Psalm honderd - een lofzang
1991-04-12
Vijf dagen voor Pasen kreeg ik de paasliturgie al binnen. Een dankwoord waard!- Jaargang 35
- nummer 8
Want wat is fijner voor een organist dan ruim op tijd te kunnen nadenken over het best leverbare orgelspel in de paasviering? Zonder de spanning van de laatste uren, de laatste mislukkingen, de laatste hindernissen?
Maar daar zat een addertje onder het gras, zegt de uitdrukking. (Een adder zit nooit in het gras, laat staan eronder - maar dat is een ander verhaal). De ellende die ik bedoel is deze: dat de dominese met honingzoete stem dicteerde: psalm 100 in zijn geheel op de wijs van Daar-juicht-een-toon!
Ai, zei ik, moet dat nu?
Ja, was haar antwoord, mijn man wil met Pasen die psalm vrolijk laten zingen en Daar-juicht-een-toon is vrolijk en past bij Pasen, vindt hij.
Ik heb gezucht, het dictaat teruggelezen en de telefoon neergelegd.
Psalm 100 - nooit getoonzet!
Waarom is het nodig psalm 100 op een vrolijker melodie te zingen dan in ons kerkboek staat genoteerd? Is die melodie niet goed genoeg? Naar wiens smaak? Enne ... is het een kwestie van smaak, waarover niet te twisten valt?
Of zit daar soms een reden achter?
Ja, daar zit een reden achter, een grondige. Psalm 100 heeft namelijk nooit een eigen melodie gekregen.
Psalm 100 wordt derhalve steeds op een geleende (én weinig gelukkig gekozen) melodie gezongen. Dat vraagt inderdaad om moeilijkheden.
Het zit zo. Tussen 1542 en 1562- de jaren waarin het Geneefse Psalter zich onder leiding van Calvijn ontwikkelde - zijn wel alle psalmen berijmd, maar slechts 124 melodieën gecomponeerd.
De bekende Maistre Pierre (waarschijnlijk Pierre Vallete, die voor de groeibundel van 1557 een instructief voorwoord schreef) heeft gedaan wat hij kon. Met vreugde, liefde en muzikaliteit.
Hoe weten we dat?
Bij alle onregelmatigheden in de teksten van Marot en Béza heeft hij zijn melodieën gewetensvol aangepast. En dat is na te gaan. Telkens wanneer een psalmwijs iets opvallends heeft (een syncope of accentverschuiving, een dubbele syncope, doorlopende regels of een lange noot die tegen onze ritmische haren instrijkt) geeft de oorspronkelijke Franse tekst de verklarende oplossing. Die tekst was voor de componist allesbeheersend; daar ging hij van uit. Hij verschafte het woord de passende bedding, waarin aller geloofszang samenvloeide.
Deze werkwijze is in de Nederlandse berijming van Marnix gerespecteerdmaar niet door Datheen, die hem 14 jaar voor was. Met Datheen is vier eeuwen lang de samenhang tussen woord en toon in onze psalmzang vergeten; en in de Interkerkelijke berijming, opgenomen in ons Liedboek, niet altijd gehonoreerd.
De noodoplosSing
Maistre Pierre was dus niet klaar, toen Calvijn in 1562 de psalmbundel ging invoeren. Voelde Calvijn zijn einde naderen? Wilde "hij daarom het werk forceren? Vermoedelijk wel, want in 1564 overleed htj en hij heeft nauwelijks de hele schilt der psalmen horen zingen.
Kennelijk heeft de componist de opdracht gekregen: de laatste 26 psalmen maar op reeds bestaande psalmwijzen te noteren. Alle duplicaten zijn namelijk gedate~rd op 1562. Zo komt het dat we de wijs van psalm 5 ook gebruiken voor psalm 64; dat we psalm 53 op de melodie van 14 zingen; dat we de wijs vàn psalm 24 voor nog drie andere psalmen gebruiken: 62, 95 en 111.
Deze noodoplossing, pas in 1562 gevonden, geldt ook voor psalm 100 die 'toevallig' evenveel lettergrepen telt als psalm 131 (en 142). Maar zijn de teksten van 14 en 53 vrijwel identiekde teksten van psalm 131 (de nederige stem van het gespeende kind) en 142 (het klagend hulpgeroep) staan ver af van psalm 100, een lofzang, een 'vrolijk lofgedicht'. D.~noodoplossing van 1562 was geen oplossing; de nood bleef. ' .
Calvijns gesc:henk
Het psalter-1562 'is stellig een kostbaar geschenk. Calvijn schreef: Gode geen betere zang te kJrmen wijden dan zijn eigen Woord. Hij .achtte de psalmzang het 'gezongen gebed'. Hij wenste dat de gemeente deze zang 'poids et majesté' zou verlenen: gewicht en waardigheid.
Zijn naaste medewerker, Béza, gaf in 1595 een bundeltje Schriftberijmingen uit onder de titel: 'De heilige gezangen'. Chr. Huygens, die in 1641 het pleit voerde voor het kerkorgel, voor orgelbegeleiding en voor koraalvoorspel, schreef dat dit voorspel "niet alleen de stemmen maar ook de harten zou voorbereiden voor d'aenstaende heilige woorden". En de .
124 melodieën zijn van een zodanige hoge kwaliteit, dat ze volgens sommige geleerden de enige toonkunst vormen, die het calvinisme heeft voortgebracht.
Maar wat dit kostbare geschenk zo menselijk maakt is het aanklevend gebrek: de 26 ontbrekende melodieën.
En geen componist, die in 430 jaar kans zag dit gebrek teverhelpen, zonder het hoge niveau en de homogeniteit van ons psalter aan te tasten.
Dominee had gelijk
Psalm 100 is een uitbundige lofzang.
Daarbij past majeur, grote terts, de juichtoonaard. En de phrygische melodie van psalm 131 is dubbel-mineur, klagend.
Dat de predikant naar een vrolijker wijs omkeek is dus terecht; alleen was zijn keus niet best.
Had hij misschien het geheime spiekbriefje geraadpleegd, dat vroeger (naar men zegt) onder predikanten circuleerde: een briefje met noodoplossingen voor moeilijke en/of onzingbare psalmwijzen, waarbij de resterende nood vaak groter was dan de oplossing?
Nee, dat had hij niet. Hij moet de 'Zangbundel' van Joh. de Heer hebben geraadpleegd.
Deze goede broeder gaf namelijk onder nr. 25 het zondagsschoollied 'Daar juicht een toon' en vermeldde onder nr. 26 de tekst van psalm 100, "op dezelfde wijs te zingen".
Joh. de Heer
Wat nu ook allemaal ten gunste van wijlen Joh. de Heer valt te zeggen, toch moet opgemerkt worden, dat deze het met de kwaliteit van zijn geleende resp. ontleende liederen even gemakkelijk nam als met de auteursrechten van zijn bronnen. In zijn eerste drukken liep hij wegens onvoldoende kennis van de harmonieleer tegen de lamp - in zijn latere bleek hij evenmin van de auteurswet op de hoogte te zijn.
Gewoonlijk wordt aangevoerd: dat hij een ongeletterd straatpubliek benaderde, dat hij de normen van Moody en Sankey toepaste en dat hij daarmee velen ten zegen was. Alles toegegeven.
Maar kerkzang is iets anders dan straatzang. De Engelse evangelisten gingen soms zelfs bewust uit van straatliedjes, om een stukje evangelie te smokkelen; maar de kerk wordt verondersteld de melkkost te ontgroeien en naar vaste spijs te verlangen.
En dan: is het lied voor óns goed genoeg - de vraag blijft, of het voor God de Heere goed genoeg is.
Een lofzang
Een psalm is een lied-bij-harpspel. De harp zit vertaald in het Nederlandse psalterium, een snaarinstrument. Vondel noemde zijn berijmingen 'Harpzangen' en dat is de beste vertaling van Psalm. In het Hebreeuws noemt men een psalm een mizmoor, wat op harpzang neerkomt.
Maar psalm 100 is geen gewone psalm. Er staat boven 'een lofzang'.
Dat woord is in het Hebreeuws 'sj ier' en betekent: hymne, verheven lofgedicht, plechtige lofzang. Sommige psalmen (108 bv.) hebben beide woorden, hetgeen op onderscheid duidt.
Dan moeten we mijns inziens voorzichtig zijn bij het kiezen van een alternatieve melodie. Wat plechtig, verheven, hymnaal is moet niet zonder feestkleed in Gods tegenwoordigheid verschijnen.
Hier een punt?
Hier zou een punt kunnen staan. Maar het euvel voornoemd houdt niet bij psalm 100 op. In dezelfde bundel geeft de samensteller psalm 146 op een vermoedelijk Engelse melodie, die (ook onder ons) nog altijd aanhang vindt. Nog een dezer dagen gaf 'Organist en Eredienst' het geval van een predikant, die psalm 146 opgaf "op de Engelse wijs". De organist had verklaard, dat hij "niet in staat was" deze te spelen - maar de predikant zong de eerste regel voor en de kudde volgde de herder. Het is de bekende deun, die weliswaar in de vierkwartsmaat genoteerd staat, maar zelfs op christelijke scholen bij voorkeur in de driekwarts maat wordt gewiegd - een aantal rusten ten spijt. Dit moest onder ons zo niet geschieden.
Een betere wijs voor psalm 100
Er bestaat een betere wijs voor psalm 100, en wel een die aan ons eigen psalter is ontleend. In Groot-Brittannië en de meeste Engels-zingende landen wordt de melodie van psalm 134 geleend, om aan ps. 100 de vreugde van een 'sjier' mee te geven. Daarmee blijven we op het hoge niveau van ons psalter, en blijven zelfs in de stijl van de noodoplossingen van 1562. Kortom we maken van de nood een deugd!
Dit hebben we dus in goed overleg maar gedaan.