Pastorale notitie

1991-03-01
  • Jaargang 35
  • nummer 5
J. Kranenburg, Kampen

De kollekte
Een kollekte is een storend element in onze kerkdienst. Misschien is dat ooit anders geweest. Want geldstukken spraken voor mijn gevoel vroeger toch een andere taal. Maar de kollekte mag van mij verdwijnen.
Alles kan op zondag weldadig overkomen: de zegen, de preek, de gebeden, het zingen, tornet stiekeme knipoogje naar elkaar toe. Maar ik heb nog nooit iemand horen zeggen: wat een fijne kollekte was dat vanmorgen.

Opheffen van de kollekte zou alleen spijtig zijn van de handvaardigheid die wij ons als kerkgangers in eeuwen van geven hebben eigengemaakt.
Geven in de kollekte vereist een zekere behendigheid. Je doet het met een losjes gebalde vuist, die uitgestoken wordt met de rug van de hand naar boven gekeerd. De duim wordt in de handpalm gedrukt en het te offeren geldstuk dient zich tussen duim en handpalm te bevinden, deugdelijk beschut tegen inkijk.
Heeft de broeder of zuster naast ons de zak onder onze uitgestrekte hand geschoven dan halen we de duim weg en strekken de vingers. We houden de opengevouwen hand nog even boven het gapende gat van de zak tot wij het geldstuk hebben horen vallen. De zuster naast ons zal zo niet in staat zijn, de hoogte van uw offer vast te stellen, hetgeen haar vermoedelijk spijt.
Papiergeld geeft bij deze techniek soms wat meer moeite, maar stevig in achten of nog kleiner opgevouwen lukt het zelfs daarmee. Bovendien valt te bedenken dat de inkijk bij papiergeld wat minder beschamend is.
Wij geven zeer behoedzaam, op het stiekeme af. De onbevangenheid waarmee de weduwe uit Lucas 21 haar twee koperstukjes in de offerkist deponeerde, zijn wij allang kwijt. Wij moeten ook niet stil staan bij de gedachte dat Hij ons op enige afstand belangstellend staat gade te slaan.
Bij het offerritueel laeten wij zelfs onze linkerhand niet weten wat er in onze rechtervuist is. En dat is meestal maar goed ook.
Kinderen dienen bij het opwassen hierin breder onderwezen te worden.
Zeker de eersteling die nog als broddellap dienst doet (Zie Margreet Maljers-Kroes, Opbouw van 15-2-1991, pag. 64).
Het manueel van het gebalde vuistje kan bij kinderen problemen geven.
Zeker bij een kollekte aan het einde van de dienst, wanneer kinderhandjes kleverig zijn van het snoepgoed. Het kan gebeuren dat een geldstukje pas los laat als de kollektezak intussen twee stoelen verder is. Vooral bij kleine geldstukjes heeft dat nare gevolgen.
Vanaf de preekstoel heb ik meerdere malen zo'n offermuntje kunnen volgen op zijn lange reis tussen de kerkstoelen door. Vanaf de preekstoel is dan het aardige dat je ook de herkomst van het muntje kunt traceren aan de hoogrode kleur van de moeder van het betreffende kind.
Meer ervaren moeders kennen dit gevaar.
Zij geven zelf, geheel naar het bovenomschreven rituaal, een kwartje en stoppen hun jongste een gulden in de hand. Gaat er nu iets fout dan is er nog geen enkele reden om een kleur te krijgen. Je kunt er zelfs, als de gulden een beetje gunstig rolt, bij voorbeeld tot vlak voor de preekstoel, hetgeen beslist tot de mogelijkheden behoort, enige eer mee inleggen.
Hoor ik nu iemand geërgerd mompelen dat ik hier de spot drijf met ons zondagse offer?
Maar wie steekt er nu de spot?
U met uw zondagse gulden of ik met dit geschrijf?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief