Persschouw

1992-06-19
  • Jaargang 36
  • nummer 13
De op-beroep-prekendekandidaat
Buiten hadden de kerkklokken hun stemmen ingeslikt.
Binnen had een jong figuur het eerwaarde escorte van de kerke raad doorbroken en was de eenzaamheid van de kansel opgegaan. Dit was een tamelijk kleine en een onbetamelijk hoge ...
Beneden hem ritselde het laatste nieuws door de banken: 'Het is een op-beroep-prekende-kandidaat!' De organist ontlokte aan zijn instrument nog een paar dreigende bassen en de eredienst ving aan.
'Wij zingen ...,' sprak de mond van de jonge godgeleerde. Z'n tong was droog als het tuigwerk van een sleperspaard.
De kerkeraad had beslist niet over één nacht ijs willen gaan. De kandidaat was dan ook in alle vroegte met een waarlijk bijbelse wolkkolom van sigarenrook en een spervuur van gewetensvragen ontvangen. Slapjes had hij geantwoord, dat hij dit niet te veel en dat niet te weinig had gedaan.
Hij kwam weer op adem toen één van de broeders het voornemen uitte hen allen in gebed voor te gaan.
'Evenals een moede hinde ...' loeide de gemeente enthousiast. Zijn hand vond nergens het klare water. Wel een door een andere voorganger leeggedronken glas.
'We lezen ...' Als scherp registrerende camera's staarden tweehonderd ogen hem aan. Hij voelde dat niet de bijbeltekst, maar wel zijn doen en laten tijdens de koffietafel over de tong zou gaan. Nog een lied, nog een tekst en de gemeente zette zich in postuur voor de preek.
Voor deze preek had hij met Profeten geworsteld en tot in de kleine 'uurtjes van de nacht de Apostelen uitgedaagd.
Hij had in stilte gemediteerd en dikke boeken om raad gevraagd. Hij had zich wanhopig gevoeld als de oude Mozes. Met dit verschil, als er geen Aäron opdook om voor hem het woord te spreken. Pas na dagen had zijn pen, zich aan het papier gewaagd. En nu was het moment daar om over het gigantisch geheim van God en menSen te gaan preken!
'God zei ...,' begon de kandidaat.
'U moet recht in de microfoon praten.' Als een indiaan was de koster de preekstoelopgeslopen en kwam als uit een hinderlaag achter hem staan.
'U moet niet te veel bewegen. Anders kunnen ze u achterin niet verstaan!' Achteraf verbaasde het hem nog, dat hij gezond het 'amen' had gehaald.
"Tja," mompelde daarna één van de woordvoerders van de kerkeraad. 'Ik geloof niet, dat u onze jeugd aan kunt spreken. En dat is toch wel één van de eerste vereisten, nietwaar. U moet meer acteren en u moet meer bewegen!' Over de dagenlange strijd met zichzelf en God heeft de kandidaat toen maar .wijselijk gezwegen.
's Avonds werd in zijn dagboek bijgeschreven: 'Ik had Gods vaandeldrager willen zijn. Ik werd zijn nar, zijn harlekijn ..."
Een ander kreeg het beroep van deze gemeente en nam het aan.
Wij vonden dit ludieke stuk met een diep-ernstige ondertoon in het: 'CEN TRAAL WEEKBLAD'. Drs. A.C. Bronswijk, radiopredikant te Bloemendaal, gaf het een plaats in zijn bekende rubriek ALFRED. Bij het lezen van dit artikel gingen mijn gedachten terug naar de tijd waarin ik in de vrijgemaakte kerken zondag aan zondag voorging als student met preekkonsent.
Een boeiende periode waarin je als toekomstig predikant al enige ervaring opdeed. Het examen, dat moest worden afgelegd voordat je werd toegelaten tot de kansel, heette niet veel om het lijf te hebben, maar in de praktijk konden enkele predikanten het je wèl moeilijk maken. Met schroom stelde ik mij de eerste zondag op voor een niet talrijk gehoor. Ik was steeds maar bang, dat ik enkele ketterijen zou verkondigen. Hoe ik daarbij kwam weet ik nog niet. Want is was door de proffen in Kampen goed onderwezen in de gezonde leer en zij hadden mij nooit verweten; dat ik van de belijdenis afweek. Toch die angst... Totdat de ouderling van dienst in de konsistoriekamer na de preek zei, dat ik best met mijn preken voor de dag kon komen.
Deze eenvoudige opmerking heeft voor mij van meet af een enorme stimulans betekend. Het gebeurde ook, dat je vlak voor de dienst gevraagd werd aan een bepaalde ernstige ziektesituatie van een gemeentelid aandacht te besteden in het gebed. Eén van mijn jaargenoten, die ook pas op het preekpad was, raakte daardoor zo van de wijs, dat hij meende in het gebed nïet de woorden te kunnen vinden om aan dit verzoek tegemoet te komen. Hij loste het probleem als volgt op: Hij kondigde af, dat door de kerkeraad met klem aan de GEMEENTE gevraagd werd in het PERSOONLIJK gebed extra de genoemde broeder te willen gedenken. Verder deed hij zèlf niets! Als je nu deze man, die als een uitstekende predikant in ons midden funktioneert, hoort bidden, word je getroffen door zijn originele woordkeus.
Ik wil dit maar zeggen: Als een student of een kandidaat zich eigenwijs opstelt kan het geen kwaad, dat een kerkeraad hem maant tot de nodige bescheidenheid. Maar als de pas van start gegaan zijnde voorganger in alle prilheid duidelijk een sterke schroomvalligheid verraadt, is het goed, dat een kerkeraad vóór of na de dienst daarop met een bemoedigend woord inspeelt. De wijze kent tijd en wijze!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief