Geloven: gewoonte of keuze (5)
1991-07-19
Een aantal weken geleden werden de uitkomsten van het onderzoek van mevrouw Jongsma- Tieleman over het effekt van de geloofsopvoeding vergeleken met de gegevens uit 'Het Lege Testament' van Piet van der Ploeg.- Jaargang 35
- nummer 15
Het was de bedoeling dat dit het laatste artikel van de serie moeten zou zijn, maar bij nader inzien is die laatste (te) lange aflevering toch weer gesplitst.
In dit nummer wordt de schijnwerper nog eens geplaatst bij enkele konklusies die mevrouw Jongsma in haar proefschrift trekt.
Over twee weken volgt dan de slotkonklusie.
Verschillende groepen
In de uitkomsten van haar onderzoek maakt mevrouw Jongsma onderscheid tussen verschillende groepen jongeren (141 e.v.). De lijn loopt van jongeren die zich niet verbonden voelen met de kerk en over geloofsvragen ook niet meer nadenken, naar jongeren die kerkelijk betrokken zijn en over geloofsvragen nadenken. De uitkomsten bij jongeren die zich niet bij de kerk betrokken voelen komen voor een groot deel overeen met de gegevens uit het onderzoek van Piet van der Ploeg. Vaak hebben deze jongeren van hun ouders de indruk dat ze ook weinig betrokken waren bij de godsdienst.
Sommigen zagen bij de moeder dat het geloof inhoud had, maar ze misten vooral bij de vader het doorwerken van de godsdienstige opvattingen in het leven van alledag. De ouders waren 'liberaler' in hun standpunt over allerlei controversiële standpunten (bv. abortus, samenwonen, wonen in een kraakpand). Ook was de zondagsheiliging voor deze ouders een minder belangrijk onderwerp. Deze jongeren hebben weinig positieve ervaringen met de kerk en minder vaak kerkse vrienden.
Een andere groep jongeren ziet juist wel dat het geloof van hun ouders doorwerkte in het dagelijks leven.
Opvallend is dat er thuis niet veel over de godsdienst werd gesproken, maar kennelijk was de invloed van het geloof wel voelbaar. Ze schrijven aan de ouders een positieve invloed toe op hun godsdienstige ontwikkeling en dan vooral aan de vader.
Tenslotte is er nog een groep jongeren die veel nadenkt over het geloof en er ook aktief mee bezig is. Ze zijn positief over het geloof van hun ouders, en over de kerkgang. Ze vertellen ook dat hun vrienden een positieve invloed hadden op hun eigen geloofsleven.
Geen rechtstreeks verband
Het gaat bij het onderzoek van mevrouw Jongsma 'uiteraard om de grote lijnen. Je kunt niet zeggen dat, als een kind niet meer naar de kerk gaat, het geloof van de ouders dus niet voelbaar was. Mevrouw Jongsma plaatst bij het mogelijke verband tussen de 'kwaliteit van de geloofsopvoeding' en het zelfstandig leren geloven van kinderen dan ook relativerende opmerkingen.
"We zullen voorzichtig moeten zijn met konklusies over een rechtstreeks verband tussen de godsdienstige betrokkenheid van ouders en kinderen"
(153). Ze stelt op dezelfde pagina een vraag die mij bij het lezen van het boek ook steeds door het hoofd speelde: "in hoeverre zullen kerkelijke kinderen een positiever beeld van de geloofsopvoeding geven dan kinderen die niet meer geloven?" Wie gesprekken heeft met kinderen uit één gezin, zal het soms opvallen dat het ene kind de kerk en het geloofsleven binnen het gezin totaal anders 'waardeert' dan het andere kind. Kennelijk pikt het ene kind op een andere manier signalen op dan het andere kind. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat een kind dat weinig met het geloof bezig is, ook geneigd is om kritischer te kijken naar het geloofsleven van zijn ouders.
Daarom zeggen de antwoorden van 'kerkverlaters' nog lang niet alles over de werkelijke praktijk van de geloofsoverdracht in het gezin. We zullen dan ook voorzichtig met deze gegevens om moeten gaan.
Demokratisch of autoritair?
Een van de uitgangspunten van mevrouw Jongsma was dat ouders een demokratische stijl van opvoeding moeten' hanteren. Pubers mogen bv. wel gemotiveerd worden om naar de kerk te gaan, maar dwang is uit den boze. In de uitkomsten van het onderzoek is opvallend dat een groep 'kerkverlaters' opmerkt dat beslissingen over de kerkgang vaak niet op een demokratische wijze werden genomen.
Het lijkt erop dat mevrouw Jongsma daarmee gelijk krijgt. Toch kan er iets anders aan de hand zijn.
Het gaat namelijk om een groep jongeren met 'liberale' ouders (met vrije opvattingen over allerlei zaken). Ik sluit niet uit dat juist deze ouders onregelmatig in de kerk kwamen. Wanneer het geloof geen centrale plaats inneemt in het leven, wordt de kerkgang vaak afhankelijk van de vraag of iemand goed uit komt. Het is een alledaags opvoedkundig gegeven dat ouders in zo'n situatie veel meer dwang uit moeten oefenen. In de eerste plaats moeten we niet het invoelingsvermogen van de kinderen onderschatten: ze voelen soms feilloos aan wat echt is en wat onecht. Daarnaast hebben ze van hun ouders 'geleerd' dat er allerlei redenen zijn om de kerkdienst te verzuimen. De sterkere dwang die nodig is, wordt dan inderdaad als autoritair ervaren. De wortel van het probleem ligt echter dieper.
De kerk als gemeenschap
De antwoorden op de schriftelijke vragenlijst die mevrouw Jongsma heeft afgenomen, leverde de 'cijfers' die nodig waren voor het onderzoek.
Nadat deze lijsten waren verwerkt, werden er nog een aantal mondelinge vraaggesprekken afgenomen. Deze gesprekken vormen - in mijn beleving - de krenten in de pap: een illustratie van wat deze jongeren hebben 'ervaren' van het geloof in hun groei naar de volwassenheid. Ook hier wordt duidelijk dat het gezin waar een kind in opgroeit, van grote betekenis is voor de ontwikkeling van zijn geloof.
Daarnaast zijn er andere belangrijke faktoren. Hoe funktioneert de kerkelijke gemeenschap?
Jongeren toetsen de geloofwaardigheid van het christelijk geloof niet alleen aan de ouders, maar ook aan de kerk (197). Idze ziet de kerkdient als een 'plichtmatig afdraaien van een uurtje kerkdienst'. Hij noemt de ruzies in de kerk en vertelt over een aktief gemeentelid dat met de nek werd aangekeken, toen bleek dat hij homofiel was. Henk vertelt hoe hij als gast genegeerd werd, terwijl anderen wel gegroet werden. Ineke waardeert het positief dat er na de kerkdienst met andere jongeren kan worden doorgepraat.
Els vertelt hoeveel steun ze heeft gehad van de kerk, clubs en catechisatie toen ze in een pleeggezin woonde. "Gewoon, die aandacht van mensen, gewoon een klopje op je schouder". Steeds weer komt in deze gesprekken naar voren hoe belangrijk het voor jongeren is, om in de kerk en tijdens de kerkdienst de gemeenschap te ervaren.
Vrienden
Vrienden zijn voor jongeren heel belangrijk.
Er zijn vragen die een puber (hoe goed de relatie ook is) niet aan zijn ouders voorlegt, maar wel aan een goede vriend of vriendin. De vraag is, in hoeverre jongeren bewust christelijke vrienden kiezen. Of is het andersom: wanneer een jongere een christelijke vriend(in) heeft, is dat steunend voor de geloofsontwikkeling? In ieder geval lijkt het samen leren geloven heel stimulerend te zijn. De vriendin van Theo vroeg hem heel gericht 'wat hij van plan was te gaan doen'.
Dat betekende dat hij zich opnieuw met gelOOfsvragen bezig ging houden.
Waarschijnlijk is er in de sfeer van de vriendenkring sprake van een wisselwerking.
Zo kan een student voor een christelijke studentenvereniging kiezen omdat daar vragen worden behandeld waar hij mee bezig is. Tegelijk ontmoet hij daar ook weer christelijke vrienden. Overigens speelt ook hier de levensstijl van de ouders een rol. Wanneer ouders nauwelijks kontakten hebben met andere christenen, is de kans dat een jongere mede-christenen ontmoet ook kleiner. Bovendien kan hij ook niet aan zijn ouders zien ('leren') hoeveel het waard is om christelijke vrienden te hebben.
Aanbevelingen ten aanzien van het gezin
Aan het slot van haar proefschrift doet mevrouw Jongsma een aantal aanbevelingen.
Ze schrijft dat er nog nooit zoveel aandacht is besteed aan jongeren in de kerk, als in deze tijd. Toch verliezen de kerken veel jonge leden (191). De boodschap van het onderzoek lijkt duidelijk: ouders moeten via een persoonlijke vormgeving van het geloof laten zien dat het geloof werkelijk belangrijk voor hen is. Toch is de praktijk weerbarstiger dan de theorie suggereert. Mevrouw Jongsma wijt dit aan het feit dat veel ouders zijn opgegroeid in de sfeer van het conventionele christendom. Daarbij waren vaste zekerheden en gewoonten erg belangrijk.
In deze tijd is het nodig dat opvoeders aan hun geloof een eigen vorm geven. Dit betekent: méér doen dan de gebruikelijke gewoonten. Het bijbellezen is belangrijk, maar het moet niet bij een dagelijks terugkerend 'ritueel' blijven. Daarom zouden ouders ook moeten leren om in een eigen, hedendaagse taal te spreken over de vraag wat het geloof voor hen betekent. Op die manier kunnen ze laten zien welke invloed het geloof heeft op hun leven.
("Wat hebben deze stenen voor U te betekenen?' ') Naast de 'gewoonten' is de opvoedingsstijl van groot belang. De geïnterviewde jongeren staan doorgaans heel afwijzend tegenover alles wat met dwang in relatie tot het leren geloven te maken heeft. Overigens valt het werkelijke effekt van de opvoedingsstijl niet uit het proefschrift af te lezen.
Eerder werd er dit artikel al op gewezen dat er op deze gegevens ook wel iets valt af te dingen.
Het open met elkaar kunnen spreken over (bv.) kerkgang en catechisatie blijft wel buitengewoon belangrijk.
Tenslotte is opvallend dat, als ouders veel leren over godsdienstige zaken, dit een positieve invloed heeft op jongeren.
Dit betekent dat de aanwezigheid van christelijke boeken, kerkbladen en kranten kennelijk van (indirekte?) invloed is op het leren geloven van jongeren. Een zaak waar een aantal gezinnen nog wel eens over na mag gaan denken!
(slot volgt)