Nieuw Atheïsme

2010-09-17
  • Jaargang 54
  • nummer 18
Onverminderd blijven theologen, wetenschappers en filosofen schrijven over de verhouding tussen geloof en wetenschap. In het boek ‘Nieuw atheïsme’ kruist de Rooms Katholieke hoogleraar theologie John Haught, die veel schrijft over evolutie, de degens met bekende hedendaagse atheïsten, zoals Dawkins, Harris en Hitchens. Zij en anderen staan bekend als ‘nieuwe atheïsten’. Het zijn vurige bestrijders van religie en vooral van het christelijke geloof. Probeerden de ‘oude atheïsten’ aan te tonen dat religie onwaar is, de nieuwe atheïsten proberen uit alle macht te laten zien dat godsdienst verderfelijk is.

Geloven is dom

Ook in het Nederlandse taalgebied vinden we deze nieuwe atheïsten. Te denken valt aan Paul Cliteur, de Vlaming Dirk Verhofstadt, Floris van den Berg en Midas Dekker. Iemand als Herman Philipse mijns inziens niet, omdat hij juist met filosofische argumenten het bestaan van God probeert te bestrijden.
Waarom worden deze atheïsten nieuw genoemd? Vooral omdat ze menen op grond van de evolutietheorie te kunnen bewijzen dat God niet bestaat. Bovendien richten zij zich veel meer op de uitwerking van de religies in de geschiedenis: geloof in God is de oorzaak van onnoemlijk veel kwaad in de wereld. Uit al hun geschriften blijkt bovendien een hartstochtelijke afkeer van geloof en ook verwijten ze gelovigen domheid.
John Haught probeert in zijn boek fundamentele denkfouten van Dawkins, Harris, Hitchens en ook Daniel Dennet aan te wijzen. Hij verwijt de nieuwe atheïsten op een fundamentalistische manier theologie te bedrijven en daarin lijken ze volgens hem op creationisten en aanhangers van intelligent design (p. 14). Een beetje kort door bocht vind ik. Haught bespreekt vijf belangrijke vragen die in elke discussie over atheïsme opduiken (p. 19).

De Godhypothese

Een van de belangrijkste vragen betreft het bestaan van God, waarvan de nieuwe atheïsten vinden dat het een hypothese is die met wetenschappelijke methodes weerlegd kan worden. Maar, zegt John Haught, Dawkins en zijn maten reduceren God in feite tot een eerste oorzaak onder een reeks van materiële oorzaken. Laten we dus blij zijn dat de nieuwe atheïsten deze Godhypothese onderuit halen, want wanneer God de conclusie is van ons denken dan zijn we bezig met een vorm van afgoderij (p. 80). Bovendien, zo vraagt Haught zich af, waarom zou het al of niet bestaan van God op wetenschappelijke wijze aangetoond moeten worden? Dat is puur sciëntisme, de vaak onuitgesproken overtuiging dat juiste en ware kennis alleen langs wetenschappelijke weg verkregen kan worden. Dat is een tunnelvisie die onhoudbaar is, omdat er vele andere bronnen van kennis zijn, zoals de ervaring, getuigenissen van andere mensen, enz.
Bovendien ligt er aan de basis van de wetenschappelijke zoektocht naar kennis toch een onuitwisbaar element van vertrouwen (p. 85) waarvoor de wetenschappelijke methode zelf geen rechtvaardiging kan geven. Want waarom zou de werkelijkheid überhaupt te begrijpen zijn? En waarom zouden onze verstandelijke vermogens betrouwbaar zijn? Zeker als men in aanmerking neemt dat ons denken het product is van toevallige evolutionaire gebeurtenissen (p. 88-89). Daarom meent Haught dat ook wetenschappelijke kennis gebaseerd op een vorm van geloof – een soort oervertrouwen dat de wereld kenbaar is en dat er juiste en onjuiste kennis bestaat (p. 86). Dat lijkt me in principe juist, maar toch gaat Haught mijns inziens te ver door te stellen dat zo’n vertrouwen in onze cognitieve vermogens op het zelfde niveau staat als religieus vertrouwen of geloof in een goddelijk mysterie (p. 86, 91). Waar het eigenlijk om gaat is dat ook de wetenschappelijke methode niet zonder onbewijsbare vooronderstellingen kan en Haught signaleert terecht dat Dawkins en zijn medestrijders de wetenschap verabsoluteren.

God lijdt mee

Haught schrijft helder over veel interessante onderwerpen, maar ik vind dat zijn omschrijving van God erg vaag blijft. In eerste instantie spreekt hij over Hem als de ultieme bestaansgrond (p. 90). Pas in het laatste hoofdstuk wil hij daaraan een christelijke invulling aangeven. Dan omschrijft hij onze Schepper als de God die uit liefde de kosmos vrijlaat in haar ontwikkeling. Hij ziet daarin de zelfontlediging van God, naar analogie met de menswording van Christus (Filippenzen 2:7). En dat betekent dat God in de geschiedenis van de zich evoluerende schepping met de wereld meelijdt. Meer over deze vorm van procestheologie is te vinden in zijn boek God After Darwin: A Theology of Evolution.

Al met al een pittig boekje met redelijk goed onderbouwde kritiek op de nieuwe atheïsten. Het is jammer dat hij niet meer geschreven heeft over de werkingsgeschiedenis van religies én van atheïstische ideologieën. Bij alle onzin die mensen als Dawkins, Hitchens en Harris naar voren brengen, hebben ze zeker een punt als het gaat om de vaak beschamende geschiedenis van o.a. de christelijke kerken en landen. Voor wie meer wil weten over het nieuwe atheïsme lijkt me dit een geschikt boek.

Haught, J. (2010), Nieuw atheïsme. Een kritische reactie op Dawkins, Harris en Hitchens. Kok, Kampen. 191p, € 19,90.

Dr. ing. Rolie Barth is sinds 2004 predikant na een lange loopbaan in het kernfusieonderzoek.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief