Mystiek in de literatuur

1991-03-15
  • Jaargang 35
  • nummer 6
Weet u nog dat we het eens met elkaar gehad hebben over 'Spelonkiemensen en andere vromen'? Dat was in Opbouw van 23 november 1990. Het ging over de roman Neveldijk, geschreven door D. Hogenbirk. Aan het einde van die bespreking heb ik toen geschreven: "Of dit boek zo nodig herdrukt moest worden? Ik heb mijn twijfels. Ik vrees dat in kringen die nog net zo denken als de spelonkiemensen,dit boek weinig effect zal hebben. Onder de lezers van Opbouw zijn zulke mensen niet te verwachten, lijkt me. Toch, als historisch document kan het onze interesse wekken. Het heeft bij mij in elk geval het voornemen opgeroepen eens iets te schrijven over mystiek in het algemeen en over de Tale Kanaäns in het bijzonder. U hebt dus nog wat tegoed."

Nou, dat heb ik geweten, hoor! Ik dacht er wel wat mee bekend te zijn, maar hoe gaat dat: je leest nog eens wat na, je haalt nog een ander boek uit de kast en na een poos kun je niet meer ophouden.
Je snuffelt in de Openbare Bibliotheek, je krijgt wat te leen van een vriendelijke zwager, en in de kortste keren liggen er een paar grote stapels boeken naast je bureau op de grond. En eigenlijk is het nog lang niet genoeg. Eigenlijk moest ik ook nog dát boek hebben en van die schrijver moest ik toch ook eens wat lezen.
Kortom: waar je tijdens je werk als leraar nooit goed aan toe gekomen bent, dat doe je nu: zonder verplichtingen uitgebreid van alles over een onderwerp lezen. Reuze boeiend.

Maar ... hoe meer ik aansleep, hoe meer ik het gevoel krijg dat ik nog jaren kan doorgaan. Mét de mystieken kan ik zeggen: In deze zee verzinken mijn gedachten. En daarom ga ik nou toch maar eens beginnen aan wat ik u beloofd heb. Zoals u misschien wel verwacht, wil ik het onderwerp vooral benaderen vanuit de letterkunde.
Daarom begin ik met een gedicht van M. Nijhoff. Misschien vindt u het een vreemd gedicht en begrijpt u het niet?
Lees dan wel even door, want in de toelichting kan het duidelijk worden.
Het is zo sneu als u nu al ophoudt.

DE KLOOSTERLING
Als ik de groene luiken openzet,
Zie ik de bloemen om het raam heen trillen
Druipend van tintelenden dauw, en kil en
Overzoet waait een geur door mijn gebed.

o wonden, 0 bloei Gods! Mij is in 't bloed
Eén uwer ranken dringend en uitlopend,
Die, als uw lente eenmaal mijn zijden opent,
In duizend bloemen mij uitbreken doet-

Een vreemdeling stond in den tuin en groette.
Hij nam mijn hand en voerde me als een knaap
Over het grasveld naar 't begroeide priëel,

Hij sprak: "Wij zijn één overbloeid geheel,
Ik zie mijn hyacinten om uw slaap
En rozen in uw handen en uw voeten."

Wat de kloosterling ervaart, is, kort gezegd, een gevoel van eenwording met Christus. In de oude literatuur, vooral die uit de Middeleeuwen, lezen we veel over dergelijke ervaringen.
Sommige gelovigen verdiepten zich zó sterk in het lijden van Jezus, ze leefden zich dat zóin, dat zich bij hen dezelfde wonden vertoonden als Jezus gehad moet hebben. We kennen daar zelfs een speciale term voor, het zijn de 'stigmata', wondtekens. Moderne westerlingen klinkt dit vreemd in de oren. We hebben wel eens iets gehoord van onbegrijpelijke dingen in verre landen, Indië, Tibet, maar moeten wij nou echt geloven dat zoiets hier, inons land, gebeurd is? Ik meen te moeten zeggen: ja.
Er zijn té veel beschrijvingen en getuigenissen overdit verschijnsel om ze als ongeloofwaardige fantasieën af te doen. Ik kom daar nog op terug.

Voor die wonden van de Here Jezus bestond grote eerbied: men sprak van 'de heilige vijf wonden'. Maar zoals het meer met heillqe zaken gaat, er werd ook anders mee omgesprongen.
We kunnen bij vóorbeeld in eden en vervloekingen die wonden terugvinden.
Ook de kunst hield zich ermee bezig. Schilders/ieten de mensen huiveren bij de aanblik van het gruwelijke lijden van ,de Heer. U zult wel weten wat onder zo'n schilderij stond: "Dit deed Ik voor u, wat doet u voor Mij?" In de literátuur kennen we het verband tussen de woorden bloeden en bloeien. Niet zo vreemd, ik heb een Rotterdammer" éens horen zeggen: .
"Mijn vinger bloeit." (Denk trouwens aan: goede-goeie, rode-rooie, zelfs in dialect: moeier = moeder). De Amsterdamse Rederijkerskamer De Eglantier had als devies: In Liefde bloeijende. En het embleem van de kamer vertoonde een bloeiende wilde rozestruik in de vorm van ~en kruis, met daaraan Christus. In de literatuur komt het ook voor dat de wonden zelfs als bloemen worden aangeduid. Dat klinkt niet zo vreemd meer, als we het verband bloeden-bloeien hebben gezien.
Hebt u het plaatje bekeken? (Ik hoop dat de afdruk een beetje gelukt is).
U zult nu vermoedelijk veel van Nijhoffs gedicht begrijpen; de hyacinten en rozen kunt u nu plaatsen. Verder ga ik niet op het gedicht in, het vormde een inleiding tot de wereld van de mystiek. Het is wel mijn bedoeling me te beperken tot de christelijke mystiek, anders komt er helemaal geen einde aan. Ik wil vandaag afsluiten met een stukje uit de levensbeschrijving van St.-Franciscus. Daarvoor zou ik iets kunnen overnemen uit het werk van Jacob van Maerlant (pl.m. 1270).maar ik denk dat u het liever leest in de taal van Felix Timmermans. Hier volgt een gedeelte uit: De Harp van Sint-
Franciscus: - 0 mijn God! Jezus Christus! Ik vraag op deze dag van 't Heilig Kruis twee dingen vóór ik sterven zal: dat ik gedurende mijn kort leven in mijn ziel en in mijn lichaam uw smart en uw lijden mag gewaar worden!
Hij zat geknield buiten zijn hut, zijn gebed beefde in de stilte van de nacht.
't Was tegen de morgen aan, pitsend koud en helder van sterren. En toen gebeurde het, de grote verwachting van zijn leven, toen de eerste streep van de morgen in de donkerte rilde.
Wat een licht ineens! Het was of de Hemel ontplofte, en al zijn glorie in miljoenen watervallen van kleur en sterren uitschudde. En in 't midden van die wentelende klaarte was er een kern van verblindend licht, die vanuit de hemeldiepte verveerlijk snel kwam aangerukt en plots voor hem op een rotspunt pal bleef staan. Het was een gevleugelde gedaante van vuur, op een kruis van vuur genageld. Twee fonkelende vleugels stonden recht omhoog, twee wijd open en twee dekten het lichaam; en van brandend bloed, stralend bloed, waren de wonden inhanden en voeten, en in het hart. Het schitterend gezicht van dit wezen was bovennatuurlijk van schoonheid en verdriet. Het was het gezicht van Jezus en Jezus sprak, en ineens bliksemden er stralen van vuur en bloed uit de wonden, sloegen nagels in de handen en voeten van Franciscus, en een lanssteek door zijn hart.
Een geweldige kreet van geluk en smart doorsneed de lucht en het vurige beeld prentte zich lijk in een spiegel met al zijn liefde, schoonheid en verdriet in 't lichaam van Franciscus.
Het .verdween in hem. Een nieuwe kreet doorspleet de lucht, en doornageld en doorwond van tichaam. doorvlamd van ziel en geest, zakte hij bewusteloos ineen in zijn bloed.

Vandaag zullen we het hier maar bij laten. De volgende keer gaan we verder met onze reis door de christelijke mystiek tot nu.
Ja, ook nu. Want zelfs bij moderne schrijvers als Maarten 't Hart en Jan Siebelink komen we in aanraking met vreemde uitwassen van het christendom.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief