ds. Smouter te zeggen: die weduwen zijn de diakenen, dat gaat mij ook weer te ver.

2. Oudste lees ·ambtsdrager·
Ds. Smouter stelt dat er niet een massief ambtsbegrip uit de Schrift naar voren komt. Ik ben dat wel met hem eens. Ik ben blij dat ook hij het begrip 'oudste' hanteert, zoals het in het oude en in het nieuwe testament funktioneert, waarmee uitstekend wordt aangegeven wat wij onder 'het ambt' verstaan.
Dus als er in de Bijbel sprake is van oudste kun je m.i. zeggen: lees 'ambtsdrager' .

De apostel Paulus is bijvoorbeeld van mening dat er in elke gemeente oudsten moeten worden aangesteld. (Handelingen 14:23 en Titus 1:5). De apostelen noemen zichzelf ook medeoudste (vgl. 1 Petrus 5:1 en Johannes 1 en 3 Johannes 1). Zij noemen zichzelf medeoudste of ook oudste niet alleen omdat zij zichzelf niet boven de oudsten van de gemeente verheven voelen, maar ook omdat zij zichzelf net zoals de oudsten van de gemeente er toe geroepen weten, geestelijk leiding te geven aan de gemeente. Van de oudsten is bekend dat het mannen zijn en moeten zijn. O.a. Titus 1:5.

De diaken is ook een oudste Opmerkelijk is nu dat er in de Bijbel, als er gesproken wordt over mensen die blijkbaar tot die groep oudsten behoren, niet alleen sprake is van oudsten, maar ook van opzieners en "van diakenen. De oudste kan even later opziener genoemd worden. Vergelijk Handelingen 20:28 en Titus 1:7.
Heel opmerkelijk is ook dat op die plaatsen waar diakenen met zoveel woorden worden genoemd er naast hen niet over oudste maar over opziener gesproken wordt. Vgl. Fil. 1:1 en 1 Tim 3. In Fil. 1:1 staat: Paulus en Timotheus, dienstknechten van Christus Jezus, aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Philippi zijn tezamen met hun opzieners en diakenen. Hetzelfde geldt voor 1 Tim. 3. Indien iemand staat naar het opzienersambt... en even later ... én evenzo moeten de diakenen.

Ouderlingen doen in kleine gemeentes ook diakonaal werk Het feit dat de oudsten ook opzieners waren en hier en daar ook diakenen is in overeenstemming met de Schrift en met de gereformeerde praktijk, waar in kleine gemeentes de ouderlingen zowel de opzienerstaak als de taak van diaken voor hun rekening nemen.
Wordt de gemeente groter of is er veel diakonaal werk aan de winkel dan wordt ook het ambt van diaken geopend.
Maar beide vormen samen het ambt van oudsten van de gemeente.
Indien dit zo is dan kun je niet zeggen ouderlingen kunnen niet... en diakenen kunnen wél vrouwen zijn. Want de oudsten moeten mannen zijn. Dat wordt dan ook je vertaal principe: een vrouw die diakonaal werk doet, noem je in de Bijbelvertaling dan ook geen diaken, maar dienares. En de exegese van 1 Tim. 3:11 waar sprake zou zijn van vrouwelijke diakenen kan dan ook niet. Trouwens ook het volgende vers ontkent dit.
Dus mijn mening is dat het geen goede zaak is dat het ambt van diaken geopend zou worden voor zusters van de gemeente aangezien dit ambt samen met dat van opziener behoort tot het ambt van oudsten: En het is duidelijk dat dat mannen (moeten) zijn die tot die taak geroepen worden.


3. De dienst der barmhartigheid behoort onlosmakelijk tot de dienst van het woord en het gebed
Mijn volgende vraag aan ds. Smouter is dan ook: Wanneer zusters van de gemeente het ambt van diaken gaan uitoefenen, krijg je dan niet een ingebouwd spanningsveld dat er vermoedelijk toe leidt dat ook het ambt van ouderling en predikant na verloop van tijd wordt geopend voor vrouwen ötwat misschien nog verstrekkender is in zijn gevolgen - dat het diakonale ambt zijn ambtelijke karakter verliest en ahw uit het ambt geduwd gaat worden.
Dat laatste zou mij zeer en misschien nog wel meer verdrieten. Ik geef toe dat in de Bijbel en in de Gereformeerde traditie het ambt van diaken inderdaad ook afwezig kan zijn, in die zin dat het wordt uitgevoerd door de ouderlingen. Maar dat bevestigt mijn zorg op dit punt. Dwz. het diakonale werk oftewel de dienst der barmhartigheid behoort zo wezenlijk tot derdienst van het woord en het gebed dat het maar met moeite en alleen als dat niet anders kan, ervan losgemaakt kan worden nb. om door ánderen beter tot zijn recht te komen. Zo stootten de apostelen dit werk af omdat ze aan hun andere taak (dienst van het woord en het gebed) niet meer toe kwamèn én omdat het diakonale werk niet optimaal gebeurde. M.i. behoort de dienst van barmhartigheid zo zeer een eenheid te vormen met de andere taken van de oudsten - nl. de dienst van het woord en van het gebed - dat een uitstoten van de diakonale taak tot iets wat niet meer ambtelijk is, het evangelie zou aantasten: Daarin behoren woord en daad en gebed gewoon samen.
Als de daad er wel afkan, er wel uit kan, dan trekken we het evangelie uit zijn verband. De winst zou zijn dat zusters een ambt bekleden, het ambt van diaken, maar het verlies zou dan veel groter zijn. Er zou nl. een visie achterliggen dat het werk van de dla-, kenen niet zou behoren tot de geestelijke leiding die de ambtsdragers aan de gemeente moeten geven, Welnu: het behoort er wél toe, heel wezenlijk, Worden in die zin ook geen eisen gesteld aan het diakenschap? Bijv. 1 Tlrn.
3 "Evenzo moeten de diakenen waardig zijn, niet met twee tongen sprekende, niet verzot op veel wijn, niet op winstbejag uit, maar het geheimenis van het geloof bewarend in een rein geweten," Hebben de diakenen volgens het bevestigingsformulier niet in allerlei opzichten taken sámen met de ouderlingen enz. Als het de andere kant uit zou gaan nl. ook vrouwelijke ouderlingen en predikanten, zou het een kant opgaan waarvan we nu in ieder geval nog zeggen dat de Schrift die afwijst. Of is er geen sprake van een ingebouwd spanningsveld, Ziet ds. Smouter nog andere mogelijkheden?
Bijv. een goede afgrenzing binnen het kerkeraadswerk waarbij zowel de ouderling als de (vrouwelijke) diaken voluit kan funktioneren en het evangelie tot zijn recht komt? De oplossing van vandaag moet niet het probleem van morgen zijn.

G. de Lange

______________________________________________________


Een veel besproken rapport (2)
Laten we voorop stellen dat wij het eigenlijk niet zo netjes vinden om als theologen stelling te nemen m.b.t. het.
studierapport van de Commissie Openstelling Diakenambt voor de Zusters, nu daarover in de kerken nog druk gediskussieerd wordt. Elke gemeente is zelf mondig genoeg om zich een mening te vormen en knopen door te hakken. Maar goed, ds. Smouter heeft deze terughoudendheid niet betracht. En om te voorkomen dat zijn artikel in Opbouw van 22 mei jl. als leeswijzer voor het rapport gaat fungeren, willen wij daarop kritisch ingaan.

De achterliggende gedachte bij het artikel van Smouter is dat een vrouw geen geestelijk gezag mag uitoefenen over een man. Smouter schrijft: "Laten we de hele zaak eerst eens samenvatten op een vingernagel. De apostel zegt: "ik sta niet toe, dat een vrouw onderricht geeft of gezag heeft over de man" (1 Tim. 2, 12) en wij zien eigenlijk niet in wat daartegen is. Dan heb je een probleem ... De vraag is nu, hoe we omgaan met dit probleem," Wij vinden deze tekst niet geschikt als invalshoek rn.b.t, de hele diskussie, Op deze manier wordt het probleem versmald en versimpeld. Uitgangspunt moet zijn de lijn van de Schrift, te beginnen bij Genesis 1. Die lijn moet als leidraad dienen voor de uitleg van de afzonderlijke teksten, Om het konkreet te maken: volgens ons is het in het licht van de lijn van de Schrift onmogelijk om 1 Tirn. 2, 12 zo uit te leggen dat vrouwen vandaag geen geestelijk gezag mogen uitoefenen. Hoe komen wij hierbij?
De eerste drie hoofdstukken van de Bijbel laten de volgende lijn zien m.b.t. de verhouding van man en vrouw. Man en vrouw zijn allebei naar Gods beeld geschapen en krijgen allebei dezelfde opdracht van God (Gen, 1,26-28). Hoewel ze van verschillend geslacht zijn, komt dit niet tot uitdrukking in de taakverdeling.
Dat de taak van de man vooral (of alleen) bestaat uit heersen en onderwerpen en dat de vrouw dit ontzegd wordt, doet geen recht aan Genesis 1. Uit Gen. 2 kunnen we konkluderen dat de mannelijke en de vrouwelijke mens een perfekt koppel vormen, Met de man alleen was de schepping niet af. Deze wordt pas kompleet als de vrouw als zijn tegenhanger (in de NBG-vertaling: 'hulp') geschapen wordt. Na de zondeval wordt de gelijkwaardige verhouding tot een ongelijkwaardige ("de man zal over u heersen", Gen. 3, 16). Hierbij is geen sprake van een gebod van God, maar wordt de konsekwentie van de zonde aangegeven. Wil deze ongelijkwaardige verhouding weer gelijkwaardig worden, dan zal er moeite gedaan moeten worden. Juist waar mensen dicht bij God leven, doen zij die moeite. Sterker nog: God zelf werkt daaraan. Het meest duidelijk komt dit tot uitdrukking bij de uitstorting van de Heilige Geest (Hand. 2). Hier wordt een duidelijk signaal gegeven dat bij het volk van God gewijzigde verhoudingen horen. In zijn toespraak zegt Petrus dat de profetie van Joël nu in vervulling gaat (Hd. 2, 14vv). In deze profetie gaat het over de uitstorting van de Geest op alle vlees. Leeftijd, geslacht en sociale positie zijn geen belemmering meer om in de gemeente van Christus te funktioneren. Niemand mag nu nog zeggen (zoals het in die dagen gangbaar was): "Hij is te jong"
of: "Het is maar een vrouw". Ieder is gelijkwaardig. Het is duidelijk dat hiermee de onderlinge verhoudingen, en dus ook de man-vrouw-verhouding, zoals die ver-worden zijn na de zondeval, hersteld worden in de gemeente van Christus.
Ook Paulus sluit zich aan bij Hand. 2, getuige Gal. 3, 28 ("Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk").
Smouter schrijft hierover terecht: "allen zijn gelijkelijk met Christus bedeeld".
M.b.t. de slaven schrijft Smouter dat de afschaffing van slavernij een voorbeeld is van een bijbelse lijn, die er om vroeg voortgezet te worden.
Ditzelfde geldt naar onze mening voor de positie van de vrouw. Hiervan zegt Smouter echter: "Een vermeende Bijbelse lijn voortzetten tegen de tekst van Gods Woord in, dat is een heel ander verhaal". Wij menen aangetoond te hebben dat de door ons geschetste lijn wel degelijk bijbels is.
Zoals Paulus niet oproept tot afschaffing van slavernij en zelfs slaven oproept om gehoorzaam aan hun heer te blijven (vgl. Ef. 6, 5-9), maar door andere uitspraken dynamiet legt onder het instituut slavernij (vgl. de brief aan Filémon vs. 15 en 16), zo gaat hij ook te werk met de positie van de vrouw in de gemeente. Dit betekent dat een tekst als 1 Tim. 2, 12 gelezen moet worden in het licht van de lijn van de Schrift en niet zondermeer toe te passen is op onze situatie. Paulus zegt dus niet dat vrouwen nooit onderricht mogen geven, hij wil alleen niet dat deze vrouwen dat toen en daar deden (mogelijk omdat ze pas net zelf onderricht ontvangen hadden, mogelijk om dat heerszucht de drijfveer was). Ook Smouter erkent in zijn artikel dat de gaven van vrouwen in de Schrift, en zeker in het Nieuwe Testament, voluit worden ingeschakeld. Maar wanneer hij komt te spreken over Gods wil voor de inrichting van de gemeente en dan met name over de 'oudsten', dan worden de voorschriften van Paulus en Petrus heel direkt naar de gemeente van vandaag overgeheveld. Hand. 2 en Gal. 3 zijn dan opeens uit het gezichtsveld verdwenen. Zo wekt Smouter de indruk, ook al zegt hij dat niet te willen, te werken met geïsoleerde teksten.
Lopen wij met onze visie het gevaar van een 'open eindregeling' zoals Smouter het noemt? Met andere woorden: begeven wij ons hiermee op een hellend vlak? Wanneer je je houdt aan afzonderlijke teksten lijkt dat veiliger te zijn. Maar als je die teksten niet ziet in het brede perspektief van de hele Schrift, beperk je je blikveld en kun je je afvragen of je nog wel volledig recht doet aan Gods wil. Het moge duidelijk zijn, dat ook wij vasthouden aan de weg die Smouter bepleit, namelijk niet uit te gaan boven hetgeen geschreven staat in de Bijbel.

Mark en Ua Janssens

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief