Hoe spreekt God tot ons in de bijbel? (2)

1991-07-05
  • Jaargang 35
  • nummer 14
Eerbiedige luisterhouding
De eerste opmerking over onze houding, hoe we met deze vragen omgaan.
In die houding zijn denk ik twee of drie elementen noodzakelijk. In de eerste plaats is dat geloof, de houding die ik in het eerste deel van mijn verhaal heb duidelijk gemaakt: het staan in de relatie tot God, met eerbied luisterend.
God spreekt tot ons door mensen, maar het is God die spreekt en daar hangt onze relatie met God van af. In de tweede plaats is openheid nodig. Dat de Bijbel het Woord van God is, geeft niet van tevoren antwoord op alle vragen hoe de Bijbel het Woord van God is. Er is dus een houding van openheid nodig om te kijken hoe de Bijbel zichzelf geeft, hoe God mensen gebruikt. Wat dat betreft, als ik even terugkom op de vragen die door wetenschappelijk onderzoek zijn opgekomen, veel van wat daarin naar voren wordt gebracht, heeft niet als achtergrond de geloofshouding, de eerbiedige omgang met de Bijbel als een Woord van God door mensen. Tegelijk, als we die ongeloofshouding radicaal afwijzen, betekent dat niet dat een dergelijk onderzoek niet dingen naar voren brengt, naar boven brengt in de Bijbel zelf, waar we niet zelf ook aandacht aan zouden moeten geven. Alsof de ongeloofshouding voldoende zou zijn om te zeggen: we hoeven met de resultaten ervan geen rekening te houden. Voor zover die echt voortkomen uit die ongeloofshouding is duidelijk dat dat kan, voor zover er serieus naar de Bijbel, als boek, is gekeken, kunnen we ons niet zomaar van die resultaten afmaken, zullen we er eerlijk mee moeten omgaan.

Twee redenen de vragen te bespreken
Een tweede opmerking. Soms wordt gezegd: moeten we ons wel met dit soort vragen bezighouden? Daarbij gaat het natuurlijk niet zozeer om praktische vragen - rondom de vrouw in het ambt, het is duidelijk dat we ons met die vraag bezig moeten houdenmaar om de meer wetenschappelijke kant. Leidt dat niet tot verwarring en wordt dan de aandacht niet van de hoofdzaak afgeleid?
Ik zou daar dit op willen zeggen: inderdaad, in het omgaan met deze vragen zal voorzichtigheid en zorgvuldigheid in het oog moeten worden gehouden en worden betracht, maar we zullen niet om die vragen heen kunnen. Er zijn denk ik ruwweg twee redenen ervoor aan te geven: De eerste reden ligt in wat je zou kunnen noemen intellectuele integriteit. Predikanten, theologen, maar ook anderen die om wat voor reden dan ook zich met die kanten van de Bijbel bezighouden, zullen hun ogen niet kunnen sluiten voor wat ze tegenkomen en als het vragen oproept zullen die vragen onder ogen gezien moeten worden. In dit verband vind ik nog steeds heel boeiend de wijze waarop de grote gereformeerde dogmaticus Herman Bavinck in zijn Gereformeerde Dogmatiek (Bavincks gereformeerd-zijn is denk ik onbetwist) omgaat met deze vragen. Bavinck zegt enerzijds duidelijk: ik houd vast daaraan dat de Bijbel het Woord van God is. Hij blijft staan in de geloofshouding.
Tegelijk erkent hij dat er in het wetenschappelijk onderzoek van zijn tijd dingen naar voren gekomen zijn die de gangbare voorstelling van de Bijbel als Woord van God aantasten en hij laat dat probleem staan als een scherp probleem zonder dat hij daar een oplossing voor heeft. Hij neemt het probleem serieus. Intellectuele integriteit, het serieus nemen van de vragen die er zijn, is denk ik iets dat voor christenen wezenlijk is, want het hoort tot de waarachtigheid waar de Bijbel zelf over spreekt.
De tweede reden, niet los daarvan, is pastoraal. Want deze vragen raken niet alleen de vakmensen, zij raken ook de gemeente.
Ik weet niet of u die autobiografische schets van Maarten 't Hart ooit gelezen hebt. Wat mij daarvan is bijgebleven is dat hij schrijft te zijn opgevoed in een heel kerkelijk gereformeerd milieu, waarin de Bjbel voortdurend als heel onproblematisch is voorgesteld.
Hij leeft daarin mee tot hij op een gegeven moment iets leest over wetenschappelijk onderzoek. De vragen die er zijn, de andere benadering die wordt gevolgd. En toen voelde hij zich diep bedrogen door de kerk. Dat heeft met intellectuele integriteit te maken, maar ik denk dat we ook pastoraal als kerk moeten oppassen dat we ons niet isoleren van wat er in de samenleving om ons heen aan de orde is.
En het is niet alleen Maarten 't Hart die daar mee te maken heeft. Het zijn de leerlingen op middelbare scholen, het zijn studenten in het hoger onderwijs.
Zij komen met een volstrekt andere benadering van allerlei dingen in aanraking. En dan kan het zijn dat er een volstrekte kloof is tussen de wereld waarmee ze dan in contact komen en de wereld die ze vanuit de kerkelijke gemeente hebben meegemaakt.
En ik denk dat het wezenlijk is dat jongeren, maar ook ouderen, in zo'n situatie geleerd hebben te onderscheiden tussen vragen waar je verschillend over kunt denken, waar onderzoek en argumenten beslissen, waar je niet a priori een bepaalde mening hoeft te hebben, zonder dat die vragen daarmee onbelangrijk zijn, èn vragen die beslissend zijn voor het geloof.
Om een voorbeeld te geven, in verband met Genesis 1 en 2: beslissend is dat wij mensen niet als mens in het universum staan, een wereld die zich door tijd en toeval of door wat dan ook heeft ontwikkeld, maar dat we als mensen staan in de schepping van God. Dat is beslissend. Niet hoe oud de aarde is, hoe de schepping, de wording in de tijd tot stand gekomen is, dat is niet beslissend voor het geloof.
Ik denk dat het wezenlijk is dat jongeren, dat de gemeente dat leert te onderscheiden.
En om iets te zeggen over het probleem waar onze kerken op dit ogenblik mee bezig zijn en waarover duidelijk verschillend gedacht wordt - de vrouw in het ambt -: wezenlijk is niet, Bijbels gezien - althans dat is mijn overtuiging - hoe je daar verder ook over denkt, of het kan, een vrouwelijke ouderling, diaken, predikant - ik ga nu wat verder dan de discussie in onze kerken - maar wezenlijk is dat we als man of vrouw, schepsel van God, geroepen zijn de wil van God te zoeken en zo heilig te leven. Dat is bes.lissend.
Ik denk dat het wezenlijk is dat duidelijk wordt waar de geloofsbeslissingen vallen en dat daarvanuit , vanuit dat uitgangspunt, een weg gezocht wordt.

Samengevat: wezenlijk is dat we ons niet onnodig vervreemden van de tijd waarin we geroepen zijn gemeente te zijn. Dat geldt naar binnen en dat geldt ook naar buiten. Je zou kunnen zeggen: ook dit heeft te maken met de Joden een Jood en de Grieken een Griek zijn terwille van het evangelie (waarbij ik mij realiseer dat dat soms ook risico's met zich mee kan brengen).

Een relatie is concreet in een situatie
De volgende drie opmerkingen geven de richting aan waarin ik zelf een antwoord zoek voor de spanning die zich hier kan voordoen. God spreekt door mensen in een bepaalde tijd en het is GOD die spreekt, de Zender, Spreker achter de boodschapper.
In de eerste plaats, juist wat ik benadrukte in het eerste deel van mijn verhaal, dat het gaat om het leven in de relatie met God, betekent dat het spreken van de Bijbel te maken heeft met de concrete situatie waarin wij leven. Leven in een relatie gebeurt in de concrete omstandigheden van ons bestaan. Binnen de horizon van onze eigen tijd, van ons persoonlijk leven.
Dat zou kunnen betekenen, dat als ik kijk naar de geschiedenis die het Oude Testament bestrijkt, dat inderdaad soms die geschiedenis geschreven of verteld wordt vanuit het perspectief van de tijd waarin het boek tot stand gekomen is. Het is duidelijk dat een boek als Kronieken, om maar een voorbeeld te geven, ontstaan is na de ballingschap. Daar begint het zelfs mee. Als dat de actuele situatie is van
waaruit het boek geschreven is, zou dat dan geen betekenis kunnen hebben voor de wijze waarop de geschiedenis wordt beschreven? Omdat die geschiedenis wordt beschreven, ja inderdaad ook omdat God in die geschiedenis gewerkt heeft - de concrete situatie staat niet los van heel de tijd, er is gedenken en verwachten - maar toch, het gaat niet om objectieve feitenbeschrijving, het gaat om het verstaan van de geschiedenis in verband met het kennen en dienen van God in de eigen situatie.
Misschien zou ik, om kort aan te duiden wat ik bedoel, kunnen wijzen op de wijze waarop schilders in de middeleeuwen de Bijbelse verhalen schilderden.
Die deden dat niet in een poging om zo 'historisch betrouwbaar' mogelijk de klederdracht en de historische omstandigheden aan te duiden, nee, ze deden het door de verhalen in de context van de eigen tijd te plaatsen.
In de eigen klederdracht om de eigen betrokkenheid daarmee duidelijk te maken. Dat zou waar het om gaat in die geschiedenis en onze betrokkenheid daarbij wel eens veel beter tot zijn recht kunnen laten komen dan wanneer geprobeerd was in onze moderne zin zo precies mogelijk aan te geven hoe alles precies gebeurde.
Dat schept een afstand, waardoor juist waarom het gaat weleens op de achtergrond zou kunnen raken.

Mogelijkheden en beperkingen van concrete mensen
De vierde opmerking is een tweede element van de richting van waarin ik de oplossing zoek. God spreekt door mensen. Ook dat heeft te maken met de concrete situatie waarin we leven en waarin God tot ons spreekt. Concrete mensen geven mogelijkheden én beperkingen wil het woord echt in de situatie functioneren.
Wat betreft die mogelijkheden: laat ik een paar voorbeelden noemen.
God spreekt tot Israël door de profeet Hosea. U kent wellicht de eerste hoofdstukken uit het boek Hosea. De profeet moet een vrouw van twijfelachtige achtergrond nemen. Een tempelprostituée.
Het is zeker niet gemakkelijk geweest voor Hosea in zo'n huwelijksrelatie te leven. Met dat huwelijk moest Hosea aangeven voor Israël hoe de relatie is van Israël naar de Here God. U kunt zich voorstellen dat als Hosea vanuit zijn e.igen concrete situatie dit zegt naar Israël, hoe diep geladen zijn woorden dan worden. Hij wordt met zijn eigen persoonlijke beleving ingeschakeld om het Woord van God te brengen, opdat het niet zou klinken als een objectief feitelijk woord, maar opdat klemmend en indringend het diep pijnlijke ervan bij Israël overkomt.
Een ander voorbeeld is de profeet Jeremia. Jeremia heeft, dat blijkt al in het eerste hoofdstuk, vooral een boodschap van oordeel moeten brengen.
Als wat hij moet zeggen, getypeerd wordt, komen er eerst vier woorden voor oordeel en dan twee woorden voor herstel en belofte. Jeremia, dat blijkt uit het hele boek, had een zeer kwetsbaar karakter. Waarom kiest God iemand met zo'n kwetsbaar karakter om zo'n harde boodschap te brengen?
Ik denk opdat in de wijze waarop Jeremia zijn boodschap brengt, duidelijk wordt hoe kwetsbaar God zelf daarin is. Als Hij een boodschap van oordeel laat brengen - en dat ook gaat uitvoeren - over het volk dat Hij heeft uitgekozen, wordt het karakter van Jeremia in het brengen van het Woord van God ingeschakeld. Dat komt niet in mindering op het Woord van God, nee, het is juist instrument, het verwijst naar iets van God zelf.
Een derde voorbeeld is Paulus. Paulus met zijn levensweg, die de gemeente vervolgd heeft en die, denk ik, juist daardoor begrepen heeft wat genade is en hoe diep genade het evangelie van Jezus Christus bepaalt. En zo zou ik door kunnen gaan. De concrete mensen met hun levensverhaal gebruikt God juist om het persoonlijke van de relatie van Hem tot ons te laten horen, die te laten doorklinken. Maar er zijn natuurlijk ook beperkingen. Als God mensen zo concreet gebruikt, dan is daar ook de horizon van hun kennis, hun wereldbeeld. Misschien zelfs soms hun ethische opvattingen, of hun idee van oorlogsrecht.
Het is niet verwonderlijk dat wij moeite hebben met de wijze waarop Israël oorlog gevoerd heeft en de wijze waarop dan gesproken wordt van overwinningen die God geeft. Ik wil niet zeggen dat God die overwinningen niet heeft gegeven, het gaat me erom dat in het spreken daarover in het bijbelse verhaal misschien toch wel de horizon van de tijd meespreekt.

Dus, met de concrete situatie zijn ook beperkingen gegeven. En daar sluit mijn derde punt - dat is mijn vijfde opmerking - bij aan.
Wezenlijk voor het goede gebruik van de Bijbel, het luisteren naar de Bijbel als het Woord van God, is, denk ik, dat we de Bijbel niet op zichzelf zien, maar zoals dat in Psalm 119 staat: als een licht op ons pad en een lamp voor onze voet. Dat wil zeggen, bij dat licht kijken we naar de werkelijkheid. Om het heel scherp te zeggen: wie een weg gaat en daarbij in het licht kijkt, zal niet ver komen. Als je een weg gaat, zul je naar het pad moeten kijken bij het licht dat je hebt. En dan is het belangrijk dat hier niet eens gesproken wordt van het licht als zonlicht, waarbij alles overduidelijk is, maar van een lamp. Dat is dan niet een schijnwerper waarbij alles in het volle licht wordt gezet, maar een olielampje.
Daarbij zie je een paar meter van het pad dat je moet gaan. Dat betekent, daar gaat het me om, dat we als we luisteren naar de Bijbel als het Woord van God we tegelijk nauwkeurig op de werkelijkheid moeten letten. De werkelijkheid die Gods schepping is en die juist in het licht van de Schrift weer als zodanig herkend kan worden.
Maar zou dit niet betekenen dat bijvoorbeeld het antwoord op de vraag hoe in de tijd dingen tot ontwikkeling zijn gekomen, dat dat niet iets is dat het licht zelf probeert te vertellen maar dat we in het licht van de Schrift dat de Bijbel Gods schepping is, onderzoek mogen doen en dat dan ons wereldbeeld legitiem kan veranderen zonder dat - indien dat verandering betekent ten opzichte van het wereldbeeld van de Bijbel - dat Bijbelkritiek is. Als dat zo is, kunnen we dan niet wat vrijmoediger staan tegenover de Bijbel?
Gen. 1 spreekt van de wateren boven het uitspansel: Ik denk, maar ik ben geen deskundige, dat dat te maken heeft met het wereldbeeld van die tijd.
Maar het serieus nemen van Gen. 1 als het Woord van God betekent toch niet dat we dat op de een of andere manier moeten inpassen in ons eigen wereldbeeld, alsof we de kennis die we nu hebben opzij zouden moeten zetten? We kunnen toch rustig erkennen: dat is gesproken vanuit de horizon van die tijd?

Waarom door mensen?
Tot slot: Waarom spreekt God door mensen? Laat ik daar drie dingen van mogen zeggen.
Misschien wel in de eerste plaats juist vanwege het persoonlijke van Gods betrokkenheid en van onze betrokkenheid zoals God die wil. Ik wees op Hosea, Jeremia, Paulus. Opdat we met ons leven antwoorden en dan ook vanuit ons leven dat woord weer kunnen doorgeven. Zelf ermee bezig zijn als Hosea, zoals Jeremia, in onze situatie. Omgaan met God en van daaruit het woord doorgeven naar anderen. Zoals Petrus het in het algemeen schrijft: woorden spreken als van God. Omdat we geschapen zijn naar het beeld van God en God zo ook weer door ons tot anderen wil spreken.
Is het niet dat element waarom God door mensen spreekt?
Een tweede. Er zijn bepaalde passages in de Bijbel die erop wijzen dat we het ook niet aan zouden kunnen als God rechtstreeks tot ons zou spreken.
Een voorbeeld daarvan is Ex. 20, als God met de tien geboden komt. Dan spreekt God rechtstreeks tot Israël en Israël kan het niet verdragen. Het is te zwaar, te overweldigend. En dan zeggen ze tegen Mozes: Laat God door u tot ons spreken. Dat klinkt in die situatie niet als een tekort van Israël, maar als een besef van het overweldigende van God. Zouden wij dat aankunnen, als God met het gewicht van Zijn woord zo tot ons zou spreken? Hebben we niet de weg nodig zoals Hebr. 1:1 die aanwijst: Vroeger en op verschillende wijze door de profeten en nu in het laatst door de Zoon, die mens geworden is?
En dat leidt me tot een derde. Ik vraag me af - ik zeg het voorzichtig - of God niet deze weg met ons gaat, omdat we eerst de geschiedenis nodig hebben om Hem te leren kennen, voordat we van aangezicht tot aangezicht Hem kunnen ontmoeten, het perspectief zoals dat heel duidelijk in het Nieuwe Testament naar voren komt. Daar gaan we naartoe. Heeft God de mens van het begin daar niet op aangelegd?
Maar is het niet zo, ook afgedacht van de zonde (als ik zo even mag speculeren), dat de mens eerst een weg moet gaan om dat aan te kunnen? Zoals twee mensen eerst elkaar moeten leren kennen, voordat ze samen kunnen gaan leven. Hebben wij als mensen niet die weg nodig - dat we God eerst in Zijn hart hebben gezien, zoals Hij dat in Jezus Christus heeft getoond - voordat we van aangezicht tot aangezicht met Hem kunnen omgaan?

1 Bovenstaand referaat is van de band af uitgetikt door A. Rietveld-Oostenbrink; de stijl van het gesproken woord is daardoor gehandhaafd.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief