Geloven; gewoonte of keuze (1)

1991-04-26
  • Jaargang 35
  • nummer 9
Vorige maand promoveerde mevrouw P.E. Jongsma- Tieleman aan de Katholieke Universiteit van Nijmegen op een onderzoek naar het effect van godsdienstige opvoeding onder gereformeerde jongeren (a). Het is een onderwerp dat in onze kerken veel gespreksstof doet opwaaien. Daarom besteden we er in 'Opbouw' uitgebreid aandacht aan.

Gevaren van publiciteit
Men hoeft geen vreemdeling in kerkelijk Nederland te zijn om te weten dat er de afgelopen 10 jaren al veel onderzoek werd gepubliceerd over 'kerkverlating' . Het geruchtmakende onderzoek door Piet van der Ploeg ('Het lege testament') werd gevolgd door een groot aantal publikaties vanuit de rechterflank van de gereformeerde gezindte. Uit al die onderzoeken blijkt dat het met de 'kwaliteit van de geloofsopvoeding' in onze tijd niet goed is gesteld. Sommige mensen menen echter dat het onderwerp inmiddels al te veel aandacht heeft gekregen. Worden jongeren door al die aandacht niet bijna vanzelf als potentiële kerkverlaters gezien?
Een ander bezwaar van veel publikaties is dat kerkverlating vrijwel geheel in het horizontale vlak wordt getrokken.
Of jongeren bij de kerk blijven of afhaken wordt dan afhankelijk gemaakt van sociologische of psychologische faktoren. Een gevaarlijk aspekt in dit denken is dat men krampachtig gaat zoeken naar middelen om jongeren 'bij de kerk te houden'.
Een derde bezwaar is dat er wel eens te gemakkelijk met een beschuldigende vinger naar de ouders wordt gewezen. In de jaren '60 dacht men de meeste psychische stoornissen te kunnen verklaren uit een verkeerde houding van de opvoeders. In de jaren '80 lijkt het in publikaties soms of kerkverlating alleen maar een gevolg kan zijn van een verkeerde geloofsopvoeding.
Men ontkomt bijna niet aan de zojuist genoemde bezwaren wanneer men er geen oog voor heeft dat het ten diepste de Heilige Geest is die het geloof in de harten werkt. Wie dat feit ter harte neemt, kan daarna in een wat minder zwaar gezette toonzetting verder op onderzoek uit gaan. Dan zal blijken dat er uit wetenschappelijk onderzoek gegevens naar voren komen die we ons als kerken in ieder geval ter harte kunnen nemen.

Niet meer vanzelfsprekend
In het eerste hoofdstuk van haarproefschrift gaat mevrouw Jongsma in op de situatie waarin in deze tijd de geloofsoverdracht plaats vindt. Ze doet dat aan de hand van een aantal gegevens uit onderzoek naar veranderende kultureel-maatschappelijke faktoren.
Evenals andere auteurs gaat ook zij er vanuit dat de tijd waarin jongeren vanzelfsprekend het geloof van de ouderen overnamen voorbij is. Dit geldt ook voor kleine, 'gesloten' kerkgenootschappen.
De auteur vindt de terugkeer naar het 'conventionele christendom' niet wenselijk. De kerk moet de veranderingen in denken mee maken. Toch moet zij ook 'de geesten onderkennen' en stelling nemen tegen die tendensen in onze kultuur die moeilijk te verenigen zijn met religiositeit.
In haar proefschrift schrijft mevrouw Jongsma dat geloofsopvoeding die louter gebaseerd is op gehoorzaamheid eerder belemmerend dan stimulerend werkt. Gehoorzaam, op gezag van anderen overnemen van het geloof bereidt niet voor op het christenzijn in deze wereld (21). Haar visie komt op dit punt overeen met bv. de uitkomsten van het onderzoek van Van Driel en Kole onder jongeren uit de Gereformeerde Bond en de Gereformeerde Gemeenten (b). Jongeren moeten de ruimte krijgen om met vragen om te gaan.

Kinderbijbels
Een gedeelte waar ik vraagtekens bij stel is, op welk moment en op welke wijze de opvoeder zelf gericht vragen moet stellen. Ouders moeten er op bedacht zijn dat kinderen in alle leeftijdsgroepen wezenlijke geloofsvragen stellen ("wanneer uw kinderen later vragen..."). Het komt voor dat een kind van 8 jaar aan zijn moeder vraagt of God werkelijk bestaat en of de bijbel niet gewoon door mensen verzonnen is. Ook voor die vragen moet ruimte zijn. Aan de andere kant heb ik mijn bedenkingen tegen het voortijdig stellen van vragen door de opvoeder zonder dat kinderen er aan toe zijn. Het gebeurt maar al te vaak dat die vragen een produkt zijn van de eigen twijfel van de opvoeder. Een kind dat nog onbevangen kan geloven, moet daar ook de ruimte voor krijgen: het past bij het temperament van het kind. De theorie van Fowler over de fasen in de ontwikkeling van het geloof geeft m.i. bij jonge kinderen aanknopingspunten voor deze gedachte (c). In dat opzicht deel ik niet de voorkeur die de auteur heeft voor bepaalde moderne kinderbijbels en vind ik aan de andere kant de kritiek op oudere kinderbijbels niet voldoende genuanceerd (22).

Erikson
In het tweede hoofdstuk gaat mevrouw Jongsma in op de denkbeelden van Erik H. Erikson over de psychologische ontwikkeling van de mens. Ze gebruikt zijn theorie als 'kapstok' om de volwassenwording van de mens inzichtelijk te maken. Een sterk aspekt in het proefschrift vind ik het feit dat ze verantwoording aflegt van de keuze voor juist deze psycho-analyticus. Een van de argumenten is dat er bij Erikson een plaats wordt toegekend aan levensbeschouwing en godsdienst. Hij heeft o.a. een fors boek over Maarten Luther geschreven (d).
Het zou te ver voeren om in 'Opbouw' uitgebreid in te gaan op de theorie van Erikson. Heel in het kort gaat het erom dat iedere jongere in psychologisch opzicht los moet komen van zijn ouders om een eigen 'identiteit' te kunnen ontwikkelen. Op welke wijze dat gebeurt, hoe die 'identiteit' eruit zal zien, wordt voor een belangrijk gedeelte bepaald door de vraag hoe vroegere ontwikkelingsfasen zijn verlopen en in welke omgeving iemand is opgegroeid.

Probleemstelling
Wat heeft de theorie van Erikson nu met de praktijk van de geloofsopvoeding te maken? Dat komt tot uiting in de visie die mevrouw Jongsma aan het slot van het derde hoofdstuk formuleert.
Jongeren moeten tot een 'eigen' geloof komen. Dat betekent dat hun geloof niet een klakkeloos overgenomen kopie van het geloof van de ouders moet zijn. Daarom gaat het 'Ieren geloven' ook vaak met een crisis en de daarmee samenhangende kritische vragen gepaard.
Hoewel de jongere los moet komen van de ouders, blijven zij voor hem wel erg belangrijk. Veel jongeren spiegelen zich aan hun ouders. Dit betekent, aldus mevrouw Jongsma, dat "wil er kans zijn op een geslaagde geloofsoverdracht, de ouders zelf godsdienstig moeten zijn op een manier die jongeren tot navolging uitnodigt.
Het betekent ook dat de manier waarop ouders met jongeren omgaan, van belang is. Jongeren moeten in die opvoedingsstijl respekt voor hun eigen identiteit kunnen ervaren" (45).
Naast de ouders is de kerk van grote betekenis voor de geloofsontwikkeling van jongeren. In de derde plaats spelen de vrienden een belangrijke rol.
De probleemstelling die uit het voorgaande naar voren komt luidt (vrij vertaald): op welke manier kunnen ouders hun kinderen 'helpen' om zelfstandig te leren geloven?
Tot zover de (voorlopige) visie van mevrouw Jongsma, bezien vanuit een theoretisch kader. Om na te gaan of deze visie juist was, was een uitgebreid onderzoek onder een grote groep jongeren nodig. Daarbij werd tevens een groot aantal reeds gepubliceerde onderzoeken kritisch bekeken (hoofdstuk 3). In een volgend nummer van 'Opbouw' wordt beschreven hoe deze voorlopige en globale stelling name van mevrouw Jongsma scherper werd geformuleerd. Hoe heeft ze haar visie 'vertaald' in konkrete vragen aan jongeren?

Literatuur:
a Van het proefschrift van mevrouw P.E. Jongsma-Tieleman is een handelseditie verschenen bij uitgeversmaatschappij J.H. Kok in Kampen. Titel: Geloven; gewoonte of keuze (een onderzoek naar het effekt van godsdienstige opvoeding onder gereformeerde jongeren).
Het boek telt bijna 250 bladzijden en kost 45 gulden.
b Besproken in 'Opbouw'; 1988/ 18
c Zie 'Opbouw'; 1988/36
d Erik H. Erikson: De jonge Luther (Arbeiderspers Amsterdam, 1967)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief