Pastorale notitie
1991-07-05
J. Kranenburg, Kampen ..- Jaargang 35
- nummer 14
Hoe hebben jullie 't gehad?"
U staat vast op het punt om met vakantie te gaan. Ik hoop dat ik u met dit stukje net nog bereiken kan, want over vakanties moet ik iets kwijt. Over verre vakanties vooral.
Vorig jaar ontmoette ik vrienden die net terug waren en ik stelde de vraag die in de nazomer alle Nederlanders elkaar stellen: "Hoe hebben jullie 't gehad?" Ik probeerde aan mijn stem een buiging te geven die intense belangstelling suggereerde. Dat lukte blijkbaar vrij goed, want hij kwam meteen los: "Geweldig", zei hij. "We hebben verrassende ervaringen opgedaan."
Het klonk zo geestdriftig dat ik echt benieuwd werd. Want hij is helemaal niet zo'n vakantiemens, ze moeten hem elk jaar weer meesleuren.
"Waar zijn jullie geweest?"
"In Zuid-Frankrijk."
Ach natuurlijk, dacht ik, stomme vraag.
Waar anders? Ik ben vergeten hoe het er precies heette. Iets met 'sur' en dan nog iets ervoor en erna. Dat leek mij heel aannemelijk.
"Was het er mooi?"
"Mooi?", vroeg hij. Hij keek of hij zich dat niet zo goed meer kon herinneren.
"Ja hoor, het was er best mooi. Nietwaar Mien?"
Mien is zijn vrouwen die beaamde het volmondig.
"Hoe was het weer?" vroeg ik.
"Het weer was ook goed. Kon zat slechter."
Het klonk allemaal een beetje alsof het er niet zo veel toe deed.
"Maar wat we beleefd hebben! Ongelooflijk!
Ga zitten dan zal ik je wat vertellen. "
Ik was nu echt nieuwsgierig.
"We waren laat in de middag op de camping. Hadden de hele zaak opgesteld en zaten onder de luifel wat uit te blazen. Ik zeg tegen Mien: "Kijk nou eens!" Komt er een Nederlandse caravan aan, recht op de lege staanplaats naast ons af. Wij brandden van nieuwsgierigheid wie we naast ons kregen. Je moet er tenslotte een paar weken mee leven. Je raadt nooit wie er uitstapten!"
Ik raadde het inderdaad niet.
"De familie de Ruiter!"
Wist ik wie de fami/ie de Ruiter was.
"Die mensen waar we zondags altijd achter zitten in de kerk, al twee jaar lang!"
"Ik wist niet dat die de Ruiter heten."
"Nee", zei hij, "wij ook niet maar we hebben natuurlijk meteen kennisgemaakt.
Zij herkenden ons ook meteen.
Koos en Truus zeggen we nu, want je kunt niet twee weken meneer en mevrouw zeggen als je op elkaars lip zit, dat snap je wel."
Ja, dat snapte ik best.
"En we hebben het twee weken lang enorm gezellig gehad met z'n vieren."
"Was hij echt zo eigenwijs? Want dat zei je wel eens."
"Eigenwijs?" zei hij, "helemaal niet.
Dat leek maar zo, aan z'n achterhoofd te zien als hij voor me in de kerk zat."
"En zij maakte altijd een stijve indruk op je", zei ik. "Stijf?" zei hij. "Man hou op, gelachen dat we hebben! We hebben gepraat tot diep in de nacht. Soms hebben we nog met z'n vieren zitten zingen!"
"Hij kon toch niet zingen?" zei ik.
"Niet zingen? Een stem als een klok heeft 'ie. Ze hebben ook drie kinderen, net als wij. En ze zaten met precies dezelfde problemen!"
Ik dacht bij mezelf: dat is een hele reis om elkaar van dichtbij te leren kennen terwijl het ook over de rugleuning van de kerkbank had gekund, twee jaar lang. Maar ik zei niets want dat zou niet aardig geklonken hebben.
"Volgend jaar gaan we weer", zei mijn vriend, "naar hetzelfde plekje. En met z'n vieren. Met Koos en Truus."
Wat ik u nu zo vlak voor de vakantie nog even wil zeggen, lieve lezers, dat is dat u ver van huis eens goed rond moet kijken of u bekenden ziet. De kans is groot! En maak dan eens een praatje. Grote kans dat het ver van huis van dichtbij ontzettend aardige mensen blijken te zijn.
Ik zeg niet dat het goed is voor de gemeenschap der heiligen. Dat is een woord waarmee ik wat zuiniger zou willen omspringen, maar het is wel goed voor de gemeenschap tussen heiligen en dat is ook een fijn verschijnsel.
Ik wens u veel verrassende ontmoetingen toe.