Persschouw

1991-01-18
  • Jaargang 35
  • nummer 2
Reikhalzend verlangen
Enkele maanden geleden schreef de bekende emeritus-predikant dr. F.H. von Meyenfeldt in de gereformeerde GRONINGER KERKBODE een indrukwekkend artikel waarin hij zich bezig hield met de woorden van de apostel Paulus in Rom. 8:19 over het met reikhalzend verlangen wachten van de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods. Wij nemen dit ariktel over via de GEREFORMEERDE KERKBODE van de (vrijgemaakt) geréformeerde kerken in de drie noordelijke provincies. Aan zo'n treffend gestileerde bijdrage hebben wij geen woord toe te voegen.
In het adembenemende hoofdstuk van Paulus' brief aan de Romeinen komt een eigenaardige uitspraak voor, die volgens de gebruikelijke vertaling aldus luidt: "met reikhalzend verlangen wacht de schepping op het openbaar worden van de zonen Gods", vers. 19. Het klinkt wel wat erg deftig en plechtig, alsof het gaat om een introïtus, een intocht van bisschoppen, priesters, predikheren, theologen, presbyters en diakenen in vol ornaat, statig voortschrijdend, ruisend van kostbare gewaden in de kleuren van het kerkelijk jaar!
Zit daar de schepping op te wachten!
Maar zulke processies van religieuze schouwspelers komen al duizenden jaren regelmatig voor sinds de ondergang van de Neanderthalers! Geen hond die daarvan wakker ligt, zeker niet in onze niet zo religieuze tijd. Wat moeten we er mee? Wat heeft de wereld aan zulke geestelijke gebarenspelen?
Ze zingen wat, ze zeggen wat, ze gebaren wat, maar de zaak blijft als ze was! De schrijver van het boek 'Prediker' zou zeggen: "Het is allemaal ijdelheid en najagen van wind. De ene stoet gaat en de andere stoet komt, maar de aarde krijgt er niets van.
Dat soort dingen zijn onuitspreketijk vermoeiend. Het kromme wordt niet recht gemaakt en wat we nou eigenlijk hard nodig hebben komt eenvoudig niet aan bod. Ijdelheid der ijdelheden, allemaal ijdelheid!"
En dan dat "reikhalzend verlangen".
Het Griekse woord uit de grondtekst doet me denken aan wat ik bij een bezoek aan de slager tegenkwam.
Voor de deur van de winkel zat daar vaak een hond, die over z'n hele lijf trilde als een espenblad en zacht kreunend de toegang tot de slagerij onafgebroken in de gaten hield. Ik sprak het dier dan wat toe en aaide hem over z'n bol, om hem wat te kalmeren, maar hij lette daar niet eens op. Het interesseerde hem niets totdat z'n baas te voorschijn kwam, dan kende z'n blijdschap geen grenzen en sprong hij schouderhoog tegen z'n geliefde meester op en blafte en likte alsof hij hem uit het graf had teruggekregen!
Die sidderende verwachting wordt in Romeinen 8 aan de schepping toegeschreven met het oog op "het openbaar worden van de zonen Gods"! Hoe komt Paulus er op? Wie verwacht er nog wat van "de zonen Gods"? Moeten die nog "openbaar worden" ook?
We hebben er al meer van gezien dan ons lief is! Wie heeft er nog een goed woord over voor de kerk? Er is geen wandaad die haar niet in de schoenen geschoven wordt!
Trouwens, wachten we wel ergens op?
Het is mij tenminste niet opgevallen in ons welgedane Westen! We zitten hier toch goed en we blijven smullend zitten waar we zitten en verroer ons alstublieft niet! We hebben genoeg aan een dans op de aloude vertrouwde plaats. Geef ons maar een hapje, een slokje en een bijslaap, dan is de rest ons worst! En wie daar niet aan toekomt pakt een spuit, een stikkie of de fles en zakt zo wel weg in doffe verdoving, al zal de doorsneeburger dat toch te riskant vinden en die verdoving zoeken in de geestdodende routine van huis, baan en teevee.
Hoogstens siddert hij als z'n knollentuin overhoop gelopen dreigt te worden door een dolgedraaide barbaar uit de woestijn, die alles om zich heen kort en klein slaat zodat de burger z'n boontjes niet meer kan doppen. Verontwaardigd klimt hij dan in de gordijnen of loopt een kerk binnen om daar hoofdschuddend klaagliederen aan te heffen: "waar moet het heen?" of: "hoe kan God het toelaten?" M'n hele pretpark ligt in de vernieling"! Dan verlaat hij de kerk weer, want z'n knollentuin wordt niet hersteld met psalmen en gebeden. Hij gelooft wel, dat er iets is, maar met God wordt z'n pret niet gered!

Volgens Paulus wacht dus de schepping op het "openbaar worden van de zonen Gods". Bedoelt hij daarmee, dat we voorlopig maar niet moeten rekenen op uitkomst of verbetering, omdat die pas zou komen met de jongste dag, wanneer de namen van de gelukkige prijswinnaars die gered worden, bekend gemaakt zullen worden?
Speelt de schepping mee in een grote loterij en vermaant de apostel ons om de grote trekking maar af te wachten?
Velen maken zoiets van het evangelie.
Er heerst hier veel ellende: armoede, honger, oorlog, rassenhaat, uitbuiting van de natuur, vergiftiging van het milieu. Je kunt geen krant opslaan en geen teevee-journaal aanzetten of de misère puilt er uit. Trouwens ook in onze eigen leefkring wordt je er mee geconfronteerd. Liefde en trouw lijken het niet meer zo goed te doen onder ons. In plaats dat we zorgvuldig met elkaar omgaan en het onderste boven halen, om elkaar vast te houden en onze naasten tot hun recht te laten komen, zijn we voortdurend met onszelf bezig, op jacht naar een goede carrière. En wie ons daarbij even in de weg staat, stoten we af om vervolgens een ander te gebruiken voor het binnenhalen van ons fortuin. Zo groeit de eenzaamheid en de wanhoop bij de velen die zich miskend gevoelen of versmaad. We hebben de mond vol over de vele vergiftigde stortplaatsen van het stoffelijk overschot van onze consumptie.
Intussen hoopt zich het menselijk afval op van onze samenleving: ouderen die we niet meer kunnen gebruiken, zwakkeren die ons in de weg staan, kinderen die een blok aan ons been zijn, en wat dies meer zij.
Bedoelt Paulus deze stakkers zoet te houden met een mogelijk geluks-Iot uit de apocalyptische loterij aan het eind der dagen? Dan moet ik altijd denken aan Vincent van Gogh. Tijdens zijn leven heeft hij geen droog brood verdiend aan zijn geniale kunst. Zou het hem echt getroost hebben te weten dat na zijn dood zijn werk voor millioenen van de hand ging?
Daar had hij toch niets aan!
Wil Paulus dan de lijdende mensheid en de zuchtende schepping wèl verzoenen met hun huidige trieste lot door ze te wijzen op een gouden toekomst aan de overzijde van het graf?
Zo in de geest van: "stil maar, wacht maar, alles sal reg kom als je er straks niet meer bent."

Zo was Paulus niet
Ik denk niet dat Paulus zoiets bedoelde.
Hij was er helemaal de man niet naar om met de armen over elkaar en het hoofd gebogen de dingen maar op hun beloop te laten. Stad en land heeft hij afgereisd, schipbreuken geriskeerd, martelingen ondergaan, meedogenloze gevangenschappen doorstaan, duizenden kilometers door de meest ontoegankelijke gebieden te voet afgelegd, om een nieuwe gemeenschap van een ander soort mensen in het leven te roepen: mensen die niet aan de lusten van hun vlees de leiding gaven, maar die hun kompas op de Geest van God hadden ingesteld. Voor dat doel heeft Paulus alles ingezet.
Hoe kon het ook anders! Want wat had Paulus gezien?
Wel, om te beginnen dat met het bestaande mensensoort geen goed garen te spinnen was. Hij noemde ons huidige leefklimaat dan ook het regiem van het vlees, en dat zegt wel genoeg.
Hoe kom ik lekker, leuk en lollig aan m'n trekken? Hoe kan ik van mijn medemensen een zo goed mogelijk gebruik maken om mezelf zo hoog mogelijk op de top van de maatschappelijke ladder te krijgen?
Dat zijn zo'n beetje de grondvragen van het bestaande mensenras. Met zulke ik-specialisten gaat de schepping te gronde. Ze wordt onbewoonbaar.
In zo'n ego-klimaat had Paulus z'n jeugd en z'n studentenjaren ook doorgebracht. Als aankomend rabbi had hij in het conflict tussen de Joodse leiding en de jonge kerk zijn kans schoon gezien om goede carrière te maken. Voor dat doel was hij zelfs bereid om over de lijken van de volgelingen van Jezus te gaan.
Hij joeg ze na van Jeruzalam naar Damascus!
Toen stak ineens de doorn in zijn vlees: Jezus, het Godskind dat doodgelopen scheen op het galgenveld van Golgotha, maakte een radicaal eind aan Paulus' ego-trip: het doodgewaande Godskind openbaarde Zich aan Paulus als de levende Heer. En deze levende Heer mobiliseerde door Zijn Geest een radicaal ander soort mensen: Gódsmensen, ontworpen naar het beeld van de gekruisigde, met God en het heil van hun naaste als de inzet van hun leven.
Het zou niet eenvoudig wezen om mensen voor dit totaal nieuwe levensontwerp te winnen. Wij zijn nu eenmaal verknocht aan ons "dikke ik" en onze knollentuin tot de dood er ons van zal scheiden. Paulus en de hele kerk zal zelfs met dat "dikke ik" een harde strijd moeten voeren in z'n eigen leven. Vaak zal het er op lijken dat alle moeite tevergeefs was. Maar een stervende schepping volgt sidderend het verloop van dit gevecht en leeft óp bij elk Godskind dat voor de dag komt.
Er is nog steeds geen eind te zien aan het drama. De ik-gekte lijkt de overhand te houden in kerk en wereld.
Het is een taai en hardnekkig mensensoort!
Intussen sterft de schepping.
Waar blijven ze toch, de Godskinderen?
We wachten al zo lang!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief