Ik ga vissen

1991-04-26
  • Jaargang 35
  • nummer 9
Ik heb lang zitten turen op dat zinnetje uit Johannes 21. Dat zinnetje uit de geschiedenis, waarin Jezus zich voor de derde keer aan zijn discipelen openbaarde, nu bij de zee van Tiberias.
Zeven discipelen zijn daar bij elkaar, en Petrus zegt ineens: "Ik ga vissen". Hoe moeten we dat duiden?
In wat voor stemming zijn Petrus en de anderen geweest? Zagen ze het niet meer zitten, zodat ze hun oude werk maar weer oppikten; of zaten ze 'krap bij kas omdat ze geen zendingsthuisfront hadden? "Ik ga vissen", "Wij gaan met u mee".

Wat zou ik er graag hun gezicht bij gezien hebben of hun stem gehoord, Dan had je meteen gemerkt in wat voor sfeer de discipelen zich bevonden.
Nu zit je maar te raden. Nou ja, je kunt er natuurlijk boeken op naslaan.
En zo vernam ik uit doorgaans betrouwbare bron (de commentaar van dr. E.L. Smelik): "Er hangen misten om hen heen. De arbeid is hier een vlucht, een tijdverdrijf. Ze beginnen eraan in gemelijke stemming".
Tja, dat zou natuurlijk kunnen. Ik zie daar wel iets bij voor me. Maar wat vind ik dat moeilijk te accepteren, dat de discipelen zo kort na de herhaalde ontmoeting met hun opgestane Heer al weer zitten te miezemuizen. Of gemelijk zitten te vissen. Zou het nu werkelijk z6 weinig aan een mens veranderen als je de opgestane Heer persoonlijk ontmoet hebt? Dat wil er bij mij eigenlijk niet in, En Petrus zegt er zelf later van, dat hij door de opstanding van Christus is wedergeboren tot een levende hoop. Dat zal toch niet ineens over zijn geweest?

Ga naar Gamea
Gelukkig weten we méér over de discipelen.
Ze wàren helemaal niet 'zomaar' aan het werk gegaan, omdat ze het allemaal niet meer zagen zitten. In dàt geval was het werk inderdaad een vlucht geweest, een middel om je hogere idealen maar te vergeten. Maar in werkelijkheid waren de discipelen bij de zee van Tiberias, dat is in Galilea, omdat Jezus hun gezegd had om hier op Hem te wachten. Voor zijn sterven al had Hij gezegd: straks, als Ik zal zijn opgewekt, ga dan naar Galilea; daar zult gij Mij zien.
Wel, aan die afspraak hadden de discipelen zich gehouden. Zij het pas na enige tijd. Ze waren aanvankelijk in Jeruzalem gebleven en daar was Jezus hun toen maar verschenen. Tot twee keer toe liet Hij hen aansporen om naar Galilea te gaan. Maar nu waren ze er. En daar bleven ze dus gehoorzaam wachten. Wachten tot Jezus, hun Heer, zou komen. En inderdaad, in die tijd van wachten zijn ze dus hun oude werk weer gaan opvatten.
Maar voelt u wel wat een geweldig verschil dat is? Of een mens zich maar met alle kracht op 't dagelijks werk stort omdat, nou ja, omdat dat het enige nog is wat telt. Omdat dat tenminste concreet is. Of dat een mens zich inzet voor z'n werk, jawel, maar dan in de intense verwachting: we doen dit alleen zolang de Here nog niet terug is. Daar zit een wereld van verschil tussen. Hoe je de woorden 'ik ga vissen' moet opvatten, hangt er dan ook helemaal van af of ze bij hun werk de Here verwachtten.

Praktisch onderwijs
Zo bezien is de situatie van de discipelen ineens heel herkenbaar. Zij zijn (net als wij) mensen, die moeten volhouden in hun gewone werk - maar dan in afwachting van de komst van hun Heer, die beloofd is. En dat klopt toch precies, dat Jezus de tijd tussen z'n opstanding en hemelvaart niet alleen gebruikt heeft om zijn apostelen ambtelijk te instrueren, maar dat Hij ook praktisch geloofsonderwijs gaf met het oog op ons, die zouden geloven zonder Hem thans te zien.
Het lijkt me dan ook een serieuze vraag voor ons: op welke manier storten wij ons in het werk en de carrière, en hóe ga je aan de' studie? Gebeurt dat in het teken van de verwachting, omdat wij hier zijn om op de terugkeer van onze Heiland te wachten? Of wordt het werk en de studie een concurrent van onze Heer?

Geen gezeur
We leven echt in een wereld van 'geen gezeur, we moeten er tegenaan'. Je ziet mannen en vrouwen, die er rond voor uit komen dat ze aan hun carrière werken. Studenten, die maar krap-an tijd hebben voor iets anders dan hun tentamens. We noemen het de tijd van 'no-nonsense'. Geen getob, aan de slag! Op een congres met 3000 ondernemers hoorde ik het premier Lubbers pas zeggen: "het moet afgelopen zijn met de tobberigheid". En dat is allemaal prachtig. Beter dan een sfeer waarin men vindt dat werken voor de dommen is. Maar er bekruipt mij wel eens het koude gevoel, dat we ons met elkaar zo fanatiek op het werk en het verdienen storten... omdat de hogere idealen een zachte dood zijn gestorven.
Omdat er niets anders over is.
Gaat het hier niet precies als in de oostbloklanden? Daar heeft het geloof in het communisme het loodje gelegd en het enige wat nu nog telt is auto's kopen. Hier gaat de nieuwe zakelijkheid hand in hand met het spook van de secularisatie, En velen die nog wel geloven, die geloven het wel. Zou dat wel toeval zijn? Of zou er toch iets in zitten van: alleen je saldo is maar echt concreet?
Natuurlijk mogen we niet generaliseren.
Ieder kent alleen z'n eigen hart.
Me dunkt, dat ieder dan ook zichzelf maar moet toetsen voor Gods aangezicht.
Maar als we zonder de Heer te verwachten zeggen: "ik ga vissen", of "ik stort me in m'n werk en m'n vrije tijd", of "voor mij telt alleen de studie", dan wordt het echt koud om ons heen. Dat zal al heel spoedig naar twee kanten merkbaar worden.
Wat wij er als kerken van merken zal dan zijn dat er steeds minder mensen tijd hebben om het werk in de gemeente te doen, want de carrière gaat voor! En mensen zullen steeds minder tijd hebben om mee te doen aan bijbelstudie en onderling gesprek, want het werk roept! Dat is wat wij ervan zullen merken. Maar veel erger is nog, dat God dan zal merken: hier leeft geen verwachting meer. Hier wordt niet meer uitgekeken naar de toekomst van Christus. Zal de Zoon des Mensen bij zijn komst het geloof nog vinden op aarde?

Niet vergeefs
Toch hoeft ons werk geen concurrent van Jezus Christus te zijn. We kunnen ook wel degelijk ons echt inzetten voor het werk en voor onze omgeving, juist omdat dit de wereld is waarin we onze Here terug verwachten. Naar het bekende woord van Luther: als ik wist dat morgen Christus terug komt, dan zou ik nóg vandaag een boom planten.
Omdat Hij ons deze plaats gegeven heeft. Een plaats die serieus belangrijk is, ook al is het voor ons het laatste niet.
Voor de discipelen was Jezus degene, op wie ze hadden gewacht. Dat ze met Hèm mochten eten, daar was al hun dagelijks werk een voorbereiding op geweest. Zo konden ze ook tegenslagen verwerken, en bij zegen wisten ze de afzender daarvan: het is de Here!
Wie zó vol verwachting leeft, die kan met een gerust hart gaan vissen. Of ander werk en vrije tijd aanpakken.
Dat kunt u dan doen, "wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here".

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief