Vreemdelingen en bijwoners (Lev. 25:23)

1991-04-12
  • Jaargang 35
  • nummer 8
Droom
Hoewel ik geen Martin Luther King ben, had ik toch een droom. Ik droomde dat ik sliep. C Nu is dat natuurlijk niet wereldschokkend, want slapen doe ik elke nacht en dat zonder hulpmiddelen. Maar het vreemde was dat ik mezelf kon zien. Ik zag iemand die lag te slapen. En toen ik wat dichterbij kwam, herkende ik mezelf. Merkwaardig genoeg ervoer ik dat helemaal niet als vreemd. Ik vond het normaal en vanzelfsprekend.
Aanvankelijk keek ik met een zekere vertedering naar mezelf, zoals een vader kan kijken naar zijn slapende kind.
Moet je zien, dacht ik glimlachend, wat lig ik daar onbekommerd en ontspannen en zo onschuldig. Wat lief!
Dat trof me wel als vreemd. Want onschuldig en lief had ik mezelf nog nooit gevonden. En er was nog iets waar ik.
van opkeek: ik lag niet in een bed, maar ergens in de open lucht, op de grond, in het gras. En het was midden op de dag. De zon stond hoog aan de hemel.
Ja, dat was vreemd. Want ik heb nooit begrepen dat mensen het aantrekkelijk kunnen vinden in het gras te gaan liggen, laat staan erin te gaan slapen.
Bovendien ben ik nooit een zonaanbidder geweest. Sommige mensen noemen de zon hun broeder, maar zelf vind ik hem een koperen ploert die ik, als het even kan, uit de weg ga. En daar lag ik nota bene in de zon te bakken.
Vreemd.
Nu was dat nog tot daar aan toe. Maar er begon ook iets van irritatie bij me op te komen.
Dat ligt daar zomaar midden op de dag je kostbare tiidte verlummelen, dacht ik verontwaardigd. Dat is niet in de haak, jochie ..
Mijn aandacht werd getrokken door een tiental zalmkleurige, flamingoachtige vogels. Op hun felrode steltpoten stapten ze parmantig mijn blikveld binnen. Nieuwsgierig keken ze naar mijn slapende alter-ego, maar ze werden er kennelijk niet door verontrust.
Op hetzelfde ogenblik slenterde een zwarte panter het beeld in. Hij bleef bij me staan, gaf met zijn tong een liefkozenderlik over mijn voorhoofd en liep toen weer verder. De flamingo's dartelden klapwiekend om hem heen alsof ze met hem wilden spelen en een van hen sprong op zijn rug. De panter gooide zijn kop in de nek en ik hoorde hem diep en gorgelend lachen.
Waar ben ik hier? vroeg ik me verbaasd af.
Maar toen ik weer naar mezelf in het gras keek, kroop de irritatie weer in me omhoog, omdat ik het geen stijl van mezelf vond dat ik niets nuttigs deed.
Ik stond op het punt naar mezelf toe te lopen en mezelf wakker te schudden, toen ik een blinkende gestalte zag naderen. Ik kan Hem niet beschrijven, maar ik wist onrnlddelllik dat het God was. Daar kun je je niet in vergissen.
Daar heb je het gegooi in de glazen, dacht ik angstig. Nu word ik gestraft vanwege mijn luiheid.
Ik maakte mezelf zo klein mogelijk en durfde nauwelijks te kijken. God liep naar me toe, raakte me aan en zei: Opstaan Meint, Ik heb een karweitje voor je.
Ik zag dat ik wakker werd en overeind kwam. En toen kon ik mijn ogen bijna niet geloven. God bleek helemaal niet kwaad te zijn. En ik was niet bang voor Hem. Ontspannen stond ik daar met Hem te praten en te overleggen. God legde zijn hand op mijn schouder. En ik zag duidelijk dat mijn gezicht straalde van blijdschap.
Ik kreeg een brok in mijn keel en er sprongen tranen in mijn ogen.
Daar heb ik nu altijd naar verlangd, dacht ik, om op die manier met God om te kunnen gaan, zo zonder vrees, zo vertrouwelijk.
Ik dronk het tafereel in en voelde me helemaal warm worden van binnen, vervuld van een grenzeloze liefde.
"Koffie", zei een stem vlak bij mijn oor.
Met een ruk schrok ik wakker in mijn stoel waarin ik had zitten slapen. Mijn vrouw zette een kop koffie voor mij neer. De televisie stond aan, afgestemd op een actualiteitenprogramma.
Ikzag beelden van watervogels die voor hun leven vochten in een dikke oliebrij en van rivieren vol dode vissen.
Ik hoorde een man praten over de aantasting van de ozonlaag en over het broeikaseffect. Een ander sprak over de zure regen en de vervuiling van het grondwater. En toen zag ik weer beelden van verwoeste huizen, van bebloede mensen die uit het puin gehaald werden en van verkoolde lijken van vrouwen en kinderen.
Ik hoor hier niet, dacht ik verward. Niet in deze wereld. Dit is mijn thuis niet. Ik hoor ergens anders. Hier ben ik vreemd, een vreemdeling en bijwoner.

Troost
Een vreemdeling. Is dat niet wat iedereen voelt als hij geconfronteerd wordt met al die verschrikkingen die vandaag ons welzijn en ons leven bedreigen?
Komt dan bij iedereen niet het besef op dat dit niet de wereld is die we zoeken? En zegt de bijbel dat ook niet? Allerlei bijbelwoorden gaan bij ons resoneren. We hebben hier geen blijvende stad, maar we zoeken de toekomstige. We trekken hier door de woestijn, op weg naar het beloofde land. We zijn hier vreemdelingen en bijwoners, vreemdelingen in de verstrooiing.
Ja, dat zegt de bijbel. En als ons leven bedreigd wordt of in de knel komt, is het ook heel normaal en volkomen legitiem dat die bijbelse noties zich aan ons opdringen en ons troosten.
Daar zijn ze ook voor gegeven. We mogen hier dan in de verstrooiing zijn, maar dat is niet onze bestemming. Er is een toekomst. Een toekomst waarin de vreemdelingschap is vergeten, waarin het leven gaaf en ongeschonden zal zijn, waarin God ons tegen zich aan zal trekken en met zijn zakdoek de tranen van ons gezicht zal vegen. Een toekomst waarin heel deschepping genezen zal zijn.
Dat wil de bijbelse notie dat we vreemdelingen op aarde zijn, ons zeggen.
Maar ze wil ons niét zeggen, dat we de zaak hier dus wel blauw-blauw kunnen laten. Ze wil niét zeggen, dat we onze handen maar van de wereld moeten aftrekken, ons met een boekje in een hoekje moeten afzonderen en daar maar passief moeten wachten tot God er iets aan doet.
Helaas is en wordt toch vaak die conclusie getrokken. Dan laat men Gods, water - en onze olie zou je eraan toe willen voegen - maar over Gods akker lopen. Want, zegt men, hier beneden is het niet. Wat hier beneden gebeurt, is niet wezenlijk. Daar hoef je je niet mee bezig te houden.
Lev. 25:23 laat duidelijk zien dat die houding niet bijbels is. Het land is van Mij, zegt de HERE daar. Het land Kanaän was Gods eigendom. De Israëlieten mochten erop wonen, niet als eigenaars van de grond, maar als vreemdelingen en bijwoners bij Jahwe.

Vreemdeling
Het woord 'vreemdeling' had bij Israël een speciale betekenis. Een buitenlander die op doorreis of voor een korte tijd in het land verbleef en die wij zonder meer een vreemdeling zouden noemen, werd bij Israël niet als vreemdeling getypeerd. Als vreemdelingen golden alleen die buitenlanders die zich metterwoon in het land gevestigd hadden.
Abraham was zo'n vreemdeling in Kanaän. Ik ben' een vreemdeling en bijwoner bij u, zegt hij tot de Hethieten (Gen. 23:4). En zo was ook Israël een vreemdeling in Egypte. Ze waren daar niet voor een kort bezoek, maar ze woonden er. Ze hadden zich daar gevestigd.
Het voorbeeld van Israël maakt met een duidelijk, dat een vreemdeling geen recht kon laten gelden. Vreemdelingen wàren volledig afhankelijk van de welwillendheid van de bewoners van het land waar ze verblever.. Er waren geen wetten die hen beschermden en waarop ze zich konden beroepen.
De welwillendheid van de bewoners kon plotseling omslaan. Israël heeft dat ih Egypte aan den lijve ondervonden.
Dat was de algemene situatie in het oude Oosten.
Maar in de mozaïsche wettèn is er een begin te vinden van een vreemdelingenrecht.
Daar wordt bijvoorbeeld uitdrukkelijk en bij herhaling bepaald, dat vreemdelingen niet mogen worden verdrukt en dat men' hen zelfs moet.
liefhebben als zichzelf (Ex. 23:9; Lev. 19:33,34; Deut. 10:18,19).
Daar moeten we dus aan denken als de HERE tot de Israëlieten zegt: jullie zijn vreemdelingen en bijwoners bij Mij. Dat wil zeggen: Israël kan geen recht op het land laten gelden. Het kan het land niet in eigendom hebben, maar mag er wel wonen en er Jahwe's welwillendheid en bescherming genieten.
Ze zijn geen eigenaars maar vruchtgebruikers. Ze hebben het land om zo te zeggen te leen. .
Als je ergens geen eigenaar van bent, kun je er niet zomaar alles meedoen wat je zelf wilt. In mijn eigen boeken kan ik net zoveel krassen en strepen zetten als ik zelf wil. Maar als ik een boek van iemand geleend heb, kan ik me dat niet verloorloven.
Niet iedereen heeft overigens die instelling.
Soms wordt er met geleend goed heel ruwen ruig omgesprongen.
En als je daar dan een aanmerking op maakt, krijg je soms te horen: Waarom zouden we er zuinig op moeten zijn?
Het is toch niet van onszelf! Hetis maar van een ander!
Dan zijn de dingen op hun kop gezet en doet men alsof men eigenaar is van geleend goed.

Sabbatsjaar
Zo mocht Israël niet omgaan met het land Kanaän. En in zijn wetgeving heeft de HERE dat zijn volk nadrukkelijk op het hart gebonden. In Lev. 25 wordt dat op diverse punten uitgewerkt met betrekking tot het sabbatsjaar en het jubeljaar. . .
Elk zevende jaar was een sabbatsjaar.
Dan moest het land een vol jaar rust krijgen en mocht er niet worden gezaaid en geoogst. Landbouwdeskundigen zeggen dat deze bepaling van groot belang was ter voorkoming van uitputting van de bodem. Dat was natuurlijk niet de enige betekenis van deze bepaling, maar het was er wel een belangrijk aspect van. En daar willen we hier even aandacht aan geven.
Het sabbatsjaar verhinderde het plegen van roofbouw op de bodem. Een mens neigt er telkens weer toe roofbouw te plegen op zichzelf, op zijn naaste en op de schepping. De sabbatswetqevinq in Israël wilde zowel door middel van de wekelijkse sabbat als door middel van het sabbatsjaar het verschijnsel van de roofbouw uitbannen door rust voor te schrijven.
Roofbouw plegen, dat wil zeggen zonder ophouden en met alle geweld uit iets willen halen wat erin zit, legt de levensbronnen droog. Het put de levensvoorwaarden uit en heeft een vernietigend effect. Roofbouw plegen lijkt aanvankelijk een enorm rendement op te leveren, maar het uitelndelijke resultaat is de totale ineenstorting van het bestaan. Dat geldt op alle niveaus.
In de eerste plaats is het van toepassing op het individuele vlak. Wie roofbouw pleegt op zijn lichaam, 'moet dat uiteindelijk bezuren. D.esabbatdag was Gods geneesmiddel tegen persoonlijke uitputting. Alleen wie het aandurft op gezette tijden onder de dwang van het winst r;naken weg te kruipen en languit in het gras te gaán liggen, kan blijven tunetioneren.
Het geldt ook in de maatschappij. Wie zijn werknemers maar blijft opjagen in de jacht naar rendement, zal uiteindelijk ondervinden dat de akker uitgeput is en niets meer opleyert. Een van de ziekteverschijnselen yan onze tijd is stress. Dat heeft alles te maken met een onophoudelijk voort jakkeren en opgejaagd worden. Stress is verwaarloosde sabbatsrust.
Tenslotte geldt het ook ten aanzien van de schepping. In ~l1e verschijnselen van de rnilteucrisls worden we geconfronteerd met de gevolgen van het roofbouw plegen op de schepping, van de ongebreidelde zucht om zo mogelijk nog meer uit.de schepping te halen dan erin zit. Die hebzucht, dat' steeds maar meer willen hebben, dat aanvankelijk zoveel leek op te leveren en de poorten van het paradijs leek te openen, sleept in haar kielzog milieurampen met zich mee en verstoort de schepping. Het sabbatsjaar zette een grens aan de hebzucht. Het negeren van die grens brengt ons niet in luilekkerland, maar confronteert ons met een apocalyptische bedreiging van ons bestaan en met beelden van met olie bedekte vogels in doodsnood.

Jubeljaar
Aan die hebzucht wordt ook een grens gesteld door Gods wetgeving met betrekking tot het jubeljaar. De bedoeling van hetjubeljaarwas te voorkomen dat er een klein aantal grootgrondbezitters zou komen, dat in zijn landhonger akker aan akker trok en zo steeds meer grond inbezit kreeg, met het gevolg dat de rest van het volk verarmde. In de landen rondom Israël was dat het gangbare patroon. Daar vond je een klein aantal exorbitant rijken en een grote massa arme sloebers.
Bij Israël wilde de HERE dat voorkomen, want een dergelijke gang van zaken betekende immers de verwoesting van het welzijn van de grote massa.
Ook deze les van het jubeljaar is vandaag op grote schaal vergeten. In de economie is er een tendens dat de grote giganten steeds groter worden door de kleineren op te slokken en van de markt te duwen. Dat gaat vierkant tegen de geest van het jubeljaar in. De gulzigheid van het steeds meer willen hebben en steeds grotere winsten te willen maken, is de negatie van de spits van het jubeljaar.
Ook in de internationale verhoudingen' is dit van toepassing. Oorlogen komen maar al te vaak voort uit die hebzucht, uit een landhonger die het ene gebied na het andere wil opslokken. Ook de Golfoorlog heeft daar alles mee te maken. Nooit genoeg hebben is weigeren vreemdeling en bijwoner te willen zijn bij de HERE. Het is weigeren te erkennen dat het land van Hem is.
Het zou natuurlijk heel goedkoop zijn nu met de beschuldigende vinger te gaan wijzen naar bepaalde takken van de industrie, kapitalisme, bankwezen, militarisme en dergelijke. Het zou niet alleen goedkoop zijn maar ook duidelijk maken dat we zelf nog niet geraakt zijn door wat de HERE ons te zeggen heeft in Lev. 25. Wie hebzucht alleen maar bij anderen ziet, heeft het evangelie nog niet verstaan. We hebben allemaal de neiging om te vergeten dat we vreemdelingen en bijwoners zijn bij Jahwe. De aarde is van Hem.
Maar wij wanen ons allemaal eigenaars.
We denken allemaal dat we met de dingen die God ons ten gebruike geeft, met zijn schepping, maar kunnen doen wat wij willen. God heeft ons de schepping gegeven als een boek waarin we al lezend zijn grootheid leren kennen. Maar wij doen vaak alsof dat boek van ons is en 'maken er vaker krassen in en scheuren er vaker bladzijden uitdan dat we erin lezen.
Zolang we daar geen oog voor hebben en het onderricht van het sabbatsjaar en het jubeljaar niet in ons eigen leven willen toepassen, hebben we ook geen , toekomst. Lev. 25:18, 19 laat dat duidelijk zien. Als jullie mijn inzettingen naleven, dán zullen jullie veilig wonen en zal het land volop vruchten geven.
De HERE legt een onmiskenbare relatie tussen het floreren van de schepping en van ons leven én het inachtnemen van zijn richtlijnen. Verwaarlozing van die richtlijnen leidt onvermijdelijk tot verstoring van het leven. De milieucrisis kan alleen maar in de goede gesteldheid worden aangepakt, als ieder van ons op zijn eigen plaats meer en meer leert vreemdeling en bijwoner bij de HERE te zijn.
Er is er Eén geweest die zich geen moment door hebzucht heeft laten leiden. Christus heeft zijn goddelijke luister niet gretig naar zich toe gegraaid maar heeft zichzelf helemaal leeggeschud (FiI.2:6,7). Hoewel Hij eigenaar van alles was, werd Hij zozeer vreemdeling dat Hij nog geen plek had om zijn hoofd neer te leggen (Matth. 8:20) en van alles afstand deed, zelfs van zijn leven. Dat opende voor ons de toekomst. Een toekomst waarvan we nu al mogen dromen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief