Mystiek in de literatuur (2)
1991-03-29
Wij zijn één overbloeid geheel- Jaargang 35
- nummer 7
Mystiek is het streven naar een zo innig mogelijk contact met het goddelijke.
Het ideaal is: éénwording, versmelting.
De kloosterling in het gedicht van Nijhoff had zo'n ervaring van éénwording. De vreemdeling (Jezus!) zegt tot hem: ,,wij zijn één overbloeid geheel, Ik zie mijn hyacinten om uw slaap En rozen in uw handen en uw voeten."
Ook bij Sint-Franciscus hebben we zoiets gezien: ook hij krijgt de stygmata, de tekens van de wonden zoals Jezus gehad moet hebben. In de Middeleeuwse literatuur komen we dit herhaaldelijk tegen; mensen die zich zó verdiept hebben in het lichamelijke lijden van de Here Jezus, die zich dat zó hebben ingeleefd, dat zij zelf de wonden in hun lichaam krijgen.
(Zelfs in de Zwolse Courant van 9 december stond een artikel over een zekere Dora Visser die de stigmata gekregen zou hebben op 1 december 1843. Ze ligt begraven in Olburgen; enkele mensen proberen te bereiken dat de paus haar zalig zal verklaren.)
Wonderlijke verhalen
Het verhaal over Franciscus doet nogal ongeloofwaardig aan. Er zijn nog veel fantastischer verhalen. Bij voorbeeld dat over Christina de Wonderbare.
Ze heeft zo streng gevast en boete gedaan dat ze eraan bezwijkt.
Maar bij haar begrafenis vliegt het lichaam uit de kist op de hanebalken van de kerk. Later vertelt ze dat ze in het vagevuur en de hel is geweest, daarna in de hemel. God heeft haar laten kiezen: ze mocht in de hemel blijven, maar ze mocht ook weer levend worden; door zelf veel te lijden zou zij gefolterde zielen uit het vagevuur kunnen verlossen. Ze kiest het laatste. En dan volgen allerlei bizarre gebeurtenissen. Ze leeft op toppen van bomen, op spitsen van kerktorens en op bonestaken. Ze kruipt in hete ovens, grote vuren en ketels met kokend water; niets deert haar. In de winter zit zij dagen lang onder het ijs van de Maas, ze verhangt zich aan de galg te midden van dieven en blijft daar dagen lang hangen. Ze drinkt bij voorkeur afwaswater.
Van andere 'heiligen' wordt verteld dat zij as over hun eten strooiden: het mocht vooral niet lekker smaken. En wat denkt u van het volgende? Sint-
Ludgard werd eens bezocht door Jezus in de gedaante van een lam dat zijn voorvoeten op haar schouders legde en haar op de mond kuste en tegelijk een heerlijke, nooit gehoorde melodie zong. Over Katharina van Siena wordt verteld dat Jezus haar eens een verlovingsring gaf, dat Hij op een andere keer Zijn hart met het hare ruilde en dat Hij haar liet kiezen tussen een kroon van goud en een doornenkroon.
Zoals van een heilige te verwachten is, koos zij voor de laatste.
Ook zij kreeg de stigmata.
Zouden de mensen in de Middeleeuwen dat nou écht allemaal geloofd hebben? Het verhevene en het belachelijke lagen gevaarlijk dicht bij elkaar.
Toch heeft het allemaal met mystiek te maken.
Hadewijch
Een heel andere figuur is Hadewijch.
Ze moet in het midden van de dertiende eeuw hebben geleefd. We hebben gedichten van haar, brieven en vooral: visioenen. In al haar werk staat centraal: de minne, dat is de liefde tót God, maar ook de liefde ván God. We vinden ook bij Hadewijch dat streven naar éénwording met Jezus.
Uit één van haar visioenen, het zevende, neem ik een gedeelte in vertaling over: - Toen gaf Hij me Zichzelf in de vorm van het sacrament, onder de gebruikelijke gedaante van de hostie. Daarna gaf Hij me te drinken uit de kelk, in de gedaante en met de smaak die daarbij gebruikelijk zijn. Daarna kwam Hij zelf tot mij: Hij nam me helemaal in zijn armen en drukte me tegen Zich aan.
Met al mijn leden voelde ik de volle zaligheid van zijn lichaam, volgens de menselijke begeerte van mijn hart. Bij volle bewustzijn werd ik daar naar hartelust bevredigd. Ook had ik een korte tijd de kracht om deze ervaring te doorstaan. Maar al heel spoedig verloor ik het beeld van deze heerlijke man; ik zag hoe Hij helemaal verdween en vervluchtigde en dermate versmolt dat ik Hem buiten mij niet meer bespeuren of ontwaren kon en Hem binnen in mij niet onderscheiden kon. Het kwam mij toen voor alsof wij één waren zonder onderscheid.
Uurtjes van korte duurtjs
Zulke tijden van verrukking duren echter maar kort. Ze worden vaak gevolgd door periodes van neerslachtigheid.
In de 'Tale Kanaäns' spreekt men nu nog over: "uurtjes van korte duurt jes" die gevolgd worden door tijden waarin men zich van God verlaten voelt. Ik ben die uitdrukking zelfs nog tegengekomen in preken van enkele jaren oud. Hadewijch klaagt in haar gedichten ook over donkere tijden, ze voelt zich soms verlaten en berooid: Bi wilen licht, bi wilen swaer, Bij wilen doncker, bi wilen claer In vriën troost, in bedwong ene vaer, In nemen ende in geven Moeten die sinne, Die dolen in minne Altoos hier leven.
(In vriën troost = in ongestoorde zaligheid in bedwongene vaer = in benauwende angst) .
Dát is het lot van de mystiek: verrukking en zaligheid worden afgewisseld door gevoelens van eenzaamheid en verdrukking. En, of je nou de 'oude schrijvers' leest die in piëtistische kring nog steeds geliefd zijn, of dat je lectuur uit die kring van de laatste vijftig jaar doorneemt, telkens kom je dat weer tegen: zekerheid afgewisseld door wanhoop. De 'Tale Kanaäns' zegt nóg: "Van de wolken in de kolken".
Zuster Bertken
We moeten niet al te lang bij de Middeleeuwen blijven stil staan. Daarom neem ik als laatste: Zuster Bertken.
Toen zij dertig jaar oud was, liet zij zich opsluiten in een kluis die tegen de Buurkerk in Utrecht was gebouwd.
Zevenenvijftig jaar heeft zij daar geleefd; nooit heeft ze haar kluis verlaten.
Zij stierf in 1514 en ze is op haar eigen verzoek in haar kluis begraven.
Er werd een bijzonder plechtige rouwdienst gehouden, de klokken werden geluid alsof er een heel hoge geestelijke was gestorven en het volk kwam in drommen opzetten. Zes speciale wachters waren er nodig om de menigte in bedwang te houden. Zevenenvijftig jaar in die kluis! Wat een ontberingen moet ze hebben geleden. Altijd' was ze op blote voeten, ze droeg in zomer en winter een grof haren kleed op haar blote lichaam plus een eenvoudige grijze rok. Nooit was er vuur waarbij ze zich kon warmen. Eten en drinken kreeg ze, maar ook daarin was ze heel sober: vlees en zuivel heeft ze nooit willen hebben. In zo'n kluis waren gewoonlijk twee vensters.
Het ene moest uitzicht geven op de kerk, zodat de ingekluisde de mis kon volgen, de communie kon gebruiken en kon biechten. Via het andere venster kwam frisse lucht en kon het voedsel worden aangereikt. Bovendien was er zo contact mogelijk met mensen die om raad en bijstand kwamen vragen. In Utrecht moet nog één kluis te zien zijn, bij de Jacobikerk.
Van andere kluizen is vrijwel niets over, ook niet van die waarin zuster Bertken geleefd heeft.
Zuster Bertken was een hoogstaande, intelligente vrouw, een waardig opvolgster van Hadewijch tegen het einde van de Middeleeuwen. Net als Hadewijch leefde ze niet alleen in haar eigen geestelijke wereld, maar betekende ze ook iets voor ánderen. We weten alleen van Zuster Bertken iets meer af. Ze gaf raad aan mensen die aan het venster van haar kluis kwamen.
Ze droeg haar lijdende medemensen in gebed op aan de Here. Zij heeft ook gemediteerd over het lijden van de Here Jezus. Maar ze brengt de aandacht over naar de zlelepijn die de Here geleden heeft en naar wat Hij nu nog voor ons doet: Zijn lichamelijke dorst is al lang voorbij, maar Zijn dorst om ons zalig te maken, is nog steeds aanwezig. Zij spreekt ook van goede werken die we moeten doen, maar dan niet om zo bij de Here veel te verdienen, maar om Hem na te volgen en Hem te eren.
Zuster Bertken is bezield van liefde tot de Here en zij smacht ernaar ook de liefde van de Here Zelf te ervaren.
Maar zij spreekt hierover met ingetogenheid.
Wel vinden we bij haar, als bij alle mystici het motief van de liefde tussen bruid en bruidegom. Aan het slot van' één van haar boekjes zegt Jezus tot de ziel: (Ik vertaal) - Mijn bruid, omdat gij uw zwakheid bekent en hulp en troost van Mij vraagt en alleen op Mij vertrouwt, zal Ik u met Mijn hand ondersteunen en wat zwak is, overeind houden, en u zo laten rusten. En Mijn rechterhand zal u omvatten en u beschermen voor alle kwaad dat u kan schaden. Wees welgemoed en blijf in vrede.
Van een gedicht neem ik de laatste strofe over. Jezus spreekt:
Mijn bruid, Mijn uitverkoren, wil nu in vreden zijn: .
Ik heb uw hart uit minne verenigd met het Mijn: Ik en wil u niet begeven, noch laten in enige nood; .
Om uw minne ben Ik gestorven aan het kruis de bittere dood.
Dat klinkt toch helemaal niet echt 'Rooms', vindt u wel?
Heel wat predikers uit de kring van gereformeerde mystiek in latere tijd hadden er een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar daar komen we nog wel op.