(Nog wel niet het laatste woord over) Israël (1)
1991-06-07
Representatie- Jaargang 35
- nummer 12
Opnieuw is ds. Houtman in de pen geklommen om het gesprek over Israël met mij voort te zetten. Het herkenbare en sympathieke van zijn tweede bijdrage is dat hij boven het menselijke redeneren en argumenteren uit wil komen en in ieder geval de grenzen daarvan wil aangeven. HET STAAT ER, en ook als we wat er staat niet met onze logika in overeenstemming weten te brengen moeten wij het toch maar laten staan. Wie zou voor deze bescheiden en vrome opstelling geen waardering opbrengen? Sterker, een christelijk gesprek behoort zich door deze onvoorwaardelijke eerbied voor het Geschrevene te kenmerken.
Door deze eerbied zijn we dan ook op het diepst met elkaar verbonden. Onze verbondenheid gaat trouwens nog verder, tot in het inhoudelijke toe, want wat kollega Houtman uit de Schrift naar voren haalt was door mij bestreden noch verwaarloosd. Ook ik had er immers aan herinnerd dat de genadegaven en de roeping Gods jegens Israëlonberouwelijk waren en zijn.
'Dus de beloften blijven gelden. het staat er'. schrijft Houtman. Precies.
daarover zijn we het hartelijk eens.
Het is nu evenwel de vraag wat voor konsekwenties daaruit voortvloeien.
Wanneer de apostel Paulus zegt dat God zijn volk niet verstoten heeft (volstrekt nietl, schrijft hij zelfs). dan acht hij eigenaardig genoeg zijn eigen toebrenging tot de kerk van Jezus Christus daarvoor het afdoende bewijs (Romeinen 11 : 1-2a). Let wel. hitzelf in zijn eentje is een bewijs voor Gods trouw aan het geheel van het volk! De apostel als enkele christen beschouwt nota bene zijn eigen behoudenis als een toereikend draagvlak voor de bewering: 'God heeft zijn volk niet verstoten dat Hij tevoren gekend heeft'. Paulus ziet dus zichzelf als een overtuigend blijk van de onberouwelijkheid van Gods genadegaven aan en roeping van Israël. hij alleen voor het geheel. Even verder in die passage verbreedt zich dat aantal van een tot zevenduizend. dat is waar. maar de konklusie vanuit die ene naar het geheel van het volk is dan al getrokken en de pointe van de hele perikoop (de verzen 1-10) valt dan ook als volgt te formuleren dat de redding en het behoud van een rest (ongeacht hoe groot of hoe klein die is. al was het er maar een) de stelling bewijst dat God met Israël geen gedane zaak heeft gemaakt en dat Hij zijn belofte ten aanzien van dit volk nakomt.
Het voltrekken van deze gedachte valt ons moderne mensen moeilijk. Wat ervoor nodig is is een sterk besef van wat vertegenwoordiging of representatie betekent. De bijbel heeft dat sterke besef. Om daar een voorbeeld van te geven: Anna de profetes uit de stam van Aser vertegenwoordigt haar stam en laat zelfs het hele tienstammenverband op het appèl verschijnen bij de geboorte van de Zaligmaker (zie Lukas 2: 36 e.v.). Wanneer men mij vraagt of ik ook nog een toekomst voorzie voor de tien stammen. antwoord ik nog wel eens met dit voorbeeld om aan te geven dat wij het rustig aan de Here kunnen overlaten zijn trouw ook aan Efraïm waar te maken. Maar hoongelach is dan mijn deel: die ene. dat zegt toch niets?
Begrijpelijk. Wie van ons voelt dat nog zo aan? Ons denken is daarvoor te individualistisch geworden. De vertegenwoordigings-gedachte lukt ons haast niet meer. Wat is bijvoorbeeld 'spreken namens'? Je kunt soms de onzin horen dat iemand namens zichzelf spreekt. Zulk vreemd gepraat is een gevolg van de vergruizeling en verkruimeling van wat vroeger gemeenschappen waren. We raken hier ook aan de krisis waarin de volksvertegenwoordiging zich bevindt. Niet speciaal onze volksvertegenwoordiging.
maar de volksvertegenwoordiging in het algemeen. Ze komt als we niet oppassen in de lucht te hangen.
want 'wij wenden ons een ieder naar zijn eigen weg'. naar het aandoenlijke woord van Jesaja (53 : 6). En trouwens.
loopt behalve de samenleving ook de kerk niet dit gevaar? Het is nu evenwel uit kracht van dit representatie-denken dat we in de kerk van Gods nooit gekrenkte trouw aan Israël zingen. ook wanneer wij slechts een betrekkelijk klein deel van de Joden in Jezus Christus zien geloven.
En zelfs wanneer het op het einde der tijden niet meer zal blijken geweest te zijn dan dit (kleine?) overschot.
dan zeggen we nog dat via die rest heel Israël behouden is geworden.
Wij hebben geen massale bekering van het oude volk nodig om Gods trouw te zien schitteren. Daarmee is de beslissing over de uitleg van de passage over het zalig worden van geheel Israël nog niet gevallen. dat geef ik graag toe. maar het feit dat zo'n volksbekering vanwege Gods trouw niet hoeft zou voor een ontspanning bij de exegese van die plaats kunnen zorgen. Ik heb vaak gemerkt dat de verklaring van Romeinen 11 : 26 inderdaad onder de druk staat van een verkeerd begrip van Gods verbondstrouw: gans Israël behouden. Deus 10 volt (God wil het)!
Aanneming tot zonen
We gaan verder. Kollega Houtman verwijt mij (maar nee. dat woord 'verwijten' past niet bij hem!) dat ik Romeinen 9 : 4 en 5 over het hoofd zie: 'Immers.
zij zijn Israëlieten. hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften; hunner zijn de vaderen en uit hen is. wat het vlees betreft. de Christus ...'. Mijn kollega herhaalt wat hij reeds in de eerste ronde had geschreven. 'Niet: zij waren. maar: zij zijn'; 'niet: hunner was. maar: hunner is'. houdt hij mij voor. Het geldt voor het Israël van vandaag nog allemaal. Nu. ik heb er geen moeite mee dat te erkennen.
Israël is en blijft de oudste broer in het huisgezin van God. Maar opnieuw. wat volgt daar nu uit? Dat wij de Joden onze broeders kunnen noemen? Mijn kollega leidt dat inderdaad uit Romeinen 9 : 3 af. maar als je ziet. wat daar staat: ...mijn broeders. mijn verwanten naar het vlees ...' dan heeft deze tekstverwijzing niet veel kracht. Paulus.
zelf Jood. stond tot het Joodse volk toch in een andere relatie dan wij.
Nee. ik zou naar een heel andere plaats willen verwijzen om aan te geven dat je met die aanspraak 'broeders' toch wel wat voorzichtiger moet zijn dan Houtman suggereert. Er zit aan de broederschap een meer objektieve en een meer subjektieve kant en je kunt tegelijk tegen de ene kant ja en tegen de andere kant nee zeggen.
Paulus verbiedt ergens (I Korintiërs 5 : 11) de Korintiërs strikt de omgang 'met iemand die al heet hij een broeder.
een hoereerder. geldgierige. afgodendienaar.
lasteraar. dronkaard of oplichter is'. Deze verwijzing is wat gênant. dat geef ik toe. Natuurlijk wil ik de Joden niet gelijk stellen met deze kriminelen. Ik hoop echt dat niemand mij daarvan verdenkt. Het gaat er mij alleen maar om dat bedoelde figuren die geestelijk mijlen ver van de gemeente afstaan. ondanks het feit dat zij objektief
gesproken de broedernaam niet verliezen.
in het subjektieve wel degelijk de broederlijke gemeenschap hebben verspeeld. Je hebt hier het geval dat de broederschap objektief aanwezig en subjektief afwezig is. Je kunt het ook nog anders zeggen: een broeder is iemand die tot hetzelfde huisgezin behoort of... heeft behoord. En die dubbelheid maakt dat je niet tegen elke broeder 'broeder' zegt.
'Hunner is de aanneming tot zonen. en dus zijn de Joden onze broeders'. zegt ds. Houtman. Maar daarmee loopt hij over het zoëven gemaakte onderscheid heen. En daarmee doet hij iets dat in ander verband voor typisch vrijgemaakt doorgaat. maar waar andere christenen zo hun twijfels over hebben. Ik denk nu aan de Christelijke Gereformeerden die ons nu al vijftig jaar lang over dit standpunt vragen stellen. Zij verdenken er ons immers van dat wij via de belofte van het verbond het kindschap Gods van de bondelingen binnensmokkelen. 'Hunner is de aanneming tot zonen', jazeker, maar een goed (christelijk) gereformeerd antwoord op Houtmans konklusie daaruit zou kunnen zijn dat willen de Joden iets aan die aanneming hebben zij die toch in geloof zullen moeten aannemen. Niemand immers wordt tegen heug en meug door Christus behouden. Wij Vrijgemaakten (onverschillig of wij nu de 'echte boter'-
verpakking of slechts een margarinepapiertje om het lijf hebben) zijn en worden wel eens van verbondsautomatisme beschuldigd. Zonder daarop hier nu in te gaan denk ik dat we reden (hebben ge) geven tot dit verwijt en dat wij er daarom verstandig aan doen op z'n minst goed naar deze kritiek te luisteren. En onszelf daarbij tevens de vraag te stellen of zo'n verbondsautomatisme ons misschien ook ten aanzien van Israël parten zou kunnen spelen. Ik denk hierbij trouwens niet eens meer aan ds. Houtman maar er zijn er onder ons die verder gaan dan hij. Het sympathieke van ds. Houtman is dat hij groot wil denken van Gods trouw, ook aan Israël. Wie zou hem daarin niet willen bijvallen? Die zevenduizend waar Paulus het in verband met 'het overblijfsel' over heeft (Romeinen 11 : 4 en 5), dat is toch eigenIjk een volheidsgetal? Met die 'rest' ben je toch al vlak in de buurt van 'heel Israël'? Het zou wel eens kunnen zijn dat ds. Houtman en ik in de praktijk niet eens zoveel van elkaar verschillen.
Een goed punt om het hierbij voor dit keer maar te laten. Volgende maal verder.