De vrijheid van een Christen (1)
1991-02-01
In het verleden heb ik wet eens vaker in Opbouw iets geschre:ven over het omgaan met bepaalde voorschriften uit de bijbel 1 In dit en het volgende nummer wil ik.- Jaargang 35
- nummer 3
daar venuit een weer wat andere gezichtshoek graag nog eens op terugkomen.
Een vreemd voorschrift. ..
U hebt gelijk: het Schriftwoord dat hierboven staat is voor onze begrippen op zijn minst wat eigenaardig. Wat moeten we ermee aan?
Als ik me niet vergis zijn er grofweg twee reakties op zo'n woord. De eerste is die van de lichte gêne: want eigenlijk geneer je je er wel een beetje voor dat er zoiets in de bijbel staat. En dus lezen we er gauw overheen, en we hopen ook maar dat de kinderen aan tafel ei" geen vragen over stellenwant we zouden toch werkelijk geen fatsoenlijk antwoord weten te verzinnen.
De tweede reaktie gaat precies de andere kant op: geen gêne, maar juist een zekere fermheid in het omgaan met en het vasthouden aan een Schriftwoord als dit. Staat dit zo in de bijbel? Welnu, dan hoeft daar verder niet over gediskussieerd te worden, dan is het gewoon zo. Niet alleen in dié tijd, maar evengoed ook vandaag; geen gemarchandeer daarover. En dus is het de Here ook nu.een gruwel wanneer een meisje met een broek aan op school komt; om nog maar te zwijgen van het gaan naar de zondagse eredienst.
... met een achtergrond
Waarom heeft de HEREdeze regel gegeven? Wat wil God ermee bereiken?
Nu, dat heeft ongetwijfeld alles te maken met de afgodendienst waar Israël mee in aanraking kwam, en met allerlei dingen die daarbij hoorden. In het land Kanaän werden afgoden gediend; niet één afgod, maar een heleboel verschillende. Maar wélke afgodendienst ook, het draaide altijd om de vruchtbaarheid. Dat was voor de (heidense) bewoners van Kanaän het belangrijkste in het leven. De twee bekendste afgoden uit het Oude Testament waren dan ook àaäl en Astarte: goden van de vruchtbaarheid.
Daartegen heeft de HERE nu zijn volk willen wapenen. Kinderen van God mogen niet meedoen in die dans om de vruchtbaarheid.
Zelfs niet een klein beetje. Want ook het kleinste beetje is al levensgevaarlijk!
En dan noemt de Here een aantal dingen die daarbij horen; nee, ze horen niet tot de kern van de afgodendienst, maar ze hebben er wel terdege mee te maken. En daarom zet de HERE er een verbodsbord bij: "Verboden toegang voor mijn kinderen; niet aan meedoen!"
Geen vermenging!
In dat kader staat Deuteronomium 22:5.
Ongetwijfeld gaat het ook in de verzen 9 tot 11 van dit hoofdstuk om hetzelfde.
Daar vinden we een aantal regels waarvan de zin ons op het eerste gezicht niet duidelijk is; maar omdat daar niet dat vreemde in zit wat ons in vers 5 zo treft, vallen die verzen ons in het algemeen wat minder op.
Een enkel woord nu toch ook over die verzen 9 tot 11.
De Israëlieten mogen geen tweeërlei zaad door elkaar heen zaaien (vers 9).
Blijkbaar werd dat dus soms wel gedaan: twee verschillende soorten zaad. Of dat nu te maken had met geloof of meer met bij-geloof, dat is ons niet recht duidelijk; maar ongetwijfeld werd het zo gedaan met de bedoeling om (langs magische weg) de oogst te vergroten.
De HEREverbiedt ook het ploegen met een rund en een ezel samen (vers 10).
Er is natuurlijk geen boer die zoiets doet omdat het zo handig is. Integendeel: twee zo verschillende beesten voor je ploeg is heel onpraktisch; het werk op het land wordt er een stuk moeilijker door. Maar kennelijk werd dit bij elkaar brengen van twee dingen die niet bij elkaar horen, beschouwd als een werkzame manier om de vruchtbaarheid te stimuleren.
En zo zal er ook achter de bepaling in vers 11 wel iets magisch schuilgaan: blijkbaar droegen mensen soms kledingstukken die nadrukkelijk gemaakt waren van twee verschillende soorten stof, wol en linnen.
Tegen al die dingen zegt de HERE Nee. Het volk van God mag zich niet met zulke dingen bezighouden. God zelf zal wel zorgen voor vruchtbaarheid en leven; daar heeft Israël geen heidense magie voor nodig; het enige dat de HERE vraagt is eenvoudigweg: leven met de HERE, leven in het verbond (Micha 6:8).
Kleding
Hierboven gebruikte ik een paar keer de woorden 'blijkbaar' en 'kennelijk'.
Met betrekking tot de bepalingen in vers 9 tot 11 hebben we die woorden nodig; de achtergrond van de hier gegeven regels berust voor een deel op onze rekonstruktie; we hebben er geen rechtstreekse bewijzen voor dat de dingen die hier verboden worden inderdaad zo gebeurden. Juist uit het feit dat ze verboden worden leiden we af dat ze voorkwamen.
Als we nu weer teruggaan naar de bepaling over de mannen- en de vrouwen-kleren, dan is het eerste dat daarover gezegd moet worden, dat we over de achtergrond van dit voorschrift van de HERE nu juist wél meer weten.
We weten namelijk dat zulke dingen gebeurden; niet alleen in Kanaän, maar in een groot deel van het Oude Oosten: goden werden regelmatig afgebeeld als van het andere geslacht (er zijn afbeeldingen bekend van mannelijke Astartes en van vrouwelijke Baäls), terwijl dan ook de mensen die in de tempels kwamen om deze goden te dienen zich regelmatig verkleedden: mannen trokken vrouwen kleren aan, en vrouwen mannenkleren 2.
Tegen dié achtergrond zegt de HERE tegen zijn volk: Ik wil dat jullie daar heel ver bij vandaan blijven. En zelfs wat in de verste verte maar riekt naar de afgodendienst wordt door de HERE verboden. Het staat er heel scherp: leder die deze dingen doet, is de HERE, uw God, een gruwel. 'Gruwel': dat is een woord dat in de bijbel bijna altijd te maken heeft met de afgoden (zie bijv. Deuteronomium 7:25, 26 en 1 Koningen 11:5-7).
Als iets een 'gruwel' genoemd wordt, dan is daar niet maar een kwestie aan de orde van burgerlijk fatsoen of iets dergelijks, maar dan gaat het werkelijk om leven en dood. En dan vraagt de HERE van zijn volk de uiterste radikaliteit.
Lange broeken
Wellicht ten overvloede: dit woord van de HERE heeft dus niets te maken met meisjes en vrouwen die vandaag een lange broek dragen. Wie een Schriftwoord als dit in stelling brengt om vrouwen te dwingen een rok te dragen, heeft niet geleerd de Schrift voldoende onderscheidenlijk te lezen.
Alles staat hier in het teken van de strijd tegen de afgodendienst. De radikale exklusiviteit in het dienen van de HERE: die is hier in geding.
Vandaag
Wat moeten wij nu met zo'n voorschrift van God? Nu, tweeërlei, naar ik meen.
In de eerste plaats mogen wij aan Deuteronomium 22:5 (en vers 9 tot 11) stellig de waarschuwing ontlenen om geen dingen bij elkaar te gooien die niet bij elkaar horen.
Verderop in de bijbel trekt Paulus een konklusie die in deze lijn ligt: Vormt geen ongelijk span met ongelovigen, zegt hij (2 Korintiërs 6:14), in een stellig opzettelijke toespeling op Deuteronomium 22:10.
En zo mogen we op zoek gaan naar situaties in ons dagelijks leven anno 1991, waarin we Schriftwoorden als deze vruchtbaar kunnen toepassen om de wil van de Here ook voor ónze tijd op het spoor te komen".
Maar nu is er ook nog iets anders wat wij dunkt mij kunnen en moeten leren uit een Schriftgedeelte als dit; iets dat uitgaat boven de konkrete letterlijke tekst van wat hier staat, en dat ons meer zicht kan geven op de manier waarop de HERE zijn Woord laat meegaan met zijn volk. De HERE geeft namelijk zijn volk, zijn gemeente, een opvoeding. Er loopt een lijn door de bijbel; de lijn van de opvoeding van de HERE. En er is verschil tussen het begin van die lijn van de opvoeding en het eind ervan.
Daarover DV graag de volgende keer verder.
Noten:
1 Opbouw, 29e jaargang,blz 324vv.
2 Zie vooralB. Maarsingh,dissertatie,blz 71v.
3 Zoalsbijv. H.deJongdoet,Deuteronomiumdeel2, blz45vv.