De mogelijke overgang van ds. A. den Boer naar de Christelijke Gereformeerde Kerken

1991-09-13
  • Jaargang 35
  • nummer 19
Niemand van ons zal wel vreemd opgekeken hebben van het bericht in de krant dat onze kollega ds. A. den Boer te Urk zich aan onze Nederlands Gereformeerde Kerken heeft onttrokken.
Dat zat er allang in. Zijn waarschijnlijke overgàng naar de Christelijke Gereformeerden valt iets meer buiten het verwachtingspatroon. Ik had gedacht dat zijn keus mettertijd nog wel eens zou vallen op de Gereformeerde Bond in de Nederlandse Hervormde Kerk. Hoe dat ook zij, hij voelde zich al sinds lang in de Nederlands Gereformeerde Kerken niet op zijn gemak.
Dat is zeker voor een predikant op de duur niet vol te houden. Je moet dat vergelijken met een handwerk waar je scheef voor staat of met een te laag aanrecht in de keuken. Daar kun je dood-moe van worden. Terecht dus dat je daar wat aan doet. We wensen ds. Den Boer daarom geluk dat hij de kracht gevonden heeft om deze stap, nu hij nog een behoorlijke tijd van arbeid voor zich heeft, te zetten. Moge de Here hem in zijn bediening ginds zegenen!

Tegen hetvanzelfsprekendheidsgeloof
Ds. Den Boer heeft twee argumenten gebruikt om zijn beslissing te rechtvaardigen.
In de eerste plaats deelt hij de Christelijke Gereformeerde kritiek op onze prediking en vervolgens vindt hij ons kerkverband, zoals dat onder het AKS reilt en zeilt, te slap. Wat het eerste punt betreft raakt hij bij mij een gevoelige snaar. Bij meer dan een gelegenheid heb ik in ons blad beweerd dat we ons van de kritiek van onze Christelijke Gereformeerde broeders en zusters wel wat moeten aantrekken.
Het gevaar van een vanzelfsprekendheidsgeloof is onder ons niet denkbeeldig. Op de laatste predikantenkonferentie van de Christelijke Gereformeerde kollega's (waar ik naast professor Trimp als spreker van buiten was uitgenodigd om over het bekende onderwerp van de 'Toeëigening des Heils' de bespreking in te leiden) heb ik betoogd dat Christus niet alleen aan het verbond ten grondslag ligt, maar dat Hij er tegelijk het kritische midden van is, zodat wij in het verbond enerzijds van Hem uitgaan maar anderzijds Hem ook tegenkomen met de vraag of wij Hem wel echt volgen. Met deze stellingname wilde ik recht doen aan het 'Anliegen' van onze bevriende zusterkerken die zo graag beklemtonen en bij ons beklemtoond willen zien dat 'de breuklijnen ook door een verbondsgemeente lopen' (om de formulering van ds. Den Boer zelf in het interview van het ND d.d. 13 augustus jl. te gebruiken). Ds. Den Boer was toen onder de aanwezigen.
Volgens hetzelfde interview zegt hij nu dat hij van een luisteren bij ons naar de Christelijke Gereformeerde kritiek weinig merkt. Ik denk dat hij zich daarin vergist. Ik geloof dat er bij ons beter naar hen geluisterd wordt dan bij hen naar ons. Het is wel degelijk zo dat men bij ons, zeker onder de predikanten, het gevaar van het vanzelfsprekendheidsgeloof inziet. Natuurlijk kan ds. Den Boer op ongelukkige uitlatingen bij ons wijzen, zoals hij doet met zijn voorbeeld over de gelijkenis van het zaad (Matteus 13) waarover hij preekte. Hij paste de vier dingen die met het zaad kunnen gebeuren toe op het geloof in de gemeente en kreeg toen na de preek te horen dat dit heden ten dage niet kan omdat de gelijkenis zou slaan op heidenen die tot bekering komen. Fout natuurlijk! Jezus staat met deze gelijkenis midden onder zijn volk en ook vandaag nog midden in de gemeente.
En dus moet de waarschuwende boodschap van de gelijkenis aan de gemeente worden geadresseerd. Maar ik durf te beweren dat zulke reakties die dat ontkennen, hoge uitzonderingen zijn. En laten we het over uitzonderingen op de doorsnee preekpraktijk niet hebben, want dat zou voor de Christelijke Gereformeerden nog meer dan voor ons zeer, zeer pijnlijk kunnen worden ...

De preek en de tekst
Ds. Den Boer gaf trouwens nog een tweede voorbeeld van hoe weinig onderscheiden het in onze prediking toe zou gaan. Ik citeer nu uit het reeds genoemde interview: "Typerend vond hij dit (volgende) aksent in een gehoorde preek over het nieuwe leven: 'Hoe zou dat nieuwe leven zijn in vergelijking met hier op aarde?', luidde de spits. Ds. Den Boer miste daarbij de vraag of en hoe je dat leven deelachtig bent geworden ..." Met deze kritiek ben ik helemaal niet gelukkig.
Het is verbazend hoe snel onze kollega zich het typisch Christelijke Gereformeerde denken over de prediking heeft eigen gemaakt. Met enige geamuseerde irritatie stel ik dat vast. En bij dit punt gekomen wil ik tegenover het eeuwigdurende gevit op onze prediking (laatstelijk nog weer op die van ds. G. de Lange te Rotterdam) dan nu ook eens naar de Christelijke Gereformeerde prediking uithalen. En denk erom, ik kan er wat van weten, want ik hoor van onze studenten in Apeldoorn regelmatig welke kant ze in de predikkunde opgestuurd worden. Welnu, het is met enige overdrijving gezegd, er kan daar geen tekst genomen worden of geen onderwerp aangesneden, of alles wordt over het ene spoor van die bekende toeëigening des heils geleid.
Dat is het ene lokomotief je dat zondag aan zondag over het ene lijntje moet lopen. Telkens met andere wagonnetjes (de gekozen tekst), dat wel, maar het trajekt is steeds gelijk en de boodschap altijd hetzelfde. De preektekst komt daardoor in z'n eigenheid niet naar voren. Dat is nu eens 6ns bezwaar.
Die door ds. Den Boer aangehoorde preek bijvoorbeeld zou hebben kunnen gaan over de tekst uit I Korintiërs 15:35 e.v.: "Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij? ..".
Een duidelijke vraag wordt hier gesteld, een afgelijnd onderwerp aangekaart, namelijk: "Hoe zou dat nieuwe leven zijn in vergelijking met hier op aarde?" (zie boven). Maar volgens Christelijk Gereformeerd recept bereikt een preek over zo'n tekst niet hierin z'n hoogtepunt dat die duidelijke vraag van Paulus met de inhoud van het tekstvervolg zo goed mogelijk beantwoord wordt, tot Gods eer en tot opbouw van ons geloof, - maar in de behandeling van de heel andere vraag die in dit Schriftgedeelte in geen velden of wegen te bekennen is, namelijk of u ooit wel in heerlijkheid opgewekt zult worden. En dat dat alleen door het geloof kan en dat u zich dus grondig moet bezinnen: kom ik wel in aanmerking voor de beloofde opstanding?
Echter, hoe nodig en nuttig deze vragen op zichzelf ook zijn, die tekst geeft er geen aanleiding toe. En ze dan toch maar te stellen, ja, de preek daarop te laten uitlopen, dat is geen bediening van het Woord, dat is een in de rede vallen van het Geschrevene.
Bediening van het Woord behoort zich te kenmerken door eerbied voor de tekst en vertrouwen in de Heilige Geest dat Hij voor juist die zondag met juist die tekst doet wat Hem behaagt.
En aangezien er een grote veelheid en een rijke verscheidenheid aan teksten is zal gevarieerdheid van onderwerpen een kenmerk van schriftuurlijke prediking zijn. Het gaat met die prediking pas mis wanneer stelselmatig aan bepaalde teksten die het geloof van de gemeente kritisch op de korrel nemen ("Beproeft uzelf of gij wel in het geloof zijt", 11Kori ntiërs 13:5, bijvoorbeeld) het zwijgen wordt opgelegd.
Zulke woorden moeten wel degelijk in hun volle scherpte aan de orde komen en de gemeente worden voorgehouden.
Er kunnen zelfs situaties zijn die aanleiding geven tot een sterk en bij herhaling naar voren brengen van dit geluid. Maar dat is nog geen vrijbrief om nu maar onverschillig welke tekst in die smalle mal van het zelfonderzoek te stampen. Zoals in een stad of dorp elke straat een eigen naam draagt, zo is dat ook in de bijbel met de afzonderlijke teksten het geval.
Schriftuurlijke prediking moet daar recht aan doen. Natuurlijk niet met de rug naar het centrum van de bijbel toe, maar toch wel zo dat aan de persoonlijkheid en het eigene van deze of gene tekst recht gedaan wordt. Anders wordt de tekstkeus een blinde greep in de grabbelton en een belediging van Mozes, David of Paulus.

De greep op het geheel
Als tweede belanqrijke argument voor zijn overstap noemt ds. Den Boer de wijze waarop de Nederlands Gereformeerde Kerken hun kerkverband beleven.
Het Akkoord voor kerkelijk samenleven vindt hij te vrijblijvend. "Je hebt geen greep meer op het geheel", zegt hij.
'Greep', - dat is weliswaar helemaal geen woord voor ds. Den Boer maar zo staat het er toch. Wel, ik denk dat de meeste Nederlands Gereformeerden door deze kritiek niet overtuigd zullen worden.
Integendeel, ze zullen erbij op hun achterste benen gaan staan. Geen greep meer op het geheel? Maar dat is toch precies waar wij doodsbenauwd voor zijn geworden om die te krijgen?
Het kerkverband is een Geestelijke zaak en wij vertrouwen die als het erop aankomt alleen Jezus Christus zelf toe. Zijn last is licht en zijn greep is zacht. Van menselijke grepen op het geheel hebben wij teveel ongelukken gezien. Natuurlijk, een kerkorde bedoelt kerken aan elkaar te binden en van een veelheid een geheel te maken.
Maar dat gebeurt niet in de eerste plaats door de wet maar door het evangelie. Daarom gaat in het AKS aan de regelgeving de preambule als het belangrijkste vooraf. Daarin ontmoeten en herkennen de kerken elkaar bij het evangelie van Jezus Christus.
In de preambule van het AKS wordt dus (zou je kunnen zeggen) verwezen naar de greep van Christus op het geheel. Daarna volgen de overeengekomen regels als een poging om in alle voorzichtigheid aan die Geestelijke eenheid in Christus enigermate een kerkelijke gestalte te geven. Het is zonder meer een zegen dat je in die bepalingen de terughoudendheiddoor ds. Den Boer vrijblijvendheid genoemd - met de handen tast, want iedere gemeente heeft een eigen en rechtstreekse relatie met Christus en is niet pas via het verband op de hemel aangesloten. Het besef behoort je dan ook uit een kerkorde tegemoet te stralen (en het AKS heeft daar met sukses naar gestreefd) dat het daarin niet om een wet van Meden en Perzen gaat maar om een ontmoeting met de wijsheid die de kerk in de loop der eeuwen heeft opgedaan. En behalve de terughoudendheid behoort ook de beperktheid een kenmerk te zijn. Zeker in een tijd als de onze waarin ontzettend veel verandert moeten er niet teveel afspraken gemaakt worden. Je moet ze later toch maar weer inslikken.
Ds. Den Boer komt op het eind van zijn verhaal - je voelde dat op je klompen aankomen - met het konkrete voorbeeld van de vrouw in het (diaken)-ambt. De greep op het geheel die hij zo gemist heeft had hij vooral willen gebruiken om de voor hem zorgelijke ontwikkeling op dit punt te keren. Terwijl ik nu juist zo blij ben met een soepel kerkverband waarbinnen voor beide opties plaats is, al naar de geaardheid van de gemeente. Maar ik weet wel, voor ds. Den Boer valt deze zaak onder het evangelie zelf, hij zou het punt bij wijze van spreken in de preambule onderbrengen. En dat is bij mij niet het geval. Voor mij behoort wat het Nieuwe Testament over de plaats van de vrouw in de gemeente zegt tot de kultuur van de Schrift waarvan niet volgehouden kan worden dat we die verplicht zijn na te volgen of over te nemen, net zo min als de baard, de mantel, kortom de hele mode waarin Paulus en de anderen gelopen hebben. Zulke dingen kunnen, als ze bestaan, best bijbels verdedigd worden (denk maar aan het dragen van een hoofddeksel voor de vrouw), maar met dat ze voorbijgaan verliezen ook de schriftuurlijke argumenten ervoor hun kracht. Voor wat ervoor in de plaats komt kunnen stellig ook weer bijbelteksten bijeengebracht worden.
En dat moet soms ook, tegenover mensen die er respektloos tegen aantrappen.
Dat is dan ook precies wat Paulus in de bekende passages doet.
Maar om tot het onderwerp terug te keren, die greep op het geheel moeten we maar aan de synodokraten overlaten, in welke kerk die zich ook maar bevinden…

Fusie en proselytisme
Tenslotte wil ik nog kwijt dat ik met belangstelling uitzie naar de beslissing van het Christelijke Gereformeerde kerkverband inzake het verzoek van ds. Den Boer om toetreding, Het is bekend dat persoonlijke overgangen van de ene kerk naar de andere haaks staan op inspanningen tot kerkelijke eenwording. Fusie en proseIytisme verdragen zich niet met elkaar.
Fusie zegt: kerk a is gelijk aan kerk b, proselytisme zegt: a is ongelijk aan b.
Wanneer de Christelijke Gereformeerden zouden bewilligen in de toetreding van ds. Den Boer tot hun kerkverband moeten wij ons realiseren dat daar bepaalde gevolgen uit voortvloeien.
Een ervan is m.i. dat het voorlopig uit moet zijn met het eenheidsgeschetter dat we op elkaars landelijke vergadering of synode van tijd tot tijd ten gehore brengen. Dat is dan om z'n leugenachtigheid een gruwel voor God geworden.
Het blijkt dan namelijk (nog eens) zonneklaar dat men helemaal niet uit is op een toekomstig samengaan met ons. Door zo'n daad van overgang te stellen en die ook te aksepteren beklemtoont men immers niet de eenheid maar de tweeheid van onze kerken. We zouden daarom in het gestelde geval die realiteit meer dan tot dusver onder ogen moeten gaan zien. Maar dat wil niet zeggen dat er alsdan een eind zou moeten komen aan alle kontakten. Integendeel, we gaan dan als bevriende kerken verder die er weliswaar voorshands wederzijds niet over piekeren zich met elkaar te verenigen maar die toch genoeg gemeenschappelijks hebben om elkaar als christelijke kerken te erkennen en christelijk met elkaar om te gaan. Geen eenwording dus maar vriendschap, meer zit er dan 'niet in.
Juist als met de Vrijgemaakten. Ik heb me, zoals men kan weten, nooit zo ingespannen voor een eenwording met de Christelijke Gereformeerden.
Zo min als met de Vrijgemaakten.
Streven naar draaglijke verhoudingen, ja! Maar dat is ook het enige dat tot de mogelijkheden van vandaag behoort.
Meer willen stelt teleur en getuigt trouwens ook van weinig bescheidenheid tegenover het voorgeslacht. Teveel wordt immers de indruk gewekt dat zij, die vaders en moeders van ons, kerkscheuring of uiteengaan of afzijdig blijven bij vereniging als lichtvaardig tijdverdrijf hebben bedreven, terwijl pas wij het zijn die het gebod tot eenheid hebben uitgevonden. De werkelijkheid is dat ook zij onder de rampzalige kerkelijke debácles zwaar geleden hebben. Ik denk dat kerkscheuringen of -splitsingen, net als echtscheidingen, in de regel iets onherroepelijks hebben. Je voor de eendracht inzetten heeft daarom ervoor meer zin dan erna. Maar goede verhoudingen, waarin je elkaar beurtelings kunt waarderen en de oren wassen, - ja, daar zet ik me graag voor in.
Tenslotte, wist u dat van de ruim vijftig predikanten die sinds de vrijmaking van kerk veranderd zijn ds. Den Boer de eerste is die Christelijk Gereformeerd wil worden? Dat is bij een kerk die ons zo na staat toch iets zeer opmerkelijks, vind ik. Als er dan toch weggegaan moet worden, och, dan had ik de Christelijke Gereformeerden nog wel een paar paardjes meer uit de vrijgemaakte stal gegund.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief