Wanneer uw kinderen later vragen...

1991-01-18
  • Jaargang 35
  • nummer 2
De ontwikkeling van kinderen verloopt in stapjes. Steeds weer is het kind aan nieuwe dingen toe. Ook bij de ontwikkeling van het geloofsleven kunnen we deze stappen (fasen) herkennen. In dit artikel wordt geschreven over kinderen in de hogere groepen van de basisschool.

Feiten
Kinderen van een jaar of 9 zijn vaak erg leergierig. Atlassen, encyclopedieën, het journaal op televisie; ze zijn er hevig in geïnteresseerd. Als iets niet echt is gebeurd is het misschien nog wel grappig, maar niet echt interessant.
Daarin verschillen ze van kleuters, die veel sterker in een fantasiewereld leven.
Een ander kenmerk van deze leeftijd is dat er vaak wordt gedacht in de lijn van oorzaak en gevolg. Als Jan steelt komt hij in de gevangenis. Als ik moeder help met de vaat, mag ik daarna opblijven.

Gedenkstenen
Bij het vertellen uit de bijbel en de overdracht van het geloof zien we dezelfde ontwikkeling. Eerder werd in 'Opbouw' in dit verband al aandacht besteed aan de theorie van Fowler ".
Bij het vertellen van de bijbelse geschiedenis spelen op deze leeftijd de feiten dan ook een grote rol. Als de geschiedenis spannend is, voegt dat nog een extra dimensie toe.
Als kinderen leergierig zijn, stellen ze ook veel vragen. In Jozua 4 wordt ingespeeld op deze vragen: "wanneer later uw kinderen vragen ...". De 12 stenen uit de Jordaan zijn bedoeld als teken voor komende generaties. Een kleuter die deze stenen ziet liggen, zal vragen: "wat is dat?". Oudere kinderen (rond de 9 jaar) zijn al in staat om naar de achtergrond, de diepere betekenis te vragen. Een gedenkteken staat er niet zo maar, het verwijst ergens naar. Het is de vraag die vers 6 noemt: 4 : 6 : "Wanneer uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor U te betekenen ..?"
Kinderen in de hoogste groepen van de basisschool zullen ook gaan vragen naar de betekenis van (abstrakte) regels en voorschriften. "Wanneer later uw zoon vraagt: Wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen ...?" (Deut. 6 : 20) Hier komt de kritische puber alom de hoek kijken, die wil weten 'waar het allemaal voor nodig is'.
Ook het denken in oorzaak en gevolg komt in het geloofsleven terug. Als iemand goed zijn best heeft gedaan, moet daar zegen op rusten. En als ik gebeden heb als ik ziek ben, dan moet God mij ook beter maken.
De neiging om zich alles konkreet voor te stellen komt terug in het beeld dat het kind van God heeft. In tegenstelling tot de kleuter ('God is overal') ziet het kind van een jaar of 9 God als een aanspreekbaar Persoon. Hij maakt zich ook een voorstelling van God.

Kennis overdragen
Als kinderen ontvankelijk zijn voor informatie geeft dat opvoeders een goede ingang om kennis over te dragen.
Voor de geloofsopvoeding betekent dit dat er veel tijd gebruikt kan worden om kinderen kennis van de bijbelse geschiedenissen bij te brengen.
Een quiz met bijbelse vragen doet het bij deze leeftijdsgroep ook vaak goed. Omdat het kind nog zo open staat voor nieuwe informatie lijkt mij dit ook een betere leeftijd om met cathechisatie te beginnen dan de leeftijd van 12 jaar, die veelal gebruikelijk is.
Helaas wordt het belang van kennis op religieus gebied nog wel eens onderschat.
Te gemakkelijk wordt gedacht dat die kennis op oudere leeftijd wel verkregen kan worden.
Men verwart ook wel de overdracht van kennis met indoktrinatie. Anderen leggen sterke accenten bij de religieuze ervaring.
Daar komt nog een ander aspekt bij. In onze tijd worden kinderen overspoeld door informatie. Dit wordt nog eens versterkt door de aandacht die andere godsdiensten krijgen (via de media, maar ook wel in het onderwijs). Interessant is de stellingname van Ger Snik in dit verband 2. Hij schrijft dat de konfrontatie met andere levensbeschouwelijke visies voor kinderen onder de 12 jaar eerder verwarrend dan stimulerend kan werken. Eerst is er een redelijke mate van overdracht vanuit het eigen geloof nodig. Pas daarna is het kind toe aan verheldering, aan een afweging, in relatie tot andere godsdiensten. Die afweging vindt plaats op latere leeftijd.

Kennis, maar ook. ..
Mevrouw Vrijmoeth-de Jong noemt als invalshoeken bij het vertellen uit de bijbel:
- les in de bijbelse geschiedenis
- onderricht in de omgang met de hemelse Vader
- training in het toepassen van Gods Woord in het leven van de kinderen 3.
Wanneer gesproken wordt over omgang, dan verwijst dat naar het hárt van de mens, naar de binnenkant. Iets daarvan kwam ook tot uiting in de vraag van het kind uit Jozua 4; "Wat hebben deze stenen voor U te betekenen?"
De stenen prikkelen het kind om vragen te stellen. Maar er wordt niet alleen gevraagd naar de betekenis van de stenen. Aan vader of moeder wordt ook gevraagd wat deze stenen voor hen te betekenen hebben. Daarmee krijgt de vraag een persoonlijk accent. Wanneer het hart, het persoonlijke element van de relatie tussen God en mens geen plaats krijgt, is er iets fundamenteel mis met de opvoeding.

Bouwstenen
De afgelopen jaren is er veel onderzoek gedaan naar de vraag op welke wijze kinderen leren te geloven. Opvallend is dat het samen bidden en het gesprek over het geloof steeds weer naar voren springen als belangrijke bouwstenen van de geloofsopvoeding.
Naar de kerk en bijbel-lezen kunnen als uiterlijke gewoonte lang stand houden. Het persoonlijke gebed en het spreken vanuit het geloof vragen om een geloven met het hárt.
Het gesprek kwam al aan de orde bij de vragen die kinderen stellen. Als een zoon zijn vader vraagt wat de betekenis is van de stenen, dan wordt de vader geprikkeld tot het geven van een antwoord. Als een dochter aan haar moeder vraagt waarom ze naar de kerk gaat, dan is dat een vraag waar die moeder blij mee mag zijn.
Naarmate kinderen ouder worden, zullen opvoeders bij hun antwoorden meer accent moeten leggen op de betekenis van de gewoonten.
Daarbij moet ook de persoonlijke keuze van de ouders zichtbaar of voelbaar zijn. "Omdat het zo hoort", of: "Omdat de bijbel het zegt" is dan een te beperkt antwoord.

Bidden
Eerder werd al opgemerkt dat kinderen in deze leeftijd God als een aanspreekbaar Persoon zien. Ze zijn betrokken bij de wereld en bij het verdriet en de ziekte van mensen in hun omgeving. Het is een voorrecht als het kind in staat is om zélf onderwerpen voor het gebed aan te geven.
Wat het belang van het bidden met de kinderen betreft volgen hier ter illustratie twee citaten: "In het geheel van godsdienstige opvoedingshandelingen blijkt het samen met de kinderen bidden voor het slapen gaan de beste graadmeter voor het vaststellen van de intensiteit van die opvoeding".
4 En: "Wie kan schatten wat de blijvende betekenis is van de ervaring in het gebed een gesprekspartner te hebben gehad, al was het maar voor een tijdje? Jongeren blijken, ook later nog, veel meer te bidden dan men op grond van de ontkerkelijking zou verwachten"

S Gelovige ouders
In dit artikel ligt het accent bij kinderen in de leeftijd van ongeveer 8 tot 11 jaar. De relatie tot de kerkdienst werd daarbij buiten beschouwing gelaten.
Het komend voorjaar zal aan het onderwerp 'kind en kerkdienst' weer een apart artikel worden gewijd.
Iedere volwassene weet dat er na de basisschool een periode aanbreekt waarin het kind minder ontvankelijk is voor datgene wat de eigen ouders hem aanreiken. Daarom is het zo belangrijk om de leeftijd van de basisschool intensief te 'gebruiken'. Ook al gaat het bij het ene kind moeizamer dan bij het andere, toch moeten opvoeders de mogelijkheden die God in deze leeftijdsfase geeft benutten (dat hebben de ouders bij de doop ook beloofd). Hoe moet immers een kind dat nauwelijks 'onderwezen' is, op latere leeftijd op dat onderwijs terugvallen?
Wanneer ouders hun kinderen willen leiden op de weg naar het volwassen geloof, dan zullen ze zelf het geloof serieus moeten nemen. Het betekent dat ze ook trouw moeten zijn in het aanbieden van mogelijkheden om het kind met het geloof in aanraking te brengen. Trouw in de kerkgang, in het lezen uit de bijbel, in het bidden met de kinderen. Dat vraagt ook om een persoonlijke bewustwording bij de ouders.

Noten:
1 Opbouw, 30 september 1988, Zie ook de bijdrage van drs. L. van Driel in 'In de kerk, uit de kerk', pag. 92 e.v. (Redaktie: drs. A.G. Knevel; Kok, Kampen, 1988)
2 G. Snik in : Voorwerk 5/2, december 1988, (uitgave: Unie School en Evangelie)
3 Opbouw (serie over 'Sijbelgebruik in het gezin'): 13 maart tot 14 augustus 1981
4 T.G.I.M. Andree: Gelovig word je niet vanzelf (proefs'chrift R.U. Utrecht; verschenen bij Dekker & Van de Vegt, Nijmegen, 1983)
5 H.J.M. Vossen: Geloofsopvoeding als probleem (In: Kinderen leren geloven; Serie Praktische theologie 16/2; Waanders, Zwolle, 1989).

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief