Pastorale notitie

1991-08-30
  • Jaargang 35
  • nummer 18
Happen naar de baas (2)
Hebt u mijn vorig stukje gelezen?
Dat ging over de pastor en zijn schrijfgerei.
Ik had eerst geschreven schrijfgerij, maar ontdekte net op tijd de fout en nu staat het dus goed in Opbouw: schrijfgerei.
Het aardige is - en daarom vertel ik u dit - dat zij de fout niet eens opmerkte.
Zij, dat is dus de tekstverwerkster die sinds kort deel uitmaakt van onze huishouding. Dat zij de fout niet zag kan ze niet helpen want spellingkorrektie zat niet in haar pakket toen ze haar opleiding kreeg. Zij heeft zusters die dat vak wel beheersen.
Die kun je dus vragen of je een woord goed hebt geschreven. Ze gaan dat voor je na en verbeteren je eventuele fouten. Die hebben een kompleet woordenboek in hun mars. Maar zoeen wil ik beslist niet over de vloer.
Die weet mij veel te veel. Moet u zich dat even voorstellen: dat zij een fout woord dat ik haar opgeef rustig uitschrijft terwijl zij weet dat het fout is.
Het mankeert er nog maar aan dat ze dan hoorbaar grinnikt.
Nee hoor, zoeen moet ik niet.
Ja, dat kunt u wel eigenwijs vinden, maar dan maak ik liever een paar fouten, dat zijn dan in elk geval mijn fouten en daar kan een mens als hij een beetje redelijk is tegenover zichzelf, best mee leren leven.
Als het nou zonden waren was het wat anders.
Maar daar weet zij niets van!
En geen van haar zusters, heb ik mij laten vertellen. Men schijnt ook elke poging om hen enig besef van goed en kwaad bij te brengen allang te hebben opgegeven. Dat is totaal onmogelijk gebleken.
Ja, kennis van godsdienstige zaken dat blijkt er weer wel in te gaan. Je kon allang de hele bijbel op je scherm krijgen en binnenkort is dat zelfs mogelijk met de volledige tekst van Statenvertaling.
Straks doen ze dus hun intrede in pastorieën aan de uiterste rechtervleugel van de gereformeerde gezindte, stel ik mij zo voor.
Pas maar op, broeders!

Ik moet eerlijk toegeven: nu ik een poosje van haar diensten gebruik maak is mijn waardering sterk toegenomen, maar ik blijf op mijn hoede.
Mijn achterdocht geldt niet zozeer haar als individu, maar meer haa; hele familie.
Het woord familie is hier natuurlijk een metafoor, een overdrachtelijk gebruikte uitdrukking, maar intussen zijn er wel degelijk geleerden die menen dat de computer en ik deel uitmaken van dezelfde familie.
Het feit dat mijn hersenen uit levende cellen bestaan en die van haar uit dode materie, maakt volgens deze geleerden geen verschil. Mijn menselijke geest is in principe te vervangen door een apparaat dat van het juiste programma is voorzien. In het verre verschiet is het dus denkbaar dat ik hier op mijn werktafel lig en zij op mijn stoel zit. Het is hoogstens een beetje voorbarig wanneer ik zeg: Tik jij of tik ik?

Is deze bedreiging dan niet te keren door de mens?
Jawel, maar dan alleen door de mens die vernieuwd is naar het beeld van zijn Schepper. Ik vrees dat de anderen zich niet eens bedreigd voelen want ze merken niet dat er gehapt wordt naar de baas.

Om er zeker van te zijn dat ik geen onzin verkondig heb ik in de laatste alinea 's van deze notitie letterlijke aanhalingen verwerkt uit een artikel van M.J. Verkerk 'De computermetafoor en de droom van de robot'. Het staat in Beweging van 1 februari 1991.
(Losse nummers f 3,- excl. verzendkosten.
Te bestellen bij het Centrum voor Reformatorische Wijsbegeerte, Postbus 368, 3500 AJ Utrecht.)

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief