Israël nu (2, slot)
1991-04-26
Bonter dan Dordt- Jaargang 35
- nummer 9
Wanneer wij de Joden zien als het uitverkoren volk, in die zin dat uit deze verkiezing hun toekomstige bekering tot het christelijke geloof vanzelf een keer te voorschijn zal treden, komt er een zeer onzuiver element in de wijze waarop wij hen beoordelen. De uitverkiezing gaat dan een rol spelen die we haar op geen ander gebied toestaan.
Een te grote rol. Er zijn er onder ons die vandaag de dag met Argus-ogen naar de verkiezingsleer van Dordt kijken. Ondergraaft de voorbeschikkingsleer van de Dordtse vaders niet het verbond en de verantwoordelijkheid die daarin meekomt? Ik zelf denk dat dit niet het geval is. Mijns inziens heeft Dordt dat gevaar onderkend en bezworen. Ik heb wel mijn vragen bij het lezen van de Leerregels maar deze niet. Inderdaad, ik heb vragen.
Laat ik er iets over zeggen. Wat betreft het zendingsbevel krijg ik wel eens de indruk dat dat door het voorbeschikkingsdenken van Dordt ondergesneeuwd is, getuige de eenzijdige nadruk die telkens gelegd wordt op het welbehagen van de Here dat maakt dat het ene volk het evangelie te horen krijgt en het andere niet (zie DL I, 3; I, v. d. d. 9; II, 5; III/IV, 7). Naar de zendingsopdracht zoek je in de Canones tevergeefs. Wel hebben enige 'kontraproduktieve teksten' (om zo te zeggen) uit Handelingen er een plaatsje in gekregen: "(de apostelen) werden door de Heilige Geest verhinderd het Woord in Asia te spreken" en .....en bij Mysië gekomen, poogden zij naar Bitynië te reizen, maar de Geest van Jezus liet het hun niet toe" (Handelingen 16:6 en 7; DL III/IV, v. d. d. 5). De Leerregels zijn weinig zendingsgezind en het hangt misschien daarmee samen dat er vanuit de door Dordt beheerste kerken in het verleden weinig zendingsinitiatieven zijn ontplooid.
Anderen die Dordt niet kenden zijn daarin voorgegaan. Maar dat nu verder daargelaten, wat de heilsorde betreft heeft Dordt de dingen goed op hun plaats gezet: de voorbeschikking maakt de verbondsverantwoordelijkheid niet tot een paskwil. Lees daarvoor maar DL III/IV, 17.
Dezelfde mensen echter die ik op het punt van het overheersen van de verkiezingsgedachte zo waakzaam, om niet te zeggen: argwanend naar Dordt zie kijken, die maken het wat Israël betreft veel bonter dan Dordt. Ga maar na: ten aanzien van een heel volk wordt zo maar eventjes voorspeld dat het in de toekomst behouden zal worden.
Er wordt maar niet gezegd (wat volop bijbels zou zijn!) dat ook hun de belofte toekomt, nee, ongeacht hun opstelling tegenover de Zaligmaker en afgezien van hun houding tegenover het evangelie wordt ten aanzien van hen een voorspelling gedaan dat zij het koninkrijk Gods zullen beërven.
"Ja, nee, dominee, dat zal ook bij Israël alleen maar gaan in de weg van geloof en bekering." Okee, maar het fijne puntje is dat bij de Joden dat geloof en die bekering uitvloeisels zullen zijn van hun verkiezing die al vast ligt, niet alleen bij God maar ook bij de mensen. Nu, dit noem ik een vreemde leer. Hier zijn de verborgen dingen niet meer voor de Here gelaten.
Hoe wil men dit eigenlijk rijmen met de overige leer van het evangelie en van de kerk? Zo gaan w·emet het gegeven van de uitverkiezing toch nergens elders te werk? En voorts, beseft men niet dat men zo al lang en breed op het spoor van de twee-wegen-leer zit? De twee-wegen-leer?
Ja, de leer dat er voor Joden en niet-Joden twee afzonderlijke wegen naar het heil zouden lopen. De lezer kan weten dat bij degenen die ik met dit geschrijf wil bereiken deze twee-wegen-leer afgewezen wordt: er is voor niemand zaligheid buiten Jezus Christus om, wij zijn allemaal, niet-Joden of Joden, op deze enige Middelaar aangewezen. Akkoord! Maar als je zegt dat wij christenen uit de volken alleen langs de weg van geloof en bekering tot Jezus Christus komen maar dat de Joden die bestemming zullen bereiken uiteindelijk krachtens een voorbeschikking die al vast ligt niet alleen maar ons ook nog geopenbaard is, dan is ook dat een vorm van die zogenaamde twee-wegen-leer. Je maakt dan van de Joden, in onderscheiding van de anderen, zorgeloze mensen. Ze komen er toch wel.
De voorbeschikking hoort in de nabeschouwing
Israël komt door deze vreemde, eigenlijk volstrekt lijdelijke, verkiezingsleer in een uitzonderingspositie te verkeren.
Onze kijk op dit volk wordt daardoor scheef getrokken. Onze kijk op het hele wereldgebeuren trouwens krijgt daardoor iets onwerkelijks. In de Golf-oorlog bijvoorbeeld zou het allemaal om Israël draaien. Dat is duidelijk niet het geval. Stellig is Israël bij de krisis in die regio sterk betrokken, maar het zo voor te stellen dat het hele wereldgebeuren zich gaandeweg meer om Israël gaat koncentreren levert geen reële kijk op en maakt politiek bevangen. Je gaat dan vanuit een voorbeschikkingsdenken de werkelijkheid benaderen en dat is voor ons mensen duidelijk te hoog gegrepen.
En vooral wanneer je de waan van uitverkorenheid in het politieke gaat vertalen zijn de ongelukken niet van de lucht. Sinds Israël zich als een politieke eenheid heeft georganiseerd gelden voor Israël alleen maar politieke maatstaven in het volkerenverkeer, dezelfde als waaraan alle naties zich te houden hebben. Het is zeker waar dat wij erop moeten toezien dat dit volk dat zo zwaar geleden heeft geen nieuwe rampen overkomen.
Maar dat kun je van de arme Koerden ook zeggen. En kijk dan eens, zo voeg ik hier tussen haakjes aan toe, wat daar vandaag wat die Koerden betreft van terecht komt. Erop toezien?
Stilzwijgen en toezien! Laten we maar bescheiden zijn over onze rol in het gebeuren. Maar goed, het moet geprobeerd worden dat we Israël een veilige plaats garanderen tussen de volkeren.
Daarvoor is waakzaamheid tegen de pestilentie van het weer oplevende of beter: het nooit gestorven antisemitisme zonder meer geboden.
Het benarde Israël verdient onze steun en sympathie. Maar de voorbeschikkingsgedachte kunnen we daarvoor beter thuis laten. Politiek kun je daar volstrekt niets mee. Religieus 'ook niet, trouwens. De voorbeschikking behoort voor ons mensen alleen maar thuis in de nabeschouwing, het is in de goede zin van het woord achteraf-praten. Wie er een strategie op bouwt of wie er een aan te nemen houding mee beargumenteert komt verkeerd uit. In de religieus niet onbesproken Alblasserwaard waar ik vandaan kom maakte ik het als kind wel mee dat bepaalde mensen voor uitverkoren kwamen te gelden en op grond daarvan alles mochten. Niet alleen namen ze zelf die vrijheid maar hun omgeving verleende hun die ook gaarne. Werkelijk onuitstaanbare mensen werden dat. Daaruit blijkt hoe gevaarlijk het voorbeschikkingsdenken eigenlijk is. Als je dat maar een ogenblik loskoppelt van de menselijke verantwoordelijkheid ("door het scheiden dier dingen die God naar zijn welbehagen heeft gewild dat te zamen gevoegd zouden blijven", DL III/IV, 17), kom je al gauw in de grootste willekeur terecht.
Niet de eerst-aangewezenen
Israël staat dus net als alle andere mensen onder de wet dat wij alleen door het geloof in Jezus Christus behouden worden. Dit evangelie moet ook aan hen 'met bevel tot geloof en bekering', dat wil zeggen: niet vrijblijvend (de ouden waren nogal scheutig met het woord 'bevel'), gebracht worden.
Betekent dit nu ook dat wij onder de Joden zending moeten drijven? Pee Koelewijn heeft onlangs in 'Christenen voor Israël' geschreven dat hij dat niet ziet zitten ... God zal zelf wel met zijn volk klaar komen", zegt hij. En als er mensen aan te pas moeten komen dan moeten de Joden dat maar onderling doen. Wij zijn daarvoor niet de eerstaangewezenen, zo na de holocaust en de rest van de Europese geschiedenis.
Ik kan voor deze redenering wel wat voelen en wil de heer Koelewijn dienen met een ondersteunend bijbelspsychologisch argument. Toen Paulus pas tot geloof gekomen was wilde hij in zijn ijver het evangelie onder zijn volksgenoten te Jeruzalem verbreiden.
Maar de Here was wijzer en zei: "Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want zij zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen" (Handelingen 22:18). Paulus had zelf moeten inzien dat hij daarvoor nu niet de geschiktste figuur was. Enig psychologisch inzicht zou hem niet misstaan hebben. Hij had tenslotte in een ogenblik tijd een draai van 180 graden genomen.
Dat zette natuurlijk kwaad bloed bij zijn vroegere geloofsgenoten.
Die zijn nog altijd erg boos op hem. Van Paulus wilden en willen zij de goede boodschap niet horen. Zo nu moeten ook wij verstaan dat de Joden van ons West-Europeanen geen getuigenis over Jezus Christus zullen aannemen.
Daarvoor is er teveel gebeurd en door ons christenen ook teveel nagelaten in de achter ons liggende eeuwen. Inderdaad zijn wij voor het brengen van het goede nieuws aan hen niet de eerst-aangewezenen.
Moeten de Joden daarom zichzelf maar bedienen met het evangelie, zoals Koelewijn zegt? Dat zou kunnen, al vermoed ik hierachter weer een stukje twee-wegen-theologie: een Jood kan het evangelie alleen maar van een Jood horen. Ons kent ons; het gaat bij Israël immers alleen om het wekken van iets dat slaapt, niet om het werken van iets dat er niet is? (Zo zou Abraham Kuyper dat gezegd kunnen hebben; u weet wel, de theoloog die in zijn verbondsleer ook zo hinderlijk voorbeschikkelijk dacht dat hij er de ernst van de prediking mee om zeep dreigde te helpen.) Maar behalve dat de Joden het evangelie aan elkaar bedienen (wat ik dus zeker niet uitsluit) is er nog een andere mogelijkheid.
Dat bijvoorbeeld de kerk uit de derde wereld Israël opnieuw met het evangelie in aanraking brengt. Dan horen de Joden de boodschap van onverdachte en onbelaste zijde en is aan het genoemde bezwaar tegemoet gekomen.
Paulus, apostel der heidenen
Maar over zending gesproken, het liefst zou ik de aandacht der kerk wat van het volk Israël willen weghalen om die dan vervolgens te richten op de verbreiding van het evangelie onder de volken. De heidenen van ver weg, maar ze wonen tegenwoordig ook tussen ons in. Ik ben namelijk bang dat de belangstelling voor Israël het zendingselan en de liefde voor evangelisatie van de christelijke gemeente niet zal doen toenemen. Ik vrees dat er in plaats van de middelpuntvliedende kracht die de nieuwtestamentische gemeente zo kenmerkte: "van Jeruzalem en geheel Judea en Samaria tot het uiterste der aarde" (Handelingen 1:8), het zoeken komt van het achterhaalde middelpunt van het tegenwoordige Israël en Jeruzalem. De apostel Paulus heeft gezegd: "Juist omdat ik apostel der heidenen ben acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees en bloed mocht opwekken en enigen uit hen (de Joden) behouden" (Romeinen 11:13 en 14). Wat bedoelt hij?
Waarom brengt hij hier zijn apostolaat onder de volken ter sprake? In dit brief-gedeelte waarin hij zo enkel en uitvoerig over Israël spreekt? Wel, door Israël in de praktijk van zijn werk de rug toe te keren en zich op de heidenvolken te koncentreren denkt hij nog het meest voor zijn eigen volk te kunnen doen. Door de toebrenging der heidenen zullen de Joden tot nadenken worden gebracht. Tot jaloersheid ook. Ik moet terloops even kwijt dat Paulus mij met deze woorden aan een waardevolle tip voor mijn eigen werk geholpen heeft. Toen ik de geloofsafval van eigen kerkleden zag ben ik in plaats van al mijn tijd te verdoen met het eindeloos achterna hollen van deze afhakers wier besluit om niet langer te geloven toch al vaststond, begonnen met het katechiseren van buitenkerkelijken. Inderdaad met de nevenbedoeling om zo die eigen mensen nog tot nadenken te brengen. Wat daar nu allemaal van terecht gekomenis, dat is weer een ander verhaal, maar mijn taktiek had ik van de grote apostel afgekeken. Hij heeft met zijn gedachtengang ook wel gelijk gekregen.
Als er iets is waarvan de Joden onder de indruk zijn, waar het de christenen betreft, dan is dat de verspreiding en de groei van de kerk onder alle volken. Daar weet het Jodendom ook niets tegenover te stellen, want hun godsdienst is als het erop aankomt aan één bloed gebonden.
"Ga heen, want Ik zal u uitzenden, ver weg, naar de heidenen", zei de Here tot Paulus (Handelingen 22:21). En wij ook, wij moeten als christenen Israël eens wat meer met rust laten om ons te keren tot hen die nog nooit de kans van.het geloof hebben gehad. We zitten het Joodse volk boven op de lip en ik kan me goed voorstellen dat men dat daar knap hinderlijk vindt. Menselijk en volkenrechtelijk hebben wij onze dure verplichtingen tegenover hen, maar christelijk kunnen wij ons beter bemoeien met de volken die nog niet of nog maar pas zijn gaan geloven.
En inderdaad, laten die dan weer eens opnieuw Israël konfronteren met de heerlijke boodschap van Gods genade in Christus Jezus onze Heer. Ja, waarom niet? Zo'n zwarte evangelist op het strand van Tel Aviv? Prachtig toch?