Geloven: gewoonte of keuze (6, slot)

1991-08-03
  • Jaargang 35
  • nummer 16
In de 5e aflevering uit deze serie werd geschreven over de invloed die het gezin en de kerkelijke gemeenschap kunnen heben op de groei van het geloof van jongeren. In dit nummer wordt nog éénmaal op het proefschrift van mevrouw Jongsma ingegaan.

Vragen
Eerder in deze serie werd al beschreven dat de kerkelijke gemeenschap belangrijk is voor jongeren. Te denken valt aan de manier waarop de kerkdienst wordt ingericht, de mogelijkheid om jongeren te betrekken bij de dienst, de manier waarop kerkleden met elkaar om gaan. Uit deze elementen licht ik de belevingswereld van (veel) jongeren. Uit allerlei onderzoek (ook binnen de rechterflank van de gereformeerde gezindte) komt naar voren dat jongeren vaak met onderwerpen bezig zijn die opvoeders zich nauwelijks realiseren. De kerkelijke gemeenschap zal dus moeten proberen, goed te luisteren naar vragen die onder jongeren leven. Dat roept spanning op. "Wanneer je op deze manier gaat werken, waar blijf je dan?" Toch moeten we ons goed realiseren dat er onder de jongeren vragen leven, waar de kerk doorgaans helemaal aan voorbij gaat. Ik noem als voorbeeld het denken over reïncarnatie. Eén van de oude fundamenten van de kerk is het geloof in de opstanding. Veel jongeren (ook binnen de kerken) hebben dit fundament ingeruild voor gedachten die sterk zijn beïnvloed door datgene wat we in de media horen over vroegere levens. Wanneer we er zondermeer vanuit gaan dat de (oude) geloofszekerheden door alle leden van de gemeente gedeeld worden, gaat de boodschap aan een aantal leden van de kerk voorbij. Daarmee ontstaat gemakkelijk bij die leden de indruk dat de boodschap ook niet voor hun oren bedoeld is. Het is van groot belang dat over de vragen die binnen de gemeente leven, gesproken kan worden.
Daarvoor is het o.a. nodig dat voor de ouders (en andere leden van de gemeente) het geloof een levende realiteit is. Hoe in de praktijk over deze vragen gesproken kan worden, zonder dat de boodschap van de kerk geweld wordt aangedaan, is een kwestie die bij de uitwerking van dit onderwerp hoort.

Is een crisis noodzakelijk?
Eerder werd geschreven dat mevrouw Jongsma veel heeft ontleend aan de theorie van Erikson. Aan de hand van zijn opvattingen noemde ze de crisis als een belangrijk element bij het Ieren geloven. Ze gebruikte die crisis o.a. als meetlat bij het schrijven over de geloofsopvoeding binnen de vrijgemaakt-Gereformeerde kerken.
Die opvoeding schiet - aldus mevrouw Jongsma - tekort, want er is onvoldoende ruimte voor de crisis (zie Opbouw, 35/10). De vragen binnen het onderzoek richtten zich verder echter niet op die crisis. Er kan dan ook niet uit de onderzoeksgegevens afgeleid worden dat of crisis werkelijk zo belangrijk is. De betekenis van ouders, kerk en vrienden is goed zichtbaar; het belang van de crisis wordt niet echt ondersteund door het feitenmateriaal.
Ook uit recent onderzoek onder pubers komt naar voren dat de crisis in deze leeftijdsfase minder sterk is dan wel eens wordt aangenomen.
Ik deel de mening van mevrouw Jongsma dat jongeren vragen moeten kunnen stellen en zich het geloof eigen moeten maken (en dat opvoeders kinderen moeten uitlokken tot het stellen van vragen; dat is een voluit bijbels gegeven). Welk verband er bestaat tussen stellen van vragen, het doormaken van een crisis en het latere geloofsleven, dat wordt uit dit proefschrift niet duidelijk.

Samenvattende konklusies
In een serie van 6 artikelen werden enkele aspekten uit het proefschrift van mevrouw Jongsma uitgelicht. Het zou een veel langere serie kunnen zijn. Er staat heel veel in dit boek, dat ook onze kerken ter harte moet gaan.
Ik noem bv.: de gemeente als gemeenschap, het feit dat ook de vader een belangrijke rol heeft bij de geloofsopvoeding, het belang van de ontmoeting met christelijke vrienden, de 'voelbaarheid' van het geloof, de noodzaak om als opvoeder zelf een doorleefd, persoonlijk geloof te hebben, de noodzaak voor jongeren om vragen te kunnen stellen, het belang van christelijke bladen in het gezin, het kreatief om kunnen gaan met de geloofsopvoeding.
Heel duidelijk komt ook naar voren dat jongeren niet alleen moeten leren om mee te doen, maar ook moet leren na te denken over het geloof (reflektie).
Het proefschrift heeft duidelijke kwaliteiten.
Het is een prestatie waneer iemand naast haar gezin en haar werk een dergelijk onderzoek weet af te ronden. Wie naast de resultaten een goed overzicht wil hebben over de literatuur over geloofsopvoeding (tot 1987) vindt in het boek een schat aan gegevens.
Jammer is dat het proefschrift niet bewerkt is voor een breder lezerspubliek.
In deze vorm, met alle statistische gegevens, nodigt het niet direkt uit tot lezen. Moeilijke termen als 'curvelineair gerelateerd' en regressie analyse' vormen ook geen reklame.
Wat de praktische invulling van de gegevens uit het onderzoek van mevrouw Jongsma betreft blijven er bij mij wel vraagtekens. Wat is nu precies een demokratische stijl, welke konsekwenties heeft dat voor de geloofsopvoeding?
Hoe kan de kerk vragen aan de orde stellen, zonder dat de boodschap van de kerk ondergesneeuwd raakt? Een kerk die geen boodschap meer heeft, verliest immers ook zijn aantrekkingskracht op jongeren. Verder valt op dat het 'Ieren geloven' sterk in het horizontale vlak wordt getrokken: afhankelijk van onze middelen en methoden. Misschien is dat niet de bedoeling van de schrijfster en ligt het aan het feit dat het hier een wetenschappelijk proefschrift betreft.
Toch vind ik dat wel een gemis.
Samenvattend: een proefschrift met veel belangrijke informatie. Er zijn wel kritische vragen mogelijk. Toch overheerst de waarde van de verkregen gegevens. Het is nog eens duidelijk onderstreept: geloven leer je niet vanzelf.
Dat betekent dat de omgeving zich aktief voor opgroeiende kinderen in moet zetten.

Naar aanleiding van: P.E. Jongsma-Tieleman - Geloven; gewoonte of keuze. Proefschrift, uitgegeven bij Kok in Kampen. 245 pagina's, 45 gulden. De aflevering 1 t/rn 4 uit de serie verschenen in de nummers 9, 10, 11 en 12 van 'Opbouw', het 5e deel verscheen in nummer 15.

In 'Opbouw' 35/15 is een zetfout geslopen. die misschien aanleiding geeft tot misverstanden.
Het betreft het artikel 'Geloven, gewoonte of keuze' (5), pag. 265, laatste kolom.
Er staat: 'Ieren', waar 'lezen' had moeten staan. "Tenslotte is opvallend dat, als ouders veel lezen over godsdienstige zaken, dit een positieve invloed heeft op jongeren."

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief