Boekbespreking

1991-09-13
  • Jaargang 35
  • nummer 19
J. Meulink, Enschede

K. Schilder, zijn leven en werk
J.J.C. Dee, K. Schilder, zijn leven en werk. Deel 1 1890-1934. Academisch proefschrift, Oosterbaan & Le Cointre B.V. Goes. 1990,429 blz. f 49,50.

In zijn boek 'Zoeken en vinden', verschenen in 1989, wees dr. Berkhouwer erop, dat het gevaar niet denkbeeldig is dat men na het conflict en het schisma van 1944 nauwelijks meer aandacht schenkt aan het grotere geheel van Schilders theologisch levenswerk en zich concentreert op datgene wat ons alsnog in het geheugen ligt.
Zo is maar weinig aandacht geschonken aan zijn grote samenvattende werk 'Commentaar op de Heidelbergse Catechismus'. Berkhouwer schrijft dat hij meermalen getracht heeft een van zijn leerlingen zover te krijgen dat hij een dissertatie schreef over Schilder. Het is hem echter niet gelukt.
Terecht ook wijst Berkhouwer erop, dat het belangrijk is Schilder te leren kennen in de eerste periode toen er van een conflict nog geen sprake was.
Nu, aan deze wens van Berkhouwer is tegemoetgekomen in de vorig jaar verschenen dissertatie van de hervormde predikant van Ellecom-de Steeg, dr. J.J.C. Dee. Hij heeft het gewaagd te promoveren op de theologie van Schilder.
Zijn dissertatie handelt over Schilders levensjaren 1890-1934.
Het is de bedoeling, dat er nog twee delen zullen volgen. In het tweede deel zal de periode van 1934 tot 1940 (de eerste periode van het hoogleraarschap, het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog en zijn gevangenschap) worden behandeld. In het derde deel komt de tijd van 1940 tot 1952 aan de orde: de strijd, die uitliep op de Vrijmaking van 1944 en de opbouw van het vrijgemaakte kerkelijk leven en het tweede gedeelte van het professoraat.
Het nu verschenen deel telt 282 blz. tekst, 97 blz. noten en samenvattingen in duits en engels.
De bouwstenen zijn geleverd door de werken van Schilder zelf, de resultaten uit archiefonderzoek en de secundaire literatuur voorzover deze betrekking heeft op Schilders leven en werk tot 1934.
Het boek begint met een overzicht van de kerkelijke ontwikkelingen tussen 1834 en 1926.
In het volgende hoofdstuk wordt aandacht geschonken aan zijn jeugd en studiejaren. De jonge Schilder komt hier naar voren als een man die antithetisch voelt, denkt en zich uit, die absoluut leeft en alles zwaar neemt.
Hij lijdt aan een sterk gevoel van eenzaamheid.
Hij heeft behoefte aan erkenning en twijfelt aan de zin van het leven. De crisis van zijn jeugd wordt nog versterkt door een ongelukkige liefde, een gebeurtenis, die voor zijn hele leven bepalend geweest is.
Hoofdstuk 3 schetst de ambtsperiode van Schilder in Vollenbove, 1914-1916.
Vooral door de Woordverkondiging vindt hij ingang bij de gemeente. In zijn behoefte aan confrontatie met de kultuur is hij een exponent van de jongeren, hoewel hij ook zijn eigen weg gaat.
Hoofdstuk 4 gaat over zijn ambtsperiode in Vlaardingen van 1916-1919. Hij heeft zich daar kunnen ontplooien, maar kwam ook in conflicten terecht.
Er heerste daar een geest van gearriveerdheid.
Verder kwam hij daar in aanraking met een bevindelijke onderstroom en met een zeker fundamentalisme, waar hij zich met kracht tegen verzette. Schilder heeft zich ook sterk ingezet voor de ineensmelting van de Gereformeerde Kerk A en B. De ineensmelting vond echter pas na zijn vertrek plaats.
In 1919 ging hij naar Gorinchem. In die tijd maakte hij steeds meer naam als publicist. Toen verscheen ook zijn boek 'Kerktaal en leven', waarin hij o.a. een pleidooi voert tot hervorming, 'reformatie' van de taal waarin de kerk zichzelf en de buitenwereld toespreekt.
Toen in 1920 De Reformatie werd opgericht, werd hij een van de medewerkers.
In 1922 nam hij een beroep naar Delft aan, een gemeente met een meer dynamisch en meer openlijk kerkelijk leven, waar Schilder tot groter ontplooiing kwam. Daar beleeft hij een periode van grote kerkelijke groei. Hij is een geliefd predikant, de kerken zijn steeds overvol. In die tijd verschenen van Schilder ook een aantal belangrijke publicaties.
AI na drie jaar verliet hij Delft en ging naar Oegstgeest. Hij meende daar zijn wetenschappelijke studie te kunnen voortzetten. Daarbij werd hij echter nogal gehinderd door moeilijkheden in de gemeente. Verder bemoeide hij zich vrij intens met de problemen rond ds. Geelkerken.
Tenslotte was hij van 1928-1933 predikant te Rotterdam-Delfshaven. Ook hier toonde Schilder zich weer een bezield prediker.
Hier kreeg hij van 1930 tot begin 1933 studieverlof om hem gelegenheid te geven te promoveren. Intussen verscheen zijn bekende werk 'Christus en Zijn lijden'. Jammer dat veel recensies (ten onrechte) minder vriendelijk waren.
Overigens hebben veel predikanten w.o. mijn vader van deze boeken gebruik gemaakt voor hun preken.
Men 'schilderde' dan zijn preken op, zoals men voordien zijn preken vaak 'opknapte' (ds. Knap).
Terecht gaat dr. Dee in zijn boek nogal diep in op dit werk van Schilder.
Op 3 maart 1933 promoveerde Schilder cum laude en kort daarop volgt zijn benoeming als hoogleraar te Kampen als opvolger van prof. A.G. Honig in de vakken Dogmatiek, Ethiek en Encyclopedie.
Als hoogleraar in Kampen en vanaf 1935 als redacteur van De Reformatie heeft Schilder zich een invloedrijke.
positie verworven in de Gereformeerde kerken, een positie, die in de loop der jaren sterk omstreden zal worden.
Vanuit de talrijke publicaties van Schilder trekt Dee lijnen naar de theologie van Schilder. We krijgen daarmee een duidelijk beeld van Schilder als kerkmens en als publicist.
Or. Dee heeft een diepgaande studie van de bronnen gemaakt.
Hij geeft geen beoordeling, maar wel een goede kijk op het leven van Schilder.
Daarbij hoedt hij zich voor mensverheerlijking.
Ook de zwakke punten van Schilder blijven niet verborgen.
Door deze publicatie wordt een knappe, goed afgewogen bijdrage geleverd op het gebied van de kerkgeschiedenis.
Ik hoop, dat dr. Dee erin zal slagen ook de twee volgende delen te voltooien en wel op hetzelfde niveau.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief