Ingezonden

1991-06-21
  • Jaargang 35
  • nummer 13
De kunst van het vertellen
In Opbouw 10 van 10 mei jl. besteedde mevr. M. Vrijmoeth-de Jong aandacht aan de laatste twee boeken van wijlen T.M. Gilhuis: Vertel mij toch ... en: Nu dan, luister.
Ik ben blij met de omvang van het artikel, want het onderwerp rechtvaardigt dat ruimschoots. Ook het artikel van mevr. Vrijmoeth in Opbouw 11 van 24 mei jl., over het vertellen, is mij uit het hart gegrepen. Hoewel ik het in grote lijnen met de schrijfster eens ben, betreur ik het dat zij de boeken Gilhuis niet aanbevelenswaardig acht.
Daarmee wordt geen recht gedaan aan de bewogenheid van deze man die het christelijke onderwijs zo vele diensten heeft bewezen.

Iedere vakman loopt de kans dat hij na jarenlange ervaring oog voor details verliest. Zo ook de beroepsverteller (de leerkracht basisonderwijs). Ik vertel bijvoorbeeld al jarenlang steeds dezelfde bijbelse geschiedenissen aan kinderen van 6-12 jr. Naast de Bijbel gebruik ik hoofdzakelijk 'Bij de bron' van dr. P. ten Have (uitg. Voorhoeve, Den Haag), dat m.i. als vertelstandaarwerk mag gelden, en in mindere mate boeken als van I. Snoek (Leerboek voor de bijbelse geschiedenis, uitg. Voorhoeve). Na vele jaren achtereen hetzelfde verteld te hebben, is het gevaar groot dat de vertelvoorbereidingen geminimaliseerd wordt, want je kent dat wat je gaat vertellen zo langzamerhand.
Wat was ik daarom blij toen ik vorig jaar van mijn klas (!) voor mijn verjaardag het eerstgenoemde boek van Gilhuis kreeg!
Het boeide mij van begin tot eind. Er staan veel dingen in waar ik bij mijn vertellingen nooit aan gedacht had.
Veel waardevolle, voor mij soms nieuwe gedachten. Natuurlijk ook zaken die ik nooit in mijn vertellingen zal verwerken - maar dat zal voor de meeste lezers van Gilhuis' boeken gelden: de toelichtingen en spiegelverhalen dienen ook niet gebruikt te worden als vervanging van de bijbeltekstze kunnen van pas komen daar waar jij vindt dat het goed en verantwoord is! Door vele passages ben ik aan het nadenken gezet en zullen mijn vertellingen m.i verrijkt worden. En was dat niet één van de hoofddoelen van Gilhuis bij het schrijven van deze boeken: het vertellen van de bijbelse verhalen stimuleren en nieuwe impulsen geven?

Graag zou ik dus toch een lans willen breken voor Gilhuis' boeken: een kritische instelling (denk aan de in Opbouw nr. 11 geciteerde doelstelling van Boerwinkel) mag uiteraard nooit ontbreken - maar God wil ongetwijfeld de nieuwe impulsen voor het doorvertellen van Zijn roemrijke daden zegenen!

Op deze plaats wil ten aanzien van dit onderwerp nog wijzen op een klein (maar fijn) boekje: Het vertellen - door W.G. van de Hulst, bewerkt door LA. Kole (uitg. Callenbach, Nijkerk, 96 p., f 14,95). Een must voor iedere beginnende verteller, maar ook zeer aan te bevelen voor hen die het vertellen al onder de knie (menen te) hebben!

Tot slot wil ik hieronder uit 'Schoolschrift' van de Unie School & Evangelie het 'Profiel van de nieuwe (christelijke) leraar' doorgeven, destijds geschrèven door drs. T.M. Gilhuis, en onlangs weer opnieuw gepubliceerd na zijn overlijden als een eerbetoon aan de man die altijd verwees naar zijn Vriend en Vader en zozeer bewogen was met het christelijk onderwijs en deze betrokkenheid zo treffend wist te uiten, o.m. in de volgende regels:

1. Hij is het die ons zijne vriendschap biedt (Psalm 103:5, berijmd).

2. De leraar zal zich derhalve ten opzichte van het kind niet te verticaal opstellen. Want zoals de Here God met Henoch wandelt, zoals een kind dat doet met zijn vader, zo behoort de docent met z'n leerlingen te wandelen.
En wandelen met iemand die verticaal boven je staat, doe je niet zo gauw. Je kijkt niet naar boven als je wandelt.
Dat zou storend zijn voor de intimiteit.

3. Het gezag van de leraar zal derhalve niet autoritair, niet heersend van aard zijn, maar dienend. Hij zal bereid zijn zich kwetsbaar op te stellen. De leerling mag hem observeren in zijn zwakke plekken. Daarom is de èchte leraar observabilis. Zijn gezag is pas gebaat als het getoetst wordt en als het de toets der gerechtigheid doorstaan kan.

4. De nieuwe leraar is uiterst vakbekwaam: verkoopt geen knollen voor citroenen, stuurt je niet met een kluitje in 't riet, zoekt naar aanleiding van de vragen van de leerling verder tot hij hem geheel beantwoord heeft. Bereidt zich nauwgezet voor en zal daarom ook correct, zorgvuldig en bij de eerstvolgende les na een proefwerk dat werk gecorrigeerd teruggeven.

5. De zwakke leerling (niet alleen in verstandelijke zin) heeft zijn éérste aandacht en zorg. Persoonlijke, pastorale begeleiding heeft hier prioriteit boven het aanbrengen van kennis.

6. Hij is rechtvaardig. Dat wil zeggen: hij doet wat je van een bondgenoot verwachten mag. Is bereid, steeds weer, rekenschap te geven van zijn werkwijze. In alle openheid (cijfers geven!). Hij en de leerling zijn gelijkwaardige partners.

7. In dit alles geldt voor de christelijke leraar dat hij Jezus volgt die dienend heerst. Christelijk onderwijs is navolgingsonder, wijs. Daarom is zo'n leraar bereid zijn hele hebben en houden te investeren in 'die Sache Christi', zoals die ook in een school met de bijbel wordt voorgestaan.

8. Daarom is hij zonder meer voorstander van christelijk onderwijs (zoals dat telkens weer geschiedt.
Want zo 'n onderwijs is niet een datum, een gegeven, maar een gebeuren).
Christelijk onderwijs bedoelt voor zo'n leraar te mikken op 'een waardenvaste opvoeding in een waardenloze wereld'.

9. Dan verstaat hij ook dat woord van C. Rijnsdorp: 'Een christelijke school kan nooit in en uit zichzelf christelijk zijn, al heet ze zo, indien ze niet gedragen wordt door christelijke persoonlijkheden ".

10. Ten slotte zal een christenleraar zich niet laten verleiden uit vrees voor het anders zijn, te vluchten in het éénder zijn. Want dan is hij als zódanig niet meer herkenbaar (Efeze 4:20 : "Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen").

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief