Geloven; gewoonte of keuze (2)

1991-05-10
  • Jaargang 35
  • nummer 10
In het vorige nummer van 'Opbouw' werd ingegaan op de eerste twee hoofdstukken van het proefschrift van Mevrouw Jonqsma-Tieleman naar het effect van godsdienstige opvoeding onder gereformeerde jongeren.
De centrale vraag in het onderzoek is op welke wijze ouders een bijdrage kunnen leveren aan die geloofsoverdracht.

Woord vooraf
Het was de bedoeling om in deze aflevering dieper in te gaan op de resultaten van het onderzoek van mevrouw Jongsma. Bij nader inzien leek het mij beter om eerst aandacht te besteden aan twee kernbegrippen uit haar proefschrift: commitment en crisis. Ze ontleende deze thema's aan een invloedrijk amerikaans psychotherapeut: Erik H. Erikson. De beide aspekten spelen een centrale rol in haar manier van kijken naar de geloofsopvoeding.
Ze vormen ook een belangrijk kader van waaruit ze eerder verschenen onderzoeken heeft bestudeerd.

Commitment
Erikson noemt een godsdienstige overtuiging een vorm van ideologie.
Voor ons heeft een ideologie vaak een negatieve bijsmaak, maar dit is bij Erikson niet het geval. Ieder mens heeft, om tot een zelfstandig persoon uit te kunnen 'groeien, zo'n ideologie nodig. Het wordt op die manier voor de mens mogelijk om zich een samenhangend beeld van de hem omringende werkelijkheid te vormen (34). Zo zal een overtuigd christen in zijn kijk op de wereld sterk beïnvloed worden door zijn christelijk geloof. Het geloof biedt hem steun en hij herkent zich in dat beeld. Samen met andere christenen ontwikkelt hij een 'gemeenschappelijk gedeeld wereldbeeld'. Die gemeenschap, dat samen-beleven, is van groot belang voor de volwassenwording; het biedt steun, het geeft ruimte voor idealen. Mevrouw Jongsma gebruikt hierbij het woord 'commitment'.
Dat wil zeggen: er is sprake van binding, van overeenstemming.

Crisis
Naast binding is volgens Erikson een crisis nodig om tot een zelfstandig geloof te komen. Die crisis is noodzakelijk om los te komen van het geloof van de ouders en zich het geloof eigen te kunnen maken. Dit betekent: een fase van experimenteren, van zoeken, van overwegen.
Het geloof van de ouders moet aan de ene kant kinderen inspireren om zich (ook) aan te sluiten. Aan de andere kant moet ook de (ruimte voor een) crisis een plaats krijgen bij de overdracht van het geloof. De vraag die mevrouw Jongsma stelt is in hoeverré ouders kunnen bijdragen aan een geloofsoverdracht, die de kenmerken heeft van 'commitment' (binding) en van 'crisis' (45).

Vrijgemaakt-Gereformeerde jongeren
Om het theroretische kader van mevrouw Jongsma wat meer inzichtelijk te maken noem ik het onderzoek van Van der Ploeg en Wiersma onder jongeren binnen de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken (1982). Deze jongeren waren gemiddeld ongeveer 20 jaar oud; de meesten woonden nog thuis.
Het blijkt dat deze jongeren heel loyaal stonden tegenover de eigen kerkelijke gemeenschap. Zo antwoordde 85% ervan overtuigd te zijn dat men lid was van de goede kerk. De meeste jongeren gaan met plezier naar jeugdvereniging en catechisatie. Met andere woorden: de binding met de eigen kerkelijke gemeenschap is groot ('kerkelijk commitmenf.).
Slechts bij enkele vragen (bv. de plaats van de vrouw in de gemeente en de waarde van het huisbezoek) worden vaker kr.itische opmerkingen geplaatst.
Vrijwel ieder ander kerkgenootschap zal jaloers zijn op de binding die vrijgemaakt-Gereformeerde jongeren hebben met hun eigen kerkgenootschap.
Mevrouw Jongsma kijkt echter nog op een andere manier naar deze getallen. Want: is er ook sprake van een crisis? Het valt de auteur op dat de vrijgemaakt-Gereformeerde jongeren nauwelijks twijfel en kritiek uiten.
Men komt, in haar visie, niet eens aan een crisis toe. Zo leggen de meeste jongeren openbare geloofsbelijdenis af op een leeftijd waarin men in deze tijd nog niet aan een volwassen keuze toe is. Volgens mevrouw Jongsma heeft dit voor de psychologische ontwikkeling van deze jongeren negatieve gevolgen. Er zou meer sprake zijn van schuldgevoelens (de twijfel slaat naar binnen). Bovendien leert men niet om op een volwassen manier om te gaan met kritische vragen. Ze signaleert (negatieve) afweer tegen.
andere meningen, in plaats van (positieve) weerbaarheid ten opzichte van andere visies (66).

Kanttekeningen
Zijn de opmerkingen die mevrouw Jongsma plaatst bij deze onderzoeksgegevens terecht? Of kan haar interpretatie een gevolg zijn van 'overgevoeligheid' ten opzichte van de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken?
De uitkomsten van het onderzoek van Van der Ploeg en Wiersma geven inderdaad aanleiding om een aantal kritische opmerkingen te plaatsen.
Omdat mevrouw Jongsma benadrukt dat de crisis een wezenlijk onderdeel is van het leren geloven, is het m.i.
terecht dat ze vanuit die visie een aantal zwakke plekken in de geloofsopvoeding binnen de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken signaleert. Wel moet vermeld worden dat zij slechts is ingegaan op de resultaten van een onderzoek. De uitkomsten kunnen gekleurd zijn door de manier waarop vragen aan jongeren werden gesteld.
Men kan via dit onderzoek dus geen algemene konklusie over deze kerken trekken. Wie dat toch wil doen, zal zich ook moeten realiseren dat de gegevens van Van der Ploeg en Wiersma bijna 10 jaar oud zijn. Binnen de vrijgemaakt-Gereformerde kerken lijkt de vanzelfsprekendheid van het eigen kerkgenootschap de afgelopen jaren minder te zijn geworden. "Geloof en . kerk zijn lang niet meer twee zijden van een medaille. Er komt kritiek op het kerkelijk funktioneren. Als je let op wat mensen er in de kerk soms van bakken, dan kun je toch moeilijk meer in de ware kerk geloven?" (a).

Een eigen keuze
Het feit dat de geloofsopvoeding gericht is op het 'zich aansluiten' (commitment) is in onze kerken zondermeer aanvaard.
Het element van de crisis is veel minder gemeengoed. Is het werkelijk waar dat jongeren een crisis door moeten maken? (80) Kunnen we ze niet veel beter in een vast en duidelijk patroon opvoeden?
In een eerder verschenen artikel in 'Opbouw' werd een boek van Dr. William Sargant besproken (b). Hij noemt de wijze waarop christenen anderen proberen te bekeren een vorm van hersenspoeling. Die gedachte is terecht wanneer men het eigen menselijk denken probeert uit te schakelen.
Wie nooit de vraag heeft kunnen stellen óf hij wel lid is van de juiste kerk, heeft ook niet voor die kerkelijke gemeenschap kunnen kiezen. In de visie van mevrouw Jongsma: er is geen crisis geweest (het stellen van vragen) en dus is er ook geen volwassen keuze. Naarmate kinderen ouder worden, moeten ze leren om zelf mee te denken. Opvallend is dat in recente publikaties, zowel vanuit evangelische-, als vanuit reformatorische hoek, de vraag wordt gesteld of we jongeren hiertoe wel voldoende in de gelegenheid stellen (c).

Bekering
In onze kerken zijn we (terecht) beducht voor bekeringsgeschiedenissen.
De meeste leden kunnen ook niet aangeven wanneer ze een persoonlijke keuze gemaakt hebben. Het leren geloven was een geleidelijk proces.
Wie kijkt naar de meer plotselinge bekeringen ziet dat deze vaak verband houden met een crisis. Maakte Paulus niet een ernstige crisis mee, voordat hij zich daadwerkelijk omkeerde? En draagt de 'Pniël-geschiedenis' van Jakob niet de diepe sporen van een worsteling met zich mee? Mijns inziens draagt ook het meer langzame proces van het 'Ieren geloven' elementen met zich mee van een crisis.
Jongeren stellen veel kritische vragen, ze nemen afstand, kijken naar andere kerken en andere gelovigen, God lijkt vaak heel ver weg, de kerk totaal onbelangrijk.
Ze vragen zich af wat de kerk méér te bieden heeft. Uiteindelijk komen ze dan tot een eigen keuze. In de omschrijving van mevrouw Jongsma: een commitment, het ontstaan van een binding, na een crisis.

Hoe belangrijk is de crisis?
In sommige kerkelijke kringen is het niet ongebruikelijk dat men zegt dat een krachtdadige bekering absolute voorwaarde is voor een persoonlijk geloof. Wie niet kan spreken van een bepaald moment, is niet daadwerkelijk tot geloof gekomen.
Binnen de psychologie bestaat dezelfde eenzijdigheid. Aan de ene kant is men eenzijdig, omdat de crisis soms helemaal 'horizontaal' wordt bekeken: God is afwezig. Aan de andere kant is men eenzijdig wanneer de noodzaak van een crisis tevéél wordt benadrukt.
Inderdaad komt er een moment waarop jongeren zich de normen eigen moeten maken. De losmaking die hieraan vooraf gaat, gaat met momenten van crisis gepaard. Toch zal in de praktijk blijken dat de een veel sterker een crisis door maakt dan de ander.
Dat geldt ook voor het zelfstandig Ieren geloven.
Literatuur:

a Drs. W.G. van der Horst in: 'Wat geven wij de jongeren mee?' (blz. 24), GSEV-Reeks 19, De Vuurbaak, Barneveld,
1990. Zie Opbouw, 1990/22
b Bekering of hersenspoeling? Opbouw 1989/18
c Opbouw 1988/18 (Van Driel en Kole: reformatorisch); Opbouw 1990/4 (Geleynse; evangelisch)

• Het proefschrift van mevrouw P.E. Jongsma-Tieleman is verschenen bij uitgeverij Kok in Kampen.
Het heeft als titel: Geloven; gewoonte of keuze en kost 45 gulden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief