Priesters en oudsten (1)

1992-06-19
  • Jaargang 36
  • nummer 13
De discussie over 'de vrouw in het ambt' in onze kerken lijkt via het studierapport van de desbetreffende commissie geleidelijk tot een beslissing te zullen leiden. Dat is goed, want het heeft (te) lang geduurd, en het kan ook, want de zaak is grondig bestudeerd.
Ik schrijf deze bijdrage, omdat ik geloof dat een belangrijk aspect in de discussie te weinig aandacht heeft ontvangen. Deze laatste was vooral gericht op het nauwkeurig vaststellen van de inhoud en bedoeling van wat we 'kernteksten' kunnen noemen.
Nauwkeurige exegese en analyse van kernwoorden en het verstaan van deze teksten in het geheel van de Schrift ontvingen de meeste aandacht. Daarnaast werd ook, voorzichtig, de vraag aan de orde gesteld of het in rekening brengen van 'het historisch karakter van de Bijbel' en 'de concrete situatie' van bepaalde voorschriften niet moest leiden tot de vraag of .die voorschriften 'vandaag nog alle gelden'. Ik denk dat die vraag, dus de vraag naar het gezag van bijbelse uitspraken vandaag, de kernvraag is. De discusSie daarover is veel minder ver gevorderd en het studierapport (dat wel vragen registreert en ook enkele overwegingen uit de 'Verantwoording' van Eindhoven citeert) is op dit punt (te) terughoudend.
Termen als 'tijdbediend', 'situatiegebonden', 'tijdgebonden' en 'kultuurbepaald' duiken in de beschouwingen op en geven aan dat men worstelt met de vraag wat van de desbetreffende bijbelse voorschriften toen wel en nu niet meer gezaghebbend zou zijn. Maar het gebruik van zulke termen alleen helpt niet, als men daarbij niet concreet invult wat 'tijdgebonden' enz. is, en wat blijvend en voor alle tijden en plaatsen geldend. Toch is alleen een beslissing mogelijk als hier duidelijk gekozen wordt, en ik hoop dat deze bijdrage daartoe een aanzet kan zijn.
De vraag waarvoor wij staan is in feite deze: zou Paulus vandaag aan de dag, aan een gemeente van Christus, ontstaan in een grote stad, waar man en vrouw in het sociale leven volkomen gelijkberechtigd zijn en waar ook Christenvrouwen in het burgerlijke leven van die rechten met overtuiging gebruik maken, nog schrijven: "God vraagt van U dat in Uw gemeente vrouwen zich onthouden van het geven van leiding, van het uitoefenen van gezag, en uitgesloten worden van het bekleden van kerkelijke ambten!"? En zo ja, hoe zou hij dit vanuit de Bijbel beargumenteren?
Zo'n toespitsing maakt duidelijk dat zo'n gebod zo'n gemeente - en dat geldt officieel thans in onze kerken
- tot een haast folkloristische enclave in de maatschappij zou maken en een schril contrast zou doen ontstaan tussen wat binnen en wat buiten de kerkmuren geldt. En dat was in Paulus' dagen nu juist volledig anders, omdat de voorschriften, waardoor hij de rol van vrouwen in de gemeente binnen de perken wilde houden, een bestuurlijke norm in stand hielden die ook in 'de wereld' gemeengoed was. En de vraag is dus of God vandaag op dit gebied wel een duidelijke antithese van ons vraagt. Die vraag is extra klemmend als men beseft dat leiding en bestuur door (mannelijke) 'oudsten' van oorsprong een niet-kerkelijke, zuiver burgerlijke bestuursvorm was, secundair door de kerk aan de maatschappij ontleend.
Waarom, moet men dus vragen, was zo'n overname en analogie toen wel mogelijk, en waarom moet de gemeente van Christus nu bewust afstand nemen van een ook door Christenen voor onze maatschappij algemeen aanvaarde ordening, waarin vrouwen gelijkberechtigd zijn?
De keuze voor het scheppen van een antithese moet uiteraard gebaseerd zijn op bijbelse argumenteren en voorschriften.
Het studierapport maakt duidelijk dat argumenten vanuit losse teksten riskant is .en dat het gaat om het ontdekken van de principiële bijbelse visie op de rol van de vrouw. Dat leidt onherroepelijk tot een vergelijking van wat in het begin van Genesis principieel over de verhouding tussen man en vrouw gesteld wordt met de concrete voorschriften die Paulus in zijn brieven geeft. Wat was de blijvende, niet tijd- of situatiegebonden kern van het gebod? Wil men daar achter komen, dan rijst de vraag of er inderdaad sprake is van een duidelijk gebod. Ik hoop in het volgende aan te tonen dat de Bijbel zich juist t.a.v. de sociale structuren op veel punten aansluit bij de toen heersende oudoosterse, patriarchale kultuur, die reeds vóór het ontstaan van Israël zijn eigen vormen en normen had ontwikkeld.
Overname daarvan in het O.T. betekent niet automatisch een gebiedende bijbelse norm, een goddelijk gebod.
Dat geldt niet van wat de Bijbel bepaalt in zake (ook Hebreeuwse) slaven; geldt het wel van wat over de rol van de vrouw gezegd wordt? Wat is in dit opzicht "typisch bijbels", wat leert Genesis ons, en welke argumenten voert Paulus voor zijn voorschriften aan? In de titel worden 'priesters' en 'oudsten' genoemd, Israëls leiders en ambtsdragers in 'kerk' en 'maatschappij', en per definitie alleen mannen.
Niemand zal ontkennen dat de aard van en visie op deze beide bijbelse ambten de traditionele invulling van de kerkelijke ambten, en dus ook het weren van vrouwen daaruit heeft beïnvloed.
Maar tussen beide is een groot verschil, zowel t.a.v. ontstaan en invulling ervan in Israël, als t.a.v. de wijze waarop beide ambten en de onderliggende visies in het Nieuwe Testament doorwerken. Je zou kunnen stellen dat de 'vulling' van het priesterschap in Israël sterk bepaald was door de antithese met de heidense wereld, een religieuze posltlekeuze betekende.
Maar de 'vultinq' van de functie van 'oudste' is bewijs van aansluiting bij en overname van wat in de wereld van toen gangbaar was, een bewijs van sociale analogie. Dat is een opmerkelijk verschil, dat consequenties heeft voor 'de vrouw in het ambt'.

Priesters
Heel het Oude Testament staat in het teken van een bewuste antithese met de heidens-religieuze kultuur van die tijd, vooral die van Kanaän. Dat betekent een radicaal afwijzen van de verering van de krachten van natuur en vruchtbaarheid, waarbij het sexuele, erotische element steeds een rol speelde. In dit opzicht was de gebeurtenis van Bet-Peör (Num. 25), vlak vóór de intocht in Kanaän, een waarschuwend voorbeeld. Het toonde zowel de verleidelijkheid van die kultus aan als Gods afschuw ervan. Verzet tegen de Kanaänitische godsdienst bracht zo mee dat het sexuele en erotische uit Israëls godsdienst moest worden uitgebannen.
Zoals er in Israël geen vrouwelijke godin mocht zijn (een moedergodin, een erotische jonge godin), zo was er ook geen plaats voor priesteressen. De kultus was een mannenzaak en ook zij moesten zich (getuige hun kledingvoorschriften) wachten 'voor sexuele prikkels. De stam van Levi was in zijn geheel bestemd voor kultisch werk en priesterdienst, als plaatsvervangers voor de (uiteraard manlijke) eerstgeborenen uit alle stammen.
Daarnaast kenmerkte het Oude Testament zich door een grote nadruk op Gods heiligheid en daarom door strenge reinheidswetten. Bezoedeling, misvorming en verontreiniging waren God een afschuw en moesten uit de kultus en uit het leven zoveel mogelijk uitgebannen worden. Dat betekende dat priesters en offerdieren volkomen gaaf moesten zijn, alle voorwerpen en plaatsen rein, en dat mensen moesten waken voor verontreiniging door wat van binnenuit of van buiten af kwam.
Contact met wat dood is, met ziekten als lepra, en met lichamelijke afscheidingen die met sexualiteit te maken hebben, dat alles waren gevreesde oorzaken van onreinheid. De onreinheid i.v.m. de sexualiteit betrof tastbare blijken van geslachtsgemeenschap en de menstruatie, waarbij bezoedeling door bloed plaats vond. En een soortgelijke bezoedeling vond plaats bij het baren van kinderen.
Terwijl man en vrouw beide vatbaar waren voor allerlei soorten verontreiniging, is het duidelijk dat de vrouw, vanaf haar puberteit, daarvoor uiterst kwetsbaar was. Terwijl vergelijkbare onreinheid bij mannen (diverse soorten vloeiingen, zaaduitstorting) slechts tot aan de avond onrein maakt, is de vrouw tijdens haar maandstonde zeven dagen onrein en wordt wie haar aanraakt ook onrein. Bloedverlies bij de geboorte maakt een vrouw één tot twee weken onrein - nota bene afhankelijk van het geslacht van haar kind -, en daarna zal zij zich nog 33 of 66 dagen hebben te onthouden van contact "met alles wat heilig is". Het is hier niet de plaats om in te gaan op de redenen waarom dit zo was. Ik kan hiervoor verwijzen naar de recente studies van K. van der Toorn, o.a. (Baarn 1987), waar ook getoond wordt dat in de heidenwereld vergelijkbare opvattingen heersten. Waar het hier om gaat is dat deze strikte reinheidswetten de vrouw, al vanwege haar geslacht uitgesloten van het priesterschap, ook herhaaldelijk, soms voor vrij lange perioden uitsloot van deelname aan de eredienst.
Het is duidelijk dat de vrouw binnen dit reinheidskader noch bij de eredienst in de tempel, noch ook in de synagoge een ambtelijke rol kon vervullen. Dergelijke bepalingen hebben er onherroepelijk toe bijgedragen de vrouw als een meer en vaker onrein wezen naar beneden te drukken en soms zelfs als onvolmaakter, vatbaarder voor zonde en duivel, als belichaming van vleselijke lusten te brandmerken. Dat vrouwen tot in de late Middeleeuwen tijdens hun maandstonde niet aan de communie mochten deelnemen en dat vooral vrouwen als heksen werden vervolgd staat hier niet los van. Boven bleek dat ook mannen i.v.m. sexuele gebeurtenissen onrein werden. Maar dat was niet alleen om afscheidingen van hun eigen lichaam. Ook het sexuele contact met vrouwen als zodanig kon onreinheid veroorzaken. David en zijn mannen, op de vlucht voor Saul, mogen de toonbroden uit de tabernakel te Nob slechts eten als ze zich van geslachtelijke omgang met vrouwen onthouden hebben (1 Sam. 21:4v.). En zelfs in Openbaring lees je, toch wel met verbazing, dat de 144.000 die bij het Lam op de berg Sion zijn aangeduid worden als "die zich niet met vrouwen bevlekt hebben". Het is een lijn die doorloopt naar de monniksascese en het celibaat. Immers de priester, die het miswonder moet voltrekken, kan dat slechts als hij heilig is en dus mag hij niet gehuwd zijn.
Hoewel de feiten de positie van de vrouw in tempel en synagoge beïnvloed hebben, spelen ze in de Nieuwtestamentische gemeente geen rol (Openb. 14:4 is een uitzondering).
Reinheidswetten hebben hun geldigheid verloren. Dat heeft Jezus in woord en daad verkondigd en Paulus heeft het, in zijn strijd tegen het wettische Judaïsme met kracht verdedigd.
Onreinheid beperkt de rol van de Christenvrouw niet meer. Paulus' argumenten tegen leiding door en gezag van vrouwen hebben een andere wortel en als hij soms ongehuwd blijven aanbeveelt heeft hij praktische, geen religieuze argumenten. En na Christus' volmaakte offer zijn geen offers en dus geen priesters meer nodig. Een oudste is (evenmin als een predikant) een nieuwtestamentische priester. De antithese met de heidense vruchtbaarheidsgodsdiensten hoeft niet meer door te werken ten nadele van de vrouw. Paulus' standpunt inzake de rol van de vrouw in de gemeente betekent alleen de bevestiging van een uit de oudheid, via Israël en Jodendom overgeërfd maatschappelijk en bestuurlijk bestel. De vraag of dat bestel ook niet beïnvloed is door de bovengenoemde, voor vrouwen discrimenerende reinheids- en priesterwetten stelt Paulus niet aan de orde. Dat is begrijpelijk, want hij heeft andere argumenten.
Dit argument zou men kunnen verwachten van wie zich inzet voor de emancipatie van de christelijke vrouw, niet van wie haar rol binnen 'bijbelse' perken wil houden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief