Oorlog in de Golf

1991-02-01
  • Jaargang 35
  • nummer 3
En toen was het oorlog.
Enkele dagen voordat ik dit schrijf begon het geraas van de vliegtuigen en het inslaan van bommen en raketten. Een stroom van berichten, nieuws en meningen komt sindsdien over ons heen, allemaal over die brandhaard in het Midden-Oosten: Irak en Koeweit, en vooral ook Israël. Op dit moment is de grote vraag: hoeveel geweld zal er nog komen?
Allemaal moeten we toch wel vreselijk onder de indruk zijn van het immense geweld dat losbarst en waarvan de gevolgen nog niet zijn te overzien. Joodse mensen speciaal kunnen maar moeilijk slapen, vanwege de herinneringen die boven komen. Maar dat geldt ook voor heel wat andere mensen met herinneringen aan de oorlog. Intussen blijft de oorlog een bron van discussie. De radio spreekt over niets anders en de eerste demonstraties zijn net achter de rug.

En wat vindt de Here er nu van? Dat is natuurlijk een vreselijk moeilijke vraag. En toch ontkomen we er als christenen niet aan. Wat vindt de Here ervan?
Ik denk dat we niet hoeven te proberen om de concrete beslissingen van de regeringen te toetsen aan de Bijbel.
Dan overvraag je de Bijbel. Maar de vraag is toch wel: op welke manier kijken we als christenen tegen deze oorlog aan? Op welke toon praten we er over? De uitersten zijn duidelijk genoeg: een enkeling meent dat christenen elke oorlog af moeten keuren.
Dat ze nooit wapens mogen gebruiken en dat het dus altijd slecht is. Het andere uiterste is, dat de oorlog verheerlijkt wordt met termen als 'God wil het'. We voelen wel aan dat deze uitersten extreem zijn. Maar hoe dan wel?
We zoeken een antwoord op deze vraag, uitgaande van de telling, die in Numeri 1 beschreven wordt. Het boek Numeri (= getallen) bevat aan het begin en aan het eind een grote telling van de Israëlieten. De telling in Numeri 1 vond plaats toen Israël nog in de woestijn Sinaï gelegerd was. De Here zei toen: "Neem het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families".
Maar het betreft geen volkstelling.
Het is niet de burgerlijke stand. 't Is een militaire kwestie, de inschrijving in militaire dienst. Er staat namelijk, dat het gaat om alle mànnen, van 20 jaar en ouder, "allen die in het leger uitrukken in Israël" (Numeri 1:3).

Opdracht van God
Het is God zelf, die er hier opdracht toe geeft dat Israël klaar moet zijn voor oorlogshandelingen. De telling was dan ook op een strategisch moment, toen Israël er klaar voor was om het beloofde land, Kanaän, binnen te vallen. De uittocht uit Egypte en de sluiting van het Horeb-verbond waren achter de rug en naar Gods bedoeling zou de volgende stap zijn: de beërving van het beloofde land. En daarmee ook de strijd om Kanaän. Weliswaar heeft dat uiteindelijk door Israëls ongeloof nog 40 jaar geduurd, maar dat neemt niet weg dat dáár deze telling een voorbereiding op was. Veertig jaar later, aan het eind van het boek Numeri, wordt de telling dan ook over gedaan.
Intussen, betekent dit nu dat God de oorlog dus goed vindt? Dat Hij zelf zijn volk erop voorbereidt door zo'n telling en dat Hij deze dingen toejuicht? Overgezet naar onze tijd: is het dan toch lood om oud ijzer - Saddam Hussein en George Bush, die allebei hun God aanroepen. Komt het dan op hetzelfde neer?

Antwoord: Waarachtig niet! Om te beginnen is er in de Bijbel geen spoor van verheerlijking van de oorlog. Je vindt beslist niet, dat er op een heroïsche toon over vechten en doden gesproken wordt. Als dat toch gebeurt, klinkt ook Gods kritiek, vgl. David die geen tempel voor de Here mocht bouwen omdat hij 'een krijgsman' was (1 Kronieken 28:3).
En in de tweede plaats tref je ook niet de voorstelling, dat soldaten die sneuvelen in de strijd, daarmee automatisch in de hemel komen of iets dergelijks.
Zoals u weet brengt Saddam Hussein zijn islamitische krijgers daarmee in extase. Maar daarvoor is in de Bijbel geen enkel aanknopingspunt te vinden. Integendeel zelfs, zuilen we straks zien. God is de God van het leven en oorlog - iedere oorlog!vloekt daarmee. Zelfs een oorlog, waar Hij zelf opdracht toe gegeven heeft!

De zeven volken
Ja, want dat is een feit: bij de intocht in Kanaän heeft God zelf opdracht gegeven om een oorlog te beginnen, een aanvalsoorlog nog·wel. U mag dat overigens niet vergroven tot: Israël mocht van God oorlogen voeren. Zeker niet. Het gericht over Kanaän draagt een totaal uniek karakter en is met geen andere oorlog te vergelijken.
In de tijd van Abraham al had God de zeven volken van Kanaän vanwege hun gruwelijke zonden veroordeeld.
Het ging Hem vooral om de goden van Kanaän, die dit land tot een gruwel op aarde maakten. Kinderoffers werden gebracht, er was een massale godsdienstige prostitutie en elke denkbare vorm van perversiteit. En toch, toch is het gericht destijds niet verder dan Sodom en Gomorra gekomen. Het heeft nog 400 jaar geduurd voordat de maat vol was. Voordat de maat van de ongerechtigheid der Amorieten vol was (Genesis 15:16). God heeft immers geen behagen in de dood van een zondaar, maar daarin dat deze zich bekeert en leeft. Zelfs als het op 't nippertje was, zoals Rachab die zich bekeerde in Jericho. Haar huis bleef overeind staan als een opgericht teken van het feit, dat God de dood van de zondaar niet wil. Maar toen, ja toen kreeg het leger van Israël inderdaad de taak om Gods gericht uit te voeren over Kanaän. God was van oordeel, dat er op dit punt vooruitgegrepen moest worden op de dag van het eindoordeel, dat later komt.

Een zoengeld
Maar dacht u, dat zelfs déze oorlog daardoor iets moois kreeg? Geen sprake van. Dat blijkt duidelijk als we nader op de betekenis van de 'telling' ingaan. Waarom moesten de weerbare mannen zo nodig geteld worden? Niet om te controleren of er wel genoeg manschappen waren. Niet om te kijken of ze straks in Kanaän wel kans zouden maken tegen de vijand. Want God zelf zou daar optreden als de HERE der heirscharen, als Jhwh van de strijdmachten, die met legioenen engelen elke slag kon beslechten en die dat ook zou doen, veel of weinig soldaten.
Nee, het punt was heel iets anders.
Het punt was, dat voor iedere toekomstige militair een zoengeld betaald moest worden. Een bedrag 'ter verzoening voor uw zielen'. In Exodus 30:11-16 lezen we dat elke man, die ingeschreven zou worden op de lijst voor het leger een zoengeld zou moeten betalen van een halve sikkel zilver.
leder die tot de getelden gaat behoren, moet dit symbolische bedrag betalen als heffing 'ter verzoening voor zijn leven'. Dat is in elk geval wel iets heel anders dan verheerlijking van de oorlog.
Het duidt er veeleer op, dat oorlog in zichzelf verkeerd is, en dat er verzoening voor gezocht moest worden.
Een zoengeld - dat kwam ook aan de orde bij een wet voor de situatie, dat een rund door een zware stoot een mens gedood had. Als de eigenaar daarvan hàd kunnen weten, dan was het een soort dood door nalatigheid, en dan moest hij een zoengeld betalen als losprijs voor z'n leven (Exodus 21:28-30). Welnu, in die sfeer ongeveer liet God Israël ook het krijgsbedrijf bekijken. Het is natuurlijk onzin om militairen als moordenaars te beschouwen.
Dat is een heel andere kwestie. Het zou binnenkort zelfs zover komen, dat God tot een bepaalde oorlog opdracht gaf.

Een gedachtenis
Maar toch, maar toch ... God is de God van het léven! Voor Hem is oorlogelke oorlog, zelfs die eenmalige heilige oorlog - zó iets gruwelijks! God de Here gruwt van moord en doodslag.
Toen Hij destijds de zondvloed over de aarde Iiet komen, was dat vooral vanwege déze zonde: "de aarde was vol geweldenarij". Hij heeft geen welgevallen aan de kracht van het paard, noch behagen in de benen van de (krijgs)man (Psalm 147:10). En daarom: er mocht nooit in Israël de gedachte binnensluipen dat oorlog iets moois is. Dat er ook maar één mooie kant aan zou zitten. Geen heldentaal a.u.b. en geen heroïek! Maar wel de nederige erkenning, dat het soms niet anders kan. Soms moet oorlog. Maar zelfs dan wordt oorlog niet iets voor grote woorden, Niet iets verdienstelijks.
Vandaar dat zoengeld met een halve sikkel zilver, dat een blijvende taal zou spreken. Dit zilver moest voor de Israëlieten tot een gedachtenis zijn, zo staat er. Het werd gebruikt voor de tabernakel. De pitaren van de tabernakel kregen een voetstuk van dit zilver; ook de bovenkant van die pilaren werd ermee bekleed en er werden haken en ogen van gemaakt (Exodus 38:25-28).
En zo werd dit zilver inderdaad een blijvende herinnering. In het kleurige verhaal van de tabernakel kreeg de gouden glans van het evangelie gezelschap van dit bijzondere zilver, dat er altijd van bleef spreken: God de Here is de God van het léven. Hij haat alle doodslag; Hij vindt het vreselijk dat er doden vallen in de oorlog. Als de Israëlieten later dat zilver zagen, dan herinnerden ze zich: zelfs in onze heiligste oorlog stak niets moois. Er was een zoengeld van zilver voor nodig. Dit staat wel lijnrecht tegenover verhalen in de Islam als zou sneuvelen in de oorlog een automatische toegang tot de hemel betekenen. Oorlog kan nodig zijn, maar er zit absoluut niets moois of heiligs aan.

Gedenk Amalek
Zo was dat toen, zo is dat nu. Er is natuurlijk wel verschil. Israël heeft die eenmalige strafexpeditie tegen Kanaän moeten voeren. Dat leent zich niet om ooit te herhalen. Maar daarnaast moest Israël ook onderweg door de woestijn zich nog verdedigen tegen gemene aanvallen. Zoals dat gevecht tegen de Amalekieten (Exodus 17). Dat is het gruwel-voorbeeld van een strijd, die expres tegen vrouwen en kinderen is gericht. Omdat de Amelekieten Israël aanvielen in de achterhoede toen men vermoeid en uitgeput was (Deut. 25:18). Helaas heeft dàt zich wel herhaald in de geschiedenis. Amalek: de strijd van de geweldenaar tegen de machtelozen. Amalek: de genocide, de dood van onschuldigen. Daarvan staat al geschreven: "de HERE heeft een oorlog tegen Amalek van geslacht tot geslacht" en ook: "Gedenk Amalek!
De herinnering aan Amalek zult gij onder de hemel uitwissen; vergeet het niet!"
Dus ja, daar liggen aanwijzingen in de Bijbel voor oorlogen die ook nu nog nodig zijn, helaas. Omdat de geest van Amalek nog leeft. Het is terecht, dat Joden bij hun dodenherdenking nog altijd herhalen: "Gedenk, wat Amalek u aangedaan heeft". Die geest van Amalek kwam uit in de volkerenmoord door Adolf Hitier, waartegen gewapende strijd absoluut moest. Soms is oorlog onvermijdelijk. Om voor recht en gerechtigheid op te komen. Om erger te voorkomen. Zo hebben de overheden ook deze situatie beoordeeld.
Een onvermijdelijke oorlog.
Een Saddam Hussein moest een halt toegeroepen worden. Een dictator die al lang gas gebruikte tegen zijn eigen bevolking. Een tiran die een buurland onder de voet liep. Een opvolger van Amalek, die zijn wapens niet op het vijandelijke leger richt, maar steeds opnieuw op de slapende woonwijken van Israël. En daarmee op een buurland dat zich echt totaal buiten het conflict had gehouden. Oorlog, het lijkt of het inderdaad niet anders kon.

Schuld van mensen
En dan nog wordt zo'n oorlog niet iets moois. De term 'rechtvaardige oorlog' moeten we maar heel voorzichtig gebruiken.
Zelfs voor de heiligste oorlog gold nog dat er eerst verzoening voor gezocht werd. Met een halve sikkel zilver. Omdat wij als mensen toch schuldig staan aan de oorlog. Een gemeenschappelijke schuld. "De rijke zal niet meer noch de arme minder dan een sikkel opbrengen". We kunnen dat in onze tijd best concreet aanwijzen in het feit dat wij toch samen Saddarn Hussein zijn wapens verkocht hebben. Mooi wordt de oorlog nooit.

Zullen wij in deze dagen Gods naam aanroepen - ook voor de oorlog. Niet op brallerige toon, maar ootmoedig en beschaamd - omdat het nóg oorlogstijd is. We zullen bidden tégen Amalek en vóór Gods aloude volk Israël, dat nog altijd onder het vuur van de volken ligt. We zullen bidden vóór gerechtigheid en recht, voor vrede in onze dagen.
En zullen we bovenal maar bidden om de komst van het Koninkrijk?
Om het Nieuwe Jeruzalem, dat neerdaalt uit de hemel. In het Nieuwe Jeruzalem zal geen zilver zijn. Daar glanst alleen het goud van het evangelie.
Daar is de oorlog, en de ellendige noodzaak om er een te voeren, voorbij.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief