De vrijheid van een Christen (2)
1991-02-15
"Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd".- Jaargang 35
- nummer 4
(Romeinen 14:5b)
"De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus".
(Galaten 3:24)
De vorige keer ging het over dat voorschrift van de HERE uit Deuteronomium 22: een vrouw mag geen mannenkleren dragen, en een man geen vrouwenkleed. Ik heb toen gezegd dat wij uit dat Schriftwoord iets kunnen leren met betrekking tot een lijn die door de bijbel loopt: de lijn van de opvoeding die de HERE aan zijn volk geeft. Er is, zo eindigde ik de vorige keer, verschil tussen het begin van die lijn en het eind ervan.
Rome
Dat verschil kom je onder andere op het spoor als je Romeinen 14 leest. U weet: in Rome waren er grote spanningen tussen de zogenaamde 'sterken' en 'zwakken'. De 'sterken' stonden sterk genoeg in het geloof om een heleboel dingen aan te kunnen (geen bijzondere sabbatsheiliging meer; alle vlees eten zonder zich erom te bekommeren of het misschien eerst aan de afgoden was gewijd), terwijl de 'zwakken' van zichzelf wisten dat ze veel minder stevig in hun schoenen stonden en daarom misschien aan het wankelen zouden worden gebracht als ze al die dingen deden waar de 'sterken' blijkbaar geen punt van maakten.
Het gaat mij nu in dit verband niet alleen om wat er stáát in Romeinen 14, maar ook om wat er nfét staat. U moet zich namelijk realiseren dat er in Rome dingen speelden waarop je eigenlijk zomaar de regels van Deuteronomium 22 zou kunnen toepassen; en dat geldt dan vooral voor het eten van het offervlees. Misschien deden de 'zwakken' dat ook wel; je zou je dat goed kunnen voorstellen. Ze konden zich tenslotte beroepen op de letterlijke tekst van de bijbel: "Kijk maar: hier staat het: de Here heeft verboden twee dingen door elkaar te gooien die niet bij elkaar horen; en daarom mag je geen offervlees eten, want dan verbind je de Here met de afgoden; en dat mag niet. Dat staat in de Bijbel!"
Zo zou je de regels van Deuteronomium 22 kunnen toepassen op de problemen die ze in Rome hadden. En op het eerste gezicht zou daar ook niet zoveel tegen in te brengen zijn. Want het staat toch inderdaad zo in de bijbel?!
... voor zijn eigen besef...
Het moet opvallen dat we in Romeinen 14 niets van dien aard vinden. Als de 'zwakken' dit (of een soortgelijk) argument al hanteerden, dan vindt Paulus het in elk geval blijkbaar niet de moeite waard om erop in te gaan. Hij gaat, ook in de moeilijke problemen in Rome, géén gedetailleerde voorschriften geven hoe het nu precies moet; wat nog net wél kan en wat nfét meer.
Paulus zegt wel iets anders: Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.
De één kan het wél aan, de ander kan het niét aan; ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd.
Opvoeding
U proeft het verschil met Deuteronomium 22. En daar hebt u dan die lijn waar ik het over had, de opvoedingslijn die door de bijbel loopt. Het is haast alsof Deuteronomium 22 gesproken is tot kinderen, en Romeinen 14 tot volwassenen.
Nu, dat is dan inderdaad wat Paulus aan het slot van Galaten 3 en het begin van hoofdstuk 4 zegt: Zolang Gods kinderen onmondig waren, dus nog niet volwassen, zolang stonden ze onder het gezag van de wet; de wet die als een soort strenge gouvernante precies aangaf wat wél en wat niét mocht. De wet is een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus. Nu echter het geloof gekomen is, zijn wij niet meer onder de tuchtmeester. Zo is het immers ook in de burgerlijke wet geregeld, zegt Paulus: zolang de erfgenaam klein is, staat hij onder toezicht; maar straks, als hij volwassen is, dan is hij vrij.
Verschil
Er is dus verschil tussen het Oude en het Nieuwe Testament. Er is verschil in de manier waarop God de Here omgaat met Zijn kinderen.
De voorschriften uit Deuteronomium 22: zeker: je kunt ze heel zinnig toepassen op allerlei situaties vandaag (zie het vorige artikel). En toch: als zodánig, zó geformuleerd, horen ze toch echt in het Oude Testament. Zoals ze er nu staan, pássen ze in Deuteronomium, maar passen ze eigenlijk niet echt in het Nieuwe Testament.
En omgekeerd: zo'n woord als dat van Paulus uit Romeinen 14: dat past eigenlijk niet goed in het Oude Testament.
Ieder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd: daar was Israël in het Oude Testament nog niet aan toe.
Onbelangrijk?
Betekent dat dan dat het er in het Nieuwe Testament allemaal niet zo-veel meer toe doet? Dat je niet meer zo radikaal hoeft te zijn als in het Oude Testament?
Bepááld niet. Juist in het Nieuwe Testament zegt God: Wees radikaal Christen!
Maar voor wat betreft de invulling daarvan geeft de Here ons in het Nieuwe Testament veel meer vrijheid; en dat betekent ook: veel meer verantwoordelijkheid.
Want de ruimte voor Nieuw-testamentische Christenen is er niét om mee aan de haal te gaan in ongebonden losheid, maar om verantwoordelijk te zijn voor het aangezicht van de Here.
Nog verder??
Er is groei van het Oude naar het Nieuwe Testament; God voedt zijn gemeente op. Door de bijbel heen loopt die lijn van de opvoeding die de Here geeft.
Maar hoe gaat dat nu verder? Eindigt die lijn op de laatste bladzij van de bijbel? Houdt die beweging op? Of mag je die lijn nog verder doortrekken, tot naar de dag van vandaag toe? Die vraag is belangrijk; ook voor ons vandaag.
Dit is namelijk een vraag die erg vaak in allerlei diskussies in onze tijd op de achtergrond een forse rol speelt.
Dikwijls onuitgesproken is het dit punt dat gesprekken kan beheersen en soms behoorlijk kan bemoeilijken; déze vraag: Mag je de lijn die door de bijbel heenloopt ook doortrekken naar vandaag?
Neem bijvoorbeeld de kwestie van 'de vrouw in het ambt'; daar zie je dit punt levensgroot opduiken (maar zeker niet daar alleen! Dat ik dit juist noem is vanwege de herkenbaarheid).
Laat ik het konkreet invullen: als Paulus zegt: "De vrouw moet zwijgen in de gemeente", hoe moet je daar dan tegenaan kijken? Moet je dat zien als het laatste, het definitieve woord van God over de verhouding in de kerk tussen mannen en vrouwen? Of mag je daarvan iets soortgelijks zeggen als van zo'n vooschrift uit Deuteronomium 22? Dat het een regel is die toen en daar, tegen dlé bepaalde achtergrond nuttig en zinvol was, maar die voor ons vandaag die zin niét meer heeft?
En daar sta je dan voor de keus: Die lijn van de opvoeding, van Oude Testament naar Nieuwe Testament: mag je die dóórtrekken; of mag dat nlét?
Geen antwoord
Ik ga die vraag hier niet beantwoorden.
Eigenlijk gaat het me ook niet eens zozeer om het antwoord, als wel om de vraag op zichzelf: dat we met elkaar zien waar die vraag vandaan komt.
Me dunkt dat dat ons zou moeten kunnen helpen in het gesprek over al dergelijke moeilijke onderwerpen; helpen, in die zin, dat het ons ervoor kan bewaren om karikaturen van elkaar te maken. Karikaturen: waarbij we de ander dingen in de schoenen schuiven die hij of zij niet zo heeft gezegd, noch bedoeld. Een karikatuur is het, wanneer je de ander afschildert als een ouderwetse zeurpiet; een karikatuur is het evenzeer, wanneer je doet alsof de ander een aanrander van de Schrift is.
Vanuit de bijbel zelf is er ruimte voor beide overtuigingen: zowel voor de gedachte dat die lijn uit de bijbel doorgetrokken mag worden tot naar vandaag toe, als voor de andere overtuiging, dat die lijn ophoudt binnen de bijbel.
Onderscheidingsvermogen en liefde: daar zal het op aankomen; van beide moge de Here ons een ruim deel schenken.