Voor de kinderen
1991-04-12
Jeanette Westerkamp-Stepeman - Jaargang 35
- nummer 8
Post uit Rwanda
Een dief
Tussen de middag eten wij meestal buiten. Dat kan'bijna het hele jaar door, hier in Rwanda. Buiten, op de veranda staat een tafel, naast een oude regenton met plantjes erop.
Eerst stonden er altijd vijf krukjes onder die tafel, voor ons allemaal één, maar nu niet meer en ik zal jullie vertellen waarom niet.
Op een morgen' werden we wakker, trokken de gordijnen open en ...hé... er waren twee knikjes weg, er stonden er nog maar drie. Gestolen! Er was iemand om ons rfuls komen sluipen om die krukjes weg te halen, wat een idee!! De volgende avond zetten we de overgebleven Krukjes maar in de kamer.
Maar na een week vergaten we het een keer, en die nacht verdwenen er weer twee krukjes. Je begrijpt dat we het ene krukje nu nooit meer vergeten.
"Maar de tafel dan?" Ja dat vroegen wij ons ook af. Wat vervelend om zo'n hele tafel steeds binnen te zetten. We besloten maar af te wachten.
Op een nacht (Iet op nu wordt het spannend) werd ik opeens wakker. Ik hoorde iets. "O"help, de tafel" dacht ik meteen en sprong het bed uit. Sluip sluip op mijn blote voeten naar de kamer, daar gluurde ik door het spleetje tussen de gordijnen. De maan scheen, ik kon goed naar buiten kijken.
Daar stond de tafel nog, maar er stonden allemaalplàntjes op. Hoe kan dat nou, kwam er iemand plantjes brengen?
Ach nee! Het waren de plantjes van de ton, iemand was de oude regenton, vol met gaten, aan het stelen.
"Dick, riep ik Dick!! Kom gauw, een dief!!" Ik zag iemand om het hoekje van het huis verdwijnen en ik rende naar de deur aan de voorkant. Ik zou hem krijgen, die ellendige dief! Ik deed de deur open van het halletje waar de hond slaapt, dië kwam meteen blij tevoorschijn. Wat zou ik die dief laten schrikken! Ik deed de deur open en deed een stap naar buiten. En daar ... was de dief. We stonden elkaar heel even aan te kijken. En ik schrok verschrikkelijk.
Waar denken jullie eigenlijk aan als je hoort over een dief, hoe ziet die eruit? Iemand met een gemeen gezicht, ja, groot, met een wapen misschien?
Ik denk dat ik ook aan zoiets dacht. Maar daar, in het licht van de maan stond ... een jongen. Een jongen· op blote voeten, met een kapot hemd aan en een rafelige broek, die me met grote angstige ogen aankeek. Het duurde maar heel even, toen was hij weg, door een gat in de heg gedoken.
De hond rende naar buiten, maar niet achter de jongen aan, precies de andere kant op, maar ik was er opeens een beetje blij om. Daar stond Dick ook, die had gauw een broek en schoenen aangetrokken. "Waar, waar?!" riep hij en stormde naar buiten.
"Daar, wees ik aarzelend, maar het is een jongen". Dick holde het hek uit. Hij zag niemand. Toen kwam hij maar weer binnen en ik vertelde wat ik gezien had. Samen zetten we de plantjes weer op de ton en gingen naar bed.
Die nacht droomde ik van een oud huisje met arme mensen en een tafel met vier krukjes, en over een arme moeder die tegen haar jongen zegt: "Als we jou niet hadden, dan moesten we staan."