Twijfelen bij hulp

2010-07-30
  • Jaargang 54
  • nummer 15
Met alle respect voor de hulp die landen elkaar bieden bij rampen, roept elke crisis de vraag op hoe het zo ver heeft kunnen komen. Vaak zijn het dezelfde landen die om hulp vragen.
Veel van die landen liggen in Afrika.
De afgelopen halve eeuw is er aan overheidssteun door de regeringen in rijke landen in totaal meer dan een miljoen keer een miljoen euro overgemaakt naar Afrika. In haar vorig jaar verschenen boek Dead Aid vraagt de econome Dambisa Moyo zich af wat de motieven waren van de gevers en wat het effect was op de ontvangers.
Ze komt tot de conclusie dat de doorgaande internationale overheidssteun de problemen in Afrika niet oplost, maar vergroot.

Naoorlogse Hulp
Internationale financiële hulp kwam in de 20e eeuw op gang als antwoord op de economische crisis in de jaren ‘30, de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog en de dekolonisatie van het zuidelijk halfrond. In 1944, tijdens een internationale conferentie in Britton Woods, werd besloten tot de oprichting van de Wereldbank, het Internationale Monetaire Fonds en de Internationale Handelsorganisatie. De drie organisaties moesten zorgen voor een stabiele wereldeconomie.
Bovendien bood in de jaren 1948 tot 1952 het Marshallplan regeringen de mogelijkheid om van de Amerikaanse overheid geld te lenen voor het herstel van oorlogsschade.

Dekolonisatie
Na de dekolonisatie in Afrika, die rond 1960 op gang kwam, bleven veel Afrikaanse landen financieel afhankelijk van Amerika en Europa, die in Afrika economische (grondstoffen) en politieke (anti-communistische) belangen hadden. Afrikaanse landen kregen hulp bij het opzetten van industriële projecten, maar rond 1970 waren nog maar weinig van die projecten een succes.

Armsten van de Armen
In de zeventiger jaren, als gevolg van toenemend armoede, natuurrampen en sterk gestegen prijzen van olie en voedsel, verschoof het doel van de internationale hulp naar armoedebestrijding, hulp bij onderwijs, gezondheidszorg, huisvesting, wateren elektriciteitsbeheer en kleinschalige landbouw. Helaas had de humanitaire hulp weinig blijvende invloed op de armoede in Afrika. De achterdocht groeide dat de hulp vooral ten goede kwam aan Afrikaanse elites.
Westerse landen eisten van Afrikaanse overheden democratisch bestuur en bescherming van de vrije markt. Maar in de praktijk werden dergelijke eisen vaak genegeerd.

Donormoeheid
In het begin van de jaren ’90 veranderde de hulp aan Afrikaanse landen door het ineenstorten van de Sovjet Unie en door de vorming van de Europese Unie. De angst voor het communisme was geen reden meer om Afrikaanse landen te helpen. En door de bescherming van Europese landbouwbelangen werd de Europese markt vrijwel gesloten voor Afrikaanse landbouwproducten. Hulp aan Afrikaanse landen werd gebonden aan steeds strengere voorwaarden en verminderde geleidelijk, tot verontwaardiging van mensen die hulp aan Afrika gelijkstellen aan noodhulp.
Ondertussen wordt de afnemende geldstroom uit hetWesten aangevuld door China. De snelgroeiende Chinese economie heeft grondstoffen en handelscontacten nodig, Sinds de eeuwwisseling worden in Afrika in snel tempo nieuwe wegen aangelegd en oude treintrajecten hersteld met dank aan de Chinese overheid. In verschillende Afrikaanse landen bouwen Chinese bedrijven huizen, scholen en ziekenhuizen. Chinese bedrijven kopen mijnen en landbouwgrond zonder vragen te stellen over vrije markt, democratisch bestuur of milieueisen.
China werkt in Afrika en wordt met open armen ontvangen.

Grage Ontvangers
De vraag waarom de Amerikaanse en Europese overheidssteun aan Afrikaanse landen zo weinig blijvende positieve resultaten opleverde, wordt verschillend beantwoord.
Sommigen denken dat er iets mis is met de aard van het continent, inclusief de verleiding om de rijkelijk aanwezige grondstoffen gemakkelijk te verkopen. Anderen denken dat er iets mis is met de aard van de mensen in Afrika. Op hun beurt geven Afrikaanse schrijvers de schuld aan de geschiedenis, speciaal aan de periode van ruim een eeuw koloniaal bestuur.
Weer anderen wijzen op de problematische combinatie van traditionele overheidsinstellingen en moderne economische eisen. Moyo stelt dat het slecht functioneren van Afrikaanse staten het gevolg is van hun afhankelijkheid van internationale hulp. De voortdurende buitenlandse hulp werkt verlammend. Het doodt het initiatief van plaatselijke ondernemers en boeren en het steunt elites die zich meer zorgen maken om het binnenkomen van buitenlandse hulp dan om de middelen in eigen land. Bovendien is de internationale hulpverleningsindustrie een eigen leven gaan leiden. De gevers blijven graag geven en de ontvangers blijven graag ontvangen. De negatieve effecten liggen voor de hand: zorgeloosheid, nadruk op consumptie, toenemende inflatie, afnemende export, een onvermogen om binnenkomende gelden te besteden voor de bestemde doelen en een toenemende armoede.

Gezamenlijk gezonden
Het gaat Moyo in haar boek om voortdurende internationale overheidssteun, niet om kleinschalige liefdadigheidshulp of om speciale hulp bij rampen. Over de voortdurende overheidshulp stelt ze dat die niet leidt tot ontwikkeling en grotendeels niet terecht komt bij de armsten. Haar boek riep daarmee de woede op van mensen uit de ontwikkelingssamenwerking die het afdoen als ‘onjuist’, ‘oneerlijk’ en ‘vreselijk overdreven’.
Blijkbaar roept het boek pijnlijke vragen op, die je ook kunt stellen bij kleinere hulpverlenings- en zendingsprojecten. In de afgelopen halve eeuw volgden veel zendingsprojecten de trend van regeringsprojecten.
Uitzendende organisaties werden donoren en plaatselijke Afrikaanse leiders werden verantwoordelijk voor de uitvoering van projecten die betaald werden metWesters geld. Idealistische doelstellingen als woordverkondiging werden vervangen door beter meetbare doelen als kerkplanting. Een vooronderstelling is dat het Afrika ontbreekt aan financiële middelen, maar dat er sprake zou zijn van ontwikkeling: dankzij de buitenlandse hulp zou men in Afrika ook financieel onafhankelijk worden.
Moyo twijfelt aan de juistheid van die vooronderstelling en roept lastige vragen op. Zijn er in Afrika geen middelen om de eigen doelen te bereiken?
Hebben Europa en Afrika elkaar niets te bieden dan respectievelijk een gevulde en een lege hand? Zijn er geen gemeenschappelijke doelen om samen aan te werken? Of om de vragen kerkelijk te vertalen: zouden donorkerken zich niet eens moeten afvragen hoe het komt dat ze zijn opgeschoven van een positie van gezondene naar een positie van zender van financiële middelen?

Moyo, D. (2009), Doodlopende hulp. Waarom ontwikkelingshulp niet helpt en wat er wel moet gebeuren. Contact, Amsterdam. 270p. € 22,95.

Dr. M.J. de Haan is zendeling voor de NGK in Zuid-Afrika en uitgezonden door Kampen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief