Zending
1991-05-10
B. Wielenga, Richmond - Jaargang 35
- nummer 10
De mens in de zending Inleiding
Onlangs werd in Zuid-Afrika een blanke ter dood veroordeeld, omdat hij zeven zwarten had vermoord. Voor de rechtbank verklaarde hij dat op grond van de bijbel zwarte mensen niet als mensen beschouwd konden worden, maar dat ze ergens tussen dieren en mensen in zaten. Hij had daarom geen religieus of moreel bezwaar gehad hen af te schieten als waren het dieren.
Inderdaad, als zwarte mensen zielloze schepselen zijn, dan is het verklaarbaar dat in het huidige gewelddadige klimaat in Zuid-Afrika met zijn blanke angst-psychosen en opgeklopt nationalisme verblinde mensen zwarten als dieren behandelen. En vele tienduizenden voornamelijk Afrikaners denken er zo over, en dat, volgens eigen zeggen, op grond van de bijbel. Dat bij hen dan ook geen animo voor zending onder zwarte mensen bestaat, spreekt vanzelf. Dat wordt overbodig geacht.
Er is zo een duidelijke relatie tussen het mensbeeld dat men heeft en de zendingsinzet. Die is inderdaad nul komma nul onder zulke blanken.
Opvallend trouwens hoe laat zending in Zuid-Afrika van de grond kwam: pas na 1790om precies te zijn! Hoe is dat verklaarbaar in een land dat zich van begin af aan (1653) christelijk heeft genoemd?
In dit artikel wil ik laten zien dat het beeld dat men van de zwarte mensen had, zendingswerk heeft belemmerd.
Een negatief mensbeeld is slecht voor zendingswerk. De vraag die we ons dus stellen is: hoe werden 'nietblanke' mensen in Zuid-Afrika sinds de dagen van van Riebeeck (1653) gezien? En welke gevolgen heeft dat gehad voor de opkomst en voortgang van de zending?
Historische terugblik
De eerste 'niet-blanke' mensen die van Riebeeck aan de Kaap tegenkwam, waren de Khoi - vroeger wel Hottentotten genoemd. En al was de VOC (de Verenigde Oostindische Compagnie) volgens het kontrakt dat ze met de regering in Holland had gesloten, verplicht om de gereformeerde religie te verspreiden (vergelijk ook NGB art. 36), tot aan 1790ongeveer was er in Zuid-Afrika van zendingswerk vrijwel geen sprake. De Khoi kwamen pas voor het eerst met de zending in aanraking via zendelingen van het Londense Zendingsgenootschap als van der Kemp, Philip en Read. En dan zijn we al diep in de tse eeuw. Waar lag dat gebrek aan zendingsijver bij de VOC maar ook bij de (Nederduits) Gerefomeerde Kerk nu aan? Zeker, onder haar slaven heeft de VOC wel iets aan kersteningsarbeid gedaan - ik kom er nog op terugmaar het was toch minimaal.
Vaak wordt gezegd, en dat wel terecht, dat de VOC als handelsonderneming niet zo erg geïnteresseerd was in zending. Men was om economische redenen aan de Kaap; en de dominees die aanvankelijk aangetrokken werden, waren er om de blanken te bearbeiden.
En ook al behoorde van oudsher tot het takenpakket van de predikant in de Gereformeerde Kerk zendingswerk, in de praktijk kwam daar weinig van terecht. Hielden economische redenen de VOC tegen om veel aan zendingsarbeid te doen, waarom kwam de kerk zelf er niet aan toe?
Vaak wordt het Calvinisme als zondebok aangewezen: de uitverkiezingsleer van het Calvinisme zou zending in de weg gestaan hebben. Maar ik zou hier toch het volgende tegen in willen brengen.
Het is nog maar de vraag hoe calvinistisch de Gereformeerde Kerk aan de Kaap was. Behalve remonstrantse invloeden onder de VOCtopambtenaren was er ook sprake van beïnvloeding vanuit de Nadere Reformatie onder de vrije burgers en boeren in het binnenland. In allerlei kerkbibliotheken in het binnenland zijn boeken van oudvaders als Brakel, Teelinck en zelfs Groenewegen aangetroffen.
Zo calvinistisch ging het er dus aanvankelijk niet aan toe aan de Kaap. Ook het Calvinisme van de Hugenoten die in 1688in Zuid-Afrika aankwamen, moet bepaald niet al te hoog worden aangeslagen; geen dordtse maar doodse orthodoxie voerde hier de boventoon, zo laat het meest recente onderzoek zien. Men kan moeilijk het Calvinisme tot zondebok maken van de dadeloosheid van de kerk op zendingsgebied. Het was er nauwelijks aan de Kaap.
Trouwens, juist de Nadere Reformatie in haar eerste fase bleek in Nederland zelf een vruchtbare voedingsbodem te zijn voor allerlei zendings-aktiviteiten (Voetius). Het is dan ook interessant de verbindingslijn te zien die er in de Nederduitse Gereformeerde Kerk getrokken kan worden tussen die Nadere Reformatie invloeden en de latere evangelische richting die door toedoen van Andrew Murray vooral tot stand kwam en die zich juist bizonder heeft ingezet voor de zending. Verder hoeven een calvinistische uitverkiezingsleer en zendingsarbeid elkaar niet te bijten; er worden nogal wat karikaturen getekend in de betreffende literatuur van de calvinistische visie op de predestinatie, vaak te wijten aan een gebrek aan kennis van theologische zaken.
De werkelijke reden achter het gebrek aan zendingsenthousiasme moet m.i. elders gezocht worden, namelijk in de visie die de blanken op de 'nietblanke' bewoners van Zuid-Afrika hadden. Men voelde zich als europeese christenen ver verheven boven die onbeschaafde heidenen. Op geen enkele manier werd vermenging met hen mogelijk geacht. Ook de doop van de enkele bekeerling die er was, gaf geen toegang tot de vrij gesloten christelijke gemeenschap, waar europese beschaving van meer belang werd geacht dan geloofsgemeenschap in de Christus. We moeten ons ook geen al te mooie voorstelling maken van het gehalte van geloofsleven bij voorbeeld in de Oost-Kaap of ook in Kaapstad zelf; algemeen wordt er gesproken van een treurig stemmend peil van geestelijk leven onder de blanken.
Deze europeese arrogantie werd nog versterkt door de economische belangen die men had. De Khoi, maar later ook zwarte stammen als de Xosa en de Zulu, werden voornamelijk als arbeiders gezien, waar men voortdurend een schreeuwend gebrek aan hadeen van de meest kenmerkende en vormende faktoren van de zuidafrikaanse geschiedenis.
De 'niet-blanken' werden economisch van belang geacht, maar verder waren ze van geen belang. Met harde hand werd het gezag over hen gehandhaafd; ze werden te vaak slecht en wreed behandeld. AI waren er hier en daar boeren die in hun huisgodsdienstoefeningen ook de Khoi, en hun slaven, betrokken - als ze al gedoopt werden, toegelaten tot de kerk werden ze tot in de tse eeuw niet. Doop van slaven kwam toch al weinig voor, omdat dat vrijlating zou betekenen volgens een besluit van de Synode van Dordt 1618-19,en dat was economisch natuurlijk niet in het blanke belang. De VOC heeft wel eigen slaven laten dopen, zij het hoofdzakelijk kleine kinderen en dat tegen plusminus 15 per jaar tussen 1665-1795.Maar ze werden nooit vrijgelaten; zo ver reikte het christelijke geweten niet. 'Nietblanken' waren eerst economische eenheden, en daarna pas, tot op zekere hoogte, mede-geloofsgenoten.
Trouwens, de boeren in het kaapse binnenland lieten maar hoogst zelden slaven dopen; grote zendingsijver is er onder hen niet te vinden geweest, net zo min als een goed ontwikkeld geestelijk leven.
Het laat zich verstaan dat men niet erg ingenomen was met de zendingspogingen onder de Khoi en de Xosa na 1795. In de Gereformeerde Kerk begonnen predikanten als H.R. van Lier en M.C. Vos hun evangelikale invloed uit te oefenen en zendingswerk aan te pakken; overzeese zendelingen kregen langzaam aan toestemming om hun werk te beginnen. Maar er was weinig positieve medewerking van de kant van de blanken, die in de zendingsinspanningen
een bedreiging zagen voor hun welvaart. Potentiële arbeiders ontrokken zich aan de arbeidsmarkt en gingen in zogenaamde zendingsdorpen wonen. Tussen 1795-1815bij voorbeeld werden duizenden Khoi christen. En dat was tegen het zere economische been van de boeren.
Wel is het zo dat de visie van de meeste zendelingen typisch evangelikaal was: men konsentreerde zich op de te bekeren ziel van de Khoi, zwartman of slaaf; men beperkte zich welbewust tot het geestelijke leven, en liet de socio-politieke situatie waarin men leefde onaangeroerd. Voor werkel.ijke verandering van de situatie waarin men leefde overeenkomstig bijbelse voorschriften, was over het algemeen weinig oog. De 'niet-blanke' werd als een levende ziel gezien die een eeuwige toekomst had, maar zijn voorlaatste toekomst viel buiten het denkraam van de toenmalige zendelingen en zo ook buiten de zendingsarbeid, hoeveel goeds verschillende zendelingen ook in dit opzicht gedaan hebben. Pas veel later kwam er verzet op tegen slavernij, kwam er oog voor gelijkheid voor de wet ongeacht ras of kleur - engelse invloeden trouwens die door een opkomend Afrikaner nationalisme werden
tegengestaan!
De vraag in hoeverre racisme al een negatieve invloed heeft uitgeoefend op de zendingsinzet van de blanken, laat ik hier rusten; het voert te ver en vraagt te veel ruimte om te beantwoorden.
Konklusie
Onze konklusie kan zijn dat zending de eerste eeuwen niet van de grond kwam in Zuid-Afrika als gevolg van de kijk die men had op de 'niet-blanke' mens: hij was primair een economische eenheid tot nut van de blanke.
Wat dat nut bedreigde, werd tegen gestaan. De zending zag hen als mensen naar Gods beeld geschapen, zij het dat hoofdzakelijk hun ziel aandacht ontving. Maar ook dat was aanvankelijk al voldoende voor vele blanken om zending tegen te werken; het vormde een economische bedreiging; al moet ook gezegd dat niet elke zendeling altijd met even veel takt te werk ging; zeker engelse zendelingen als Philip en Livingstone hadden een britsarrogante houding tegenover de Boeren, wat, onnodig, veel kwaad bloed zette.
Inderdaad, zendingswerk wordt bepaald door de visie die men heeft op de mensen die men wil bereiken. Hoe zending er komt uit te zien, wordt in belangrijke mate bepaald door het mensbeeld dat zij er op na houdt.