De betrouwbare dateringen van de bijbel (2)
1991-07-05
2.1 Een bijbelse chronologie stuitte lange tijd op grote problemen- Jaargang 35
- nummer 14
In het eerste artikel bleek dat de christelijke exegeten bijna algemeen tot de conclusie zijn gekomen dat de Schrift niet bedoelt ons ook chronologisch nauwkeurig te informeren over de feiten waarover zij spreekt. Nauwkeurige chronologische informatie zullen we met behulp van opgravingen moeten verkrijgen. Uit de Schrift zelf kunnen we niet precies weten wanneer bv. de uittocht van Israël uit Egypte of de intocht van Israël in Kanaän heeft plaats gehad. Hetzelfde geldt voor de andere belangrijke gebeurtenissen die de Schrift vermeldt. De conclusie van het eerste artikel was dat de visie van deze exegeten het gezag van de bijbel ernstig heeft aangetast maar ook dat hun visie niet was die van de voorgeslachten.
In het verleden beloofden Schriftonderzoekers dat Gods Woord ook chronologisch nauwkeurig en betrouwbaar is. Er zijn dan ook in het verleden allerlei pogingen gedaan de bijbelse gebeurtenissen in een sluitende chronologie onder te brengen.
Deze pogingen stuitten echter steeds op enige belangrijke onoplosbare problemen. De bijbel leek zich zelf tegen te spreken en wel zodanig dat met name in de periode van Abraham tot Jezus Christus een sluitende chronologie niet te verkrijgen was zonder hulp van buiten. Dat was een ernstige situatie. Die stand van zaken heeft dan ook zeer bijgedragen tot de conclusie dat een sluitende bijbelse chronologie niet mogelijk is en dat de Schrift die ook niet bedoelt te geven. Die conclusie tastte echter het gezag van het woord van God ernstig aan.
De gemeente Gods kan een betrouwbare bijbelse tijdrekening niet missen.
Ook de dateringen die de Schrift geeft zijn van God afkomstig. Als we niet goed weten wanneer iets gebeurd is, wordt vroeger of later het gebeurde onzeker. Diverse bijbelse gebeurtenissen zijn dan ook voor velen onzeker geworden. Er ontstond zgn. 'tijdloze' prediking, dat is prediking die in het midden laat op welke tijd een bepaald gebeuren betrekking heeft, maar dan ook moeilijk kan aangeven wat dat woord voor onze tijd te zeggen heeft.
Ook de ontstaanstijd van de bijbelboeken werd steeds onzekerder. Enz.
Daarom is het belangrijk dat het Schriftonderzoek is voortgegaan. Bijbelonderzoekers hebben nauwkeurig nagegaan welke bijbelse tegenstrijdigheden de pogingen tot een sluitende bijbelse chronologie te komen in de weg stonden. Aan het eind van de vorige eeuw heeft een Engelse Schriftgeleerde, dr. E.W. BULLINGER, dat met grote kennis van zaken gedaan.
Toen hij er in geslaagd was de belangrijkste tegenspraak weg te nemen, bleek de weg te zijn geopend voor een nauwkeurige bijbelse chronologie die alle door de Schrift gedateerde feiten zonder de hulp van buitenbijbelse bronnen ongekunsteld in een sluitende reeks van jaartallen wist te ordenen. In de Engels sprekende landen kennen velen die bijbelse chronologie van dr. E.W. BULLINGER uit de zgn. 'Companion Bibie' . Op het Europese vasteland is deze buitengewone bijbeluitgave veel minder bekend. Zij is een monument van Schriftqeloot, dat de hedendaagse christen verbluffende dingen uit zijn bijbel doet kennen. Het vaste beginpunt van de chronologie van dr. BULLINGER is de schepping van Adam, het vaste eindpunt is de geboorte van Jezus Christus. De tijdsperiode tussen het beginpunt en het eindpunt bleek 4000 jaar te zijn. Tot deze 4000 jaar was de geleerde aartsbisschop van het Noordierse Armagh, JAMES USSHER, die in de Westminster Abbey te Londen is begraven, reeds in de 17e eeuw gekomen. USSHER leefde van 1581-1656.Van de chronologie van dr. BULLINGER mag o.i. gezegd worden dat deze in de 1ge eeuw het geloof in de betrouwbaarheid van de bijbelse dateringen voor de christenheid heeft bewaard. Wij komen op de resultaten van zijn chronologie nog uitvoerig terug.
2.2 De moeilijkheden die overwonnen moesten worden
De bijbel geeft zoals we weten geen jaartallen, hij geeft slechts relatieve dateringen. Dat wil zeggen dat de Schrift een gebeurtenis dateert door deze in een tijdsrelatie te stellen tot een andere gebeurtenis. Zo lezen we in de geschiedenissen van Israëls koningen vaak dat iets gebeurde in het zoveelste jaar van deze of die koning.
Willen we een dergelijke relatieve datering van een jaartal voorzien dan is het nodig in de keten van gebeurtenissen zo ver terug te gaan of vooruit te gaan tot we stuiten op een gebeurtenis die we reeds betrouwbaar konden voorzien van een jaartal dat in verbinding staat met onze eigen Anno Domini tijdrekening. Het grote verbindingsjaar tussen de bijbelse jaartelling en de onze is het jaar 29, zijnde het jaar waarin Jezus Christus, de Heer, is gekruisigd. Aangezien Jezus op 33-jarige leeftijd is gekruisigd, weten we dat Hij in het jaar 29 minus 33 = 4 v. Chr. is geboren. Het merkwaardige feit dat in onze jaartelling Jezus 4 jaar voor zijn geboorte geboren is, houdt, zoals bekend en niet wordt bestreden, verband met een fout die in onze jaartetling is binnengeslopen. Onze jaartelling is afkomstig van de monnik Denys Ie Petit, iets meer bekend onder zijn Latijnse naam Dionysius Exiguüs.
Zijn jaartelling stamt uit het jaar A.D. 532, maar heeft eerst enige eeuwen later in de christenheid algemene toepassing gevonden. Zij bleek echter een fout te bevatten. Onze jaartelling loopt 4 jaar achter bij de feiten. Onder christenen bestaat daarover geen verschil van mening, hoogstens over de grootte van de fout, te weten of deze 4 dan wel 3 jaar moet zijn. Voor een goede bijbelse volgorde van gebeurtenissen is de fout niet van belang.
De 4000 jaar gelegen tussen de SChepping van Adam en de geboorte van Jezus wordt daardoor niet verkort.
Een bijbelse chronologie die aanvangt met 4 v. Chr. komt uit bij het jaar 4004 v. Chr. als het jaar waarin God de HERE Adam formeerde. In die tussenliggende 4000 jaar zijn alle in de Schrift gedateerde gebeurtenissen nauwkeurig onder te brengen, behoudens kleine overlappingen die kunnen ontstaan doordat we niet steeds weten in welk deel van een jaar een gebeurtenis heeft plaats gehad. Het 28e jaar van de regering van een koning kan reeds het 1e jaar van de regering van de volgende koning zijn. Ook is bij het invoegen van verschillende gebeurtenissen een kleine speling aanvankelijk niet te vermijden. Zij kan hoogstens een paar jaar bedragen. Naarmate echter meer jaartallen worden ingevuld worden deze spelingen nauwkeuriger.
Voor het opsteUen van een betrouwbare bijbelse chronologie is echter de gehele Schrift nodig, niet alleen het oude testament, ook het nieuwe testament.
In Hand. 13:20 geeft de apostel Paulus namelijk een belangrijke chronologische informatie die voor het bepalen van de Richterentijd onmisbaar is. Zonder die informatie, die we nog nader zullen bespreken, is een sluitende bijbelse chronologie niet mogelijk. De rabbijnen, die deze informatie van de apostel Paulus niet hadden, waren dan ook niet bij machte Israël in het bezit van een sluitende bijbelse chronologie te stellen. De informatie die de apostel Paulus geeft, leek echter lange tijd geheel in strijd te zijn met de gegevens die 1 Koningen 6:1 over de Richterentijd verstrekt.
Diverse bijbelse chronologieën wisten de informatie vervat in deze beide Schriftplaatsen niet met elkaar in overeenstemming te brengen. Zij lieten de mededeling van Paulus voor zijn rekening en baseerden zich alleen op de informatie uit 1 Koningen 6:1. Maar daardoor sloop er een grote fout in deze chronologieën, die allerlei con flicten opriep en ze van hun gezag beroofde. Met name door het schijnbare conflict tussen deze twee Schriftplaatsen zijn in onze tijd de meeste exegeten tot de conclusie gekomen dat een bijbelse chronologie niet mogelijk is. Dr. E.w. BULLINGER, die ook chronologisch bleef steunen op de betrouwbaarheid van de Schrift, slaagde er in de vermeende tegenspraak tussen 1 Kon. 6:1 en Hand. 13:20 op te heffen. Hij heeft laten zien dat beide Schriftplaatsen correct zijn.
Wij zullen het nog nagaan. De weg bleek gebaand voor een sluitende bijbelse chronologie.
2.3 De chronologieën van de oudheid
In het verleden heeft de mensheid zich reeds veel met zijn eigen geschiedenis bezig gehouden. Veel daarvan is verloren gegaan, maar toch is ook een en ander ons overgeleverd. De oudheid moest het echter ook in zijn chronologieën stellen buiten de kennis van de geïnspireerde Hebreeuwse geschriften die alleen Israël heeft ontvangen.
De oudheid kende derhalve het beginpunt van de geschiedenis van de mensheid niet. Zij was daarvoor aangewezen op sagen en mythen.
Daarom kan overgeleverde chronologische informatie van de oudheid ons geen vastheid geven. Opgravingen en papyri kunnen ons zeker belangwekkende informatie geven over de koningsgeslachten van Egypte, Babylon, Medo-Perzië, Griekenland en over de gebruiken van die volken, maar zij geven ons geen chronologische vastheid. Zij geven geen jaartallen die ons betrouwbaar in verbinding brengen met het begin van de geschiedenis van de mensheid. De dateringen van de oudheid staan niet in verbinding met de tijdrekening Gods, die alleen in de Hebreeuwse geschriften is te vinden en zij bevatten uiteraard ook geen jaartallen die ons in staat stellen gebeurtenissen van de oudheid in verband te brengen met onze eigen A.D. tijdrekening.
ISAAC NEWTON (1642-1727), de vermaarde natuurkundige, die ook een belangrijk Schriftgeleerde was, heeft daarop reeds gewezen in zijn 'Chronology of Ancient Kingdoms Amended'.
Hij wees er op dat Griekse chronologen de Griekse geschiedenis ca. 300 à 400 jaar langer hebben gemaakt dan zij is. Hij wijst er ook op dat de in Rome levende Griek PLUTARCHUS (geb. A.D. 46) de Griek HERODOTUS (Seeeuw v. Chr.) reeds beschuldigde nevelachtig met de chronologie om te gaan. En de geleerde Jood IMMANUEL VELlKOVSKY (1894-1979) laat in zijn oeuvre, dat de grondslagen van onze oudheidkundige geschiedschrijving zeer disputabel stelt, met o.l. indrukwekkende argumenten zien dat de Egyptische priester MANETHO (3e eeuw v. Chr.) de Egyptische geschiedschrijving ca. 600 jaar heeft uitgerekt om de Griekse overheersers te imponeren.
Daardoor is onze geschiedschrijving van de gehele oudheid, van Assyrië, Babyloniê, Perzië en Griekenland, die veel op die van Egypte steunt, in grote verwarring geraakt en kan ze de bijbelse gebeurtenissen niet vinden. Onze oudheidkunde, die deze fundamentele critiek uiteraard tracht te weerleggen, zal met het oeuvre van VELlKOVSKY, dat na zijn dood nog steeds niet volledig is gepubliceerd, nog veel te stellen krijgen. Niet dat VELlKOVSKY ons een sluitende chronologie zou kunnen geven. Hij staat sterk als hij de Joodse Tenach raadpleegt, maar het N.T. blijft buiten beschouwing en zonder dat zal het niet gaan. Wel kon hij in de Egyptische geschiedenis met sterke argumenten de exodus van Israël aanwijzen als ook de koningin van Scheba. Enz. enz.
Als belangrijke chronologische bronnen van de oudheidkunde zijn te noemen de zgn. 'Assyrische koningslijst' die geacht wordt de namen te bevatten van de Assyrische koningen die mogelijk geleefd hebben in de periode tussen Rehabeam en Josia. Een dergelijke gebrekkige lijst moet echter door mensen van jaartallen worden voorzien.
Het probleem is: aan de hand waarvan? Dat geldt ook voor de zgn. 'Canon van PTOLEMAEUS' (ca. 150), een Egyptisch astronoom, die een lijst geeft van Babylonische, Perzische, Griekse en Romeinse regeerders die geleefd moeten hebben in de periode 750 v, Chr. tot ca. 150. PTOLEMAEUS zocht zijn vaste punt voor zijn dateringen in een toch weer in de lucht hangende berekening van het jaar van de 1e Griekse Olympiade (Olympische spelen), die om de vier jaar gehouden werd. Uit deze tweede eeuw na Chr. stamt waarschijnlijk ook het Joodse chronologische werk 'Seder Olam' (orde der eeuw). Om ons hiertoe te beperken. Er is over deze chronologieën uiteraard veel meer te zeggen.