Mystiek in de literatuur (4)
1991-04-26
Kritiek en spot- Jaargang 35
- nummer 9
Rudolf van Reest laat in zijn romans duidelijk de kritiek doorklinken op de uitwassen van de mystiek. Dat deed Hogenbirk ook in 'Neveldijk'. Maar het is ook duidelijk dat ze oog hebben voor de moeiten en strijd van al die zwaarmoedige tobbers die ze beschrijven.
Bij veel andere schrijvers ontbreekt dat en gaat de kritiek over in spot die soms een uiting lijkt van haat.
Is het de afwijzing door de wereld van 'gij geheel anders'?
Zie wat Bunyan schrijft in De Christenreis naar de Eeuwigheid: Christen en zijn metgezellen moeten op hun reis door een stad trekken waar altijd kermis wordt gehouden, de Kermis der IJdelheid. Zij veroorzaken grote opschudding en dat komt door drie dingen: hun afwijkende kleding, hun aparte taalgebruik (de tale Kanaäns, noemt Bunyan dat) en door hun afwijzen van alles wat de kermis biedt.
Laten we vandaag eens kennis nemen van literatuur waarin vooral de spot doorklinkt.
Mennisten-vrijage
Uit het begin van de zeventiende eeuw is het gedicht 'Mennisten-vrijage' van Starter:
Ik vrijde op een tijd een zoet
Mennisten-zusje,
Die ik zeer hoffelijk kwam groeten
met een kusje;
Maar wat ik deed, was wind; zij zei:
Bij ja en neen,
Dit vrijen krenkt mijn eer, ik bid je,
ga toch heen!
't Is onze zusters niet geoorloofd te
verkeren
Als bij het fijnste volk, bij broeders
in den Here.
...
Het gedicht is te lang om het hier helemaal over te nemen; ik vat het verhaal daarom samen. Het meisje heeft op alles wat de minnaar zegt, een bijbeltekst als antwoord. Ze heeft ook veel kritiek op zijn uiterl ijk: hij is veel te opzichtig gekleed; zij zou zich bezondigen als ze zo'n werelds iemand zoende. Maar later komt hij wéér, heel eenvoudig gekleed, in het zwart en zonder een enkele versiering. Hij doet zich vroom voor, spreekt haar aan als zuster en praat maar steeds over godsdienst. Na verloop van tijd geeft hij haar een zoen, maar zij is bang dat de mensen erover zullen praten. Het vervolg is:
Ik zwoer haar dat ik wel zo heimlijk
en secreet
Was als de nacht, en zei: Voorzeker,
dat je 't weet,
Ik wil de kaars uit doen! O, zweer
niet, zei ze, trouwen, (= alsjeblieft)
Doe uit de kaars, opdat gij uw eed
moogt houwen.
Toen knoffelde ik rondom in 't duister,
tottertijd
Dat ik een bedde vond; ik nam haar
aan mijn zijd'
En zei: Voorwaar mijn lief, hier willen
wij met lusten
En vrolijke geneugt vanavond samen
rusten.
Zweert gij, voorwaar, zei zij, daar ik
u zo vermaan? (daar = terwijl)
O, broeder, hadt gij niet die zware
eed gedaan,
Ik had om al de weerld niet bij u
willen komen,
Maar uwe stoutheid u ten kwaadste
afgenomen.
Zo komt gij dan? zeide ik. Ja, zei ze,
al is 't mij leed.
Ik kom, opdat gij niet zoudt breken
uwe eed.
Jan Klaaz
Tegen het einde van de zeventiende eeuw wordt met een ander soort vromen de draak gestoken in het toneelstuk Jan Klaaz, door Thomas Asselijn.
De ouders van Zaartje willen haar laten trouwen met de 'kwaker' Reinier Adriaans. Bijna alle zinnen die hij uitspreekt, beginnen met: Zo, zo. Hij benadert het meisje nogal stuntelig, ze is duidelijk niet van hem gediend en geeft antwoord op een manier die elke andere aanbidder de moed zou benemen, maar de dikhuidige Reinier laat zich niet afschrikken en komt na een inleiding tot de kern van de zaak:
Zo, zo, de reden van mijn aankomst,
vertrouw ik, is je enigszins bekend.
En terwijl jouw zelfstandig beeld in
mijn hart zo diep staat geprent,
Heeft mij de Geest geperst om herwaarts
te komen.
Ook zul je wel indachtig wezen wat
afspraak de vrienden samen hebben
genomen,
Als ook 't besluit 't geen ze wederzijds
deze dag hebben gemaakt.
ZAARTJE:
Ik heb zo wel wat gehoord, maar ik
kan niet voelen dat het mij raakt.
REINIER:
Zo, zo, niet te min hoop ik dat je 't
van kracht en waarde zult houwen.
En, om ijdele woorden die men in 't
vrijen gewoon is, te schouwen,
Gelijk alle andere ontuchtigheid die
men dan gemeenlijk wel doet,
Geheel en al voorbij te gaan, want
ziet, Zaartje Jans,
dat strijdt tenemaal tegen mijn gemoed,
Zo kom ik je verzoeken, en dat in
deugd en eren.
En terwijl mijn geest getuigt om
jouw vlees te begeren,
Zo kom ik je mijzelf eerbiediglijk
bieden aan,
Opdat je mocht worden mijn echtevrouw
en ik jouw wettelijke man,
Om alzo te zamen dit aardse deel
vruchtbaarlijk te beleven.
ZAARTJE:
Jawel, alzo de geest bij mij zo vaardig
niet is,
kan ik je daar geen antwoord op
geven.
Maar zo veel als me die tot nog toe
getuigt, is 't maar verloren arbeid.
REINIER:
Zo, zo, ik beken 't Zaartje, de geest
moet innerlijk werken,
of daar wordt geen rechte grond
geleid.
Enigheid in liefde, enigheid des
geestes,
is de rustbank van een vreedzaam
leven.
(En zo gaat het nog een poosje door. U zult wel begrijpen: het wordt niets tussen die twee.)
Sara Burgerhart
Als we het over protestantse mystiek in de literatuur hebben, komen we onvermijdelijk ook terecht bij één van de belangrijkste Nederlandse romans: Sara Burgerhart, geschreven door de dames Betje Wolft en Aagje Deken.
Het is een roman in brief-vorm, de eerste druk verscheen in 1782. Het boek is nog steeds de moeite van het lezen waard, maar ja, je moet er wel even voor gaan zitten. Over de inhoud: Saartje is een meisje van ongeveer twintig jaar; sinds de dood van haar ouders is ze in huis bij haar tante Suzanne Hofland die daarvoor een heel ruime financiële vergoeding krijgt.
Tante is lid van een groepje 'vromen' waarin twee personen domineren: Cornelia Slimpslamp en broeder Benjamin.
De laatste fungeert zo'n beetje als geestelijk leider. Maar aan het einde van het verhaal blijkt dat al het vrome gedoe van die twee er alleen maar om ging te profiteren van tante Suzanne; ze bestelen haar en vluchten dan de stad uit.
Uit brief nummer zes, van Cornelia aan Suzanne, citeer ik:
Ik wou dat jij Saartje nooit in huis genomen had. Het goede werkje wordt er maar door vertraagd. Ik weet het niet, maar het is of die zoete, zachte, smeltende uitvloeisels des harten onder ons verminderen.
Saartjes ziel zit in het gestoelte der spotters, en omdat zij de geest der onderscheiding niet heeft, legt zij alles zo vleselijkjes uit. Kun jij je niet van haar ontdoen? Ja, ik weet het, zusje, dat onnozele stuivertje dat zij verteert, dient echter nog om de noden der heiligen te voldoen; en zij zelf, o diepte!, wordt, tegen haar wil, nog dienstbaar gemaakt aan de goede zaak die zij zo vijandig is.
Laat haar toch niet in de geheimen onzes verborgen wegs. Wij strooien maar rozen voor dat zwijntje. Kijk toch welke boeken zij leest. Laatst las zij in een boek vol spreokwoorden van ene Rabener. Het kwam ook al uit dat Duitsland en broeder Benjamin zeit dat daar nou zulke slechte boeken vandaan komen. Sara zei dat hij een vriend van Gellert was. Onze jonge leraar (dat lief mannetje) heeft mij verhaald dat Gellert nogal rechtzinnigjes in de leer was, maar in de praktijk des te groter ketter. Hij stelde zo veel belang in doen, in doen, zusje. Hoor je dat wel? Dat was genoeg gezegd: wij verstaan de tale Kanaäns.
Brief nummer zeven is van Suzanne aan Cornelia. Daarin staat o.a.:
Het stond mij ook nooit goed aan dat Saartje, als zij in het Oude Testament las, altijd met haar neus in de Spreuken en Prediker zat. En ik vond het nog erger, toen broeder Benjamin zei dat Salomo al dat plichtmatige waarvan hij zo veel schreef, geschreven had in de tijd zijns afvals, enigjes en alleentjes om zijn heidense wijven en bijwijven te behagen, die wel zin daarin hadden, in die blinkende zonden, zei hij, en dat, toen Salomo zich bekeerd had, hij ook van dat betrachten, dat doen, gezegd had: "IJdelheid der ijdelheden, dit alles is ook ijdelheid."
AI dat doen, zusje, laat de ziel maar leeg. Die draf van goede werken zijn ook al todden en vodden van eigen gerechtigheid, zoals zuster Alida met ijver altoos zegt.
Zusje, wat is die broeder Benjamin toch een groot mannetje!
Het Theologisch Verrekijkertje van Zuster Welgeleerd gebruik ik met stichting.
Als je weer eens zo 'n zoet boekje hebt, hoor!
Voor vandaag moet ik nu maar stoppen.
Nog even een toelichting: 'Blinkende zonden' is een aanduiding van goede werken die niet uit een bekeerd hart voortkomen. De term is nóg in gebruik. Elders in de Sara Burgerhart wordt voor goede werken gewaarschuwd omdat die al gauw aanleiding zijn tot "een Arminiaans slikgrondje van eigen gerechtigheid".