Veertig eeuwen van tevoren

1991-09-27
  • Jaargang 35
  • nummer 20
1. Zo is het
"Veertig eeuwen (= 4000 jaar) van tevoren heeft de Heer Zijn Zoon beloofd".
Zes afleveringen schreef A. Keizer over de betrouwbare dateringen van de bijbel". In de eerste ervan is de hierboven aangehaalde versregel een beknopte verwijzing naar de geloofsen schriftvisie die hij met vroegere geslachten deelt. In de vijfde aflevering staat echter deze visie op gelijke hoogte met de waarheid van de Schrift zelf. "Zo was het en zo is het" en "De bijbelse funderingen laten. zien hoe de jaartallen in de Schrift verankerd zijn."
De lezer moet dan wel alvast vertrouwen dat het vervolg van het betoog even 'onweerlegbaar' zal zijn als het voorafgaande. Immers aan het begin van de vijfde aflevering, waaruit de bovenstaande citaten afkomstig zijn, is het verhaal nog lang niet rond. Er is met enkele forse vegen puin geruimd onder de opvattingen van theologen, natuurkundigen, oudheidkundigen, etc.
Vervolgens zijn Nebukadnezar en enkele anderen op hun chronologische plaats gezet. Maar daarmee zijn we toch nog niet aan 4000 jaren tussen Adam en Christus. De zesde aflevering maakt echter in sneltreinvaart duidelijk hoe simpel dit is. Iedere Opbouwlezer kan optellen en met de gegeven tekstverwijzingen is de zaak dan rond, zij het open voor eventuele verbeteringen.

2. Is het wel zo?
Nu is het merkwaardig dat een minstens honderd jaar geleden2 al gestelde voorvraag met betrekking tot het opstellen van een 'bijbelse chronologie' totaal genegeerd wordt. Maken de optellingen, die op grond van Gen.
5 en Gen. 11 worden gemaakt om de lengte van de periodes tussen Adam en Noach en tussen Noach en Abraham te berekenen, deel uit van Gods openbaring? En zo niet, zijn we dan aan de daaraan ten grondslag liggende en aan de daarop gefundeerde opvattingen gebonden? Of mag men zulke opvattingen in twijfel trekken met aan de bijbel en aan andere kennisbronnen ontleende argumenten, zonder gelijk op één hoop met door DE BOZE verblinden te worden geveegd?
Is het soms diepe onwetendheid (of onzekerheid) die de dogmatische toon ingeeft? Ik moet eerlijk bekennen dat die vraag, gebaseerd op een latijns gezegde, bij mij opkwam na lezing van het betoog. Immers aan de ene kant wordt, zij het verhuld, een vernietigend oordeel uitgesproken over bijvoorbeeld een onder ons verschijnende boekenserie bij de bijbel als 'De Voorzeide Leer'. Zie o.a. dl. 1A, paragrafen 5.4 en 8.9. (Zouden velen sinds lezing daarvan alleen maar sceptisch over de bijbel gestemd zijn?). Aan de andere kant wordt zelfs geen poging gedaan om de juistheid van 'de enig juiste opvatting' met argumenten te onderbouwen, die de er tegenin gebrachte bezwaren in rekening brengen.
Als lezer voelt u al aankomen dat ik het voorgaande geschreven heb als inleiding op enige tegenspraak op de door A. Keizer naar voren gebrachte opvattingen. Volgens hem is de openbaring aangaande een onbeweeglijke aarde en een 4000 jaar oude schepping van onschatbare waarde in de hedendaagse strijd tegen het ongeloof.
Mijns inziens worden dan disputabele opvattingen tot hoofdzaken van schriftgehoorzaamheid gemaakt. Dat lijkt mij nu juist een niet denkbeeldige aanleiding tot scepticisme en in het ergste geval tot een geërgerd zich afkeren van de kerk.
Ik ben natuurkundige van beroep. Toch voel ik er weinig voor om in te gaan op de beweringen uit de paragraaf 'De dwaling van Copernicus'. Uit de opmerkingen die in die paragraaf voorkomen over de ruimtevaart krijg ik de indruk dat de schrijver zich helemaal niet voor natuurkunde interesseert en geen notie heeft wat de eigen aard is van de toepassing ervan. Volgens mij is het vooral de overeenkomst in vooroordeel bij het lezen van de bijbel, die hem ertoe brengt W. van der Kamp als deskundige aan te wijzerr'. Over zulke vooroordelen moet mijn bijdrage dan ook maar in hoofdzaak gaan. Kernpunten daarbij zullen zijn, de hantering van het begrip betrouwbaarheid en het toekennen van jaartallen aan de schepping van Adam, de zondvloed e.d. Echter om de gepresenteerde chronologie niet helemaal te negeren wil ik een voorbeeld geven van een van de vele vreemde consequenties. Ik kom daarbij A. Keizer tegemoet en ik zal me niet beroepen op welk door hem verafschuwd geschrift dan ook. Ik volg 'zijn' Companion Bibie.

3. Jozua (1544-1434 v. Chr.)
Eerst even een paar jaartallen 1491: Uittocht, Jozua 53 jaar ('jong', Ex. 33:11, Num. 11:28) 1490: De 12 verspieders (Num. 14) 1451: Intocht, Jozua 93 jaar (zeer vitaal, Joz. 8-10) 1444: Jozua oud en hoogbejaard (Joz. 13:1) Kaleb 85 jaar (nog strijdvaardig, Joz. 14-15) 1434: Jozua sterft, 110 jaar oud (Joz. 24:30, Ri. 2:8) 1431: Begin van Lo-Ammi periode van Ri. 3:8 Israël diende de Here al de dagen van de oudsten die Jozua overleefden en die heel het grote werk gezien hadden, dat de Here voor Israël gedaan had (Joz. 24:31, Ri. 2:7). Daarna komt er een ander geslacht op, dat de Here niet kende, noch het werk dat hij voor Israël gedaan had. Ze vermengen zich met andere volken en gaan de Baäls en Asjéra's dienen (Ri. 2:10,11, 3:5-7).
Dat betekent mijns inziens (op het standpunt van bovenvermelde chronologie), dat in de periode 1434-1431 eerst de nog levenden sterven die bewust de uittocht hebben meegemaakt ('heel het grote werk gezien').
Die waren in Num. 14 nog geen 20 jaar oud. Zeg de jaargangen 1509-circa 1496. In het resterende deel van deze periode van 3-4 jaar vindt zo'n afval plaats dat in 1431 de maat voor de Here vol is. Alles gaat dus pijlsnel.
Verder geeft het een wat merkwaardige overlijdensstatistiek. Van de jaargang 1509 sterft iedereen op een leeftijd jonger dan 78 jaar en van de jaargang 1496 iedereen jonger dan 65 jaar. Zo zouden we nog even door kunnen gaan. Moeten we nu zulke dingen werkelijk geloven? Is dat in overeenstemming met het beeld dat oprijst bij lezing van Jozua en Richteren?
Het lijkt me eerlijk gezegd onzin, hoe 'mooi' ook de constructie oogt, die er aan ten grondslag ligt. Maar zoals u al weet, ik ben geen 'chronoloog' .
Laten we dus maar snel naar enkele voorvragen gaan.

4. Betrouwbaarheid
Ik wil me niet vertillen aan een algemeen opgezette behandeling van vraagstukken met betrekking tot de betrouwbaarheid van de bijbel en het gebruik van Schriftgegevens. Een heldere inleiding met betrekking tot enkele aspecten vindt men bijvoorbeeld in het boekje 'Het lezen van de bijbel' van prof. J. van Bruggen (Kok, Kampen, 1981). Laat ik echter proberen zo concreet mogelijk bij het onderwerp van de bijbelse chronologie te blijven.
Volgens A. Keizer is de kernzonde van het gros van de schriftuitleggers, dat afbreuk wordt gedaan aan het feit dat de dateringen van de Schrift evenzeer van Godswege geïnspireerd zijn als de feiten die ze dateren. Daarmee is de hele Schrift disputabel gesteld.
Nu bevatten deze uitspraken een deel waar ik van harte mee instem en een deel dat ik wil tegenspreken.
Laat ik positief beginnen. "AI de Schrift is van God ingegeven en is nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust" (2 Tim. 3:16-17). De bovenstaande weergave van het begin van de tekst is naar de Statenvertaling.
De Nieuwe Vertaling zou misschien aanleiding geven om te denken dat er ook Schriftwoorden zijn die niet door God zijn ingegeven. Een opvatting die op zichzelf genomen natuurlijk vele aanhangers heeft, maar niet steunt op de tekstbetekenis van 2 Tim.
3. Daar waar men, al naar het uitkomt, dateringen of andere feitelijke gegevens wegwerkt of onbetrouwbaar verklaart, breekt men de eenheid van de Schrift.
Vervolgens het punt van onenigheid met A. Keizer. Er zijn legio gereformeerden en anderen, die 2 Tim. 3 onderschrijven, inclusief de consequentie van het willen buigen voor wat de bijbel ons meedeelt als feiten van religieuze, natuurkundige en historische aard", Niettemin wijzen zij het gebruik dat A. Keizer van een selectie van dergelijke gegevens maakt af. Is dat dan niet inconsequent? En is het geen terecht verwijt, dat zij meer ontzag hebben voor buitenbijbelse gegevens dan voor de bijbel zelf? Het antwoord is nee en de kortste, zij het de meest riskante manier om dat toe te lichten, is met een voorbeeld.
Gen. 5 bevat het geslachtsregister dat loopt van Adam tot Noach (tiende geslacht vanaf Adam) en Gen. 11 bevat het register dat loopt van Sem tot Abraham (tiende geslacht vanaf Noach). Nu hebben deze twee geslachtsregisters een structuur die afwijkt van de meeste andere registers die in de bijbel voorkomen. Steeds wordt van een aartsvader gezegd wanneer hij zijn 'opvolger' verwekt en vervolgens hoeveel jaar hij daarna nog leeft. Op grond van deze gegevens komt A. Keizer in zijn zesde aflevering, om me tot één voorbeeld te beperken, tot een periode van 352 jaren tussen de zondvloed en de geboorte van Abraham. Anderen komen met Gen. 11 tot 292 jaren, maar Keizer kijkt ook naar Gen. 125. Laten we nu eerst vaststellen dat in tegenstelling tot wat in Ex. 12:40 en in 1 Kon. 6:1 gebeurt, nergens in de bijbel de totale duur van deze periode vermeld wordt.
Het gaat hier dus om een constructie, waarbij op zijn minst al over 60 jaar kan worden getwist op grond van de tekst zelf. Echter zowel op grond van Gen. 10, als op grond van indrukwekkende buitenbijbelse argumenten, wordt algemeen aangenomen dat genoemde periode veel langer moet zijn geweest. Hoe moet dat nu? Is de bijbel dus onbetrouwbaar?
In het hiervoor al genoemde boekje stelt J. van Bruggen: "Bij het lezen van de tekst vindt een voortdurende uitwisseling plaats met onze kennis over ons bekende verifieerbare werkelijkheden.
Er is echter een grens: wanneer de tekstbetekenis zich verzet tegen beperkingen vanuit de werkelijkheid of wetenschap, gaat de tekst vóór". Stellen we ons op dit standpunt, dan moet A. Keizer dus hier, en op nog zoveel andere plaatsen, aantonen dat de tekstbetekenis zich tegen de door hem gewraakte opvattingen verzet.
Wil hij daarbij ook maar iemand overtuigen, dan kan hij niet achteloos voorbijlopen aan de inspanningen, die ook gereformeerde exegeten zich getroost hebben om serieus met zulke vragen om te gaan.
Dr. C.Ch. Aalders geeft in de Korte Verklaring een beknopte opsomming van aan de bijbel zelf ontleende argumenten.
In uitgebreidere vorm vindt men deze ook in het onder noot 1 genoemde artikel. De betekenis van het woord zoon is lang niet altijd lijfelijke zoon (vb. Gen. 46:18) en verwekken heeft soms de algemenere betekenis 'tot nakomeling hebben' (zelfs van hele volken Gen. 10:15-18). Afstammingslijsten van dezelfde personen, die op verschillende plaatsen en met verschillend doel vermeld staan, vertonen vaak opmerkelijke verschillen.
Wie als criterium voor betrouwbaarheid een moderne westerse methode van benoemen en registreren neemt, komt pas echt in de betrouwbaarheidsproblemen.
AI vaak is echter opgemerkt, dat bij het beoordelen van oude geschriften in rekening moet worden gebracht welke gebruiken er gangbaar waren in de tijd en omgeving van hun ontstaan. Ten aanzien van bijbelse geslachtsregisters zijn er vele aanwijzingen, dat er geen streven was naar volledigheid en dat er geen interesse was voor de chronologische doelstellingen waardoor A. Keizer zo wordt beziggehouden.
Volgens Aalders. kan Gen. 11 als volgt worden gelezen: "dat telkens wanneer er staat: N was zó oud toen hij Q verwekte, daarmee bedoeld wordt: N was zó oud toen hij de zoon verwekte, uit wie door rechtlijnige afstamming later Q voortkwam. Hoe vele geslachten er zijn overgeslagen, en wáár wij in de geslachtslijst de hiaten moeten zoeken is natuurlijk niet te zeggen". Het vermeiden van de levensduur van de vader na de geboorte van zijn 'opvolger' is voor W.H. Green (noot 1) reden om niet zozeer een chronologische doelstelling te vermoeden. Het zouden voorbeeld reeksen van individuele levens kunnen zijn, die ons laten zien hoe de levensduur, de mens oorspronkelijk was. Voor de vloed erg hoog, erna geleidelijk afnemend. Genoeg hierover. Het ging om het al of niet vaststaan van een tekstbetekenis.
Zowel hier als bij de 'stilstaande aarde'-teksten gaat het erom dat de tekstbetekenis zelf (ook na Schrift met Schrift vergelijking) niet doorslaggevend is voor de ene of andere opvatting.
Zo is mijns inziens een stilstaande aarde niet in strijd met de bijbeltekst, wel met de nu gangbare natuurkunde. Bij zo'n stand van zaken kan men 'klassiek gereformeerd' zijn en zich toch mede of primair op grond van buitenbijbelse argumenten een richting laten wijzen waarin men de oplossing voor vragen bij de uitleg moet zoeken.
Niet de Schrift wordt door resultaten van zo'n handelswijze disputabel, maar hooguit onze manier van uitleggen.
En Opbouw is er onder andere voor om elkaar dan op de vingers te tikken of verder te helpen.

5. Datering en jaartal
Na het bovenstaande kan ik kort zijn over de jaartallen. De bijbel geeft zeker dateringen. Daarmee worden personen en gebeurtenissen in relatie tot andere personen en gebeurtenissen gesteld. Om niet in herhatinqen te vervallen, volstaan we met op te merken dat de bijbel dat tot elkaar in relatie stellen nergens doet met een de hele geschiedenis omvattende omvang zoals bij A. Keizer. De jaartallen vanaf de geboorte van Christus terug naar Adam zijn geen openbaringsgegevens.
De chronologie van de 4000 jaar is in mijn ogen een (ongezonde) preoccupatie van de schrijver.

6. Leesbrillen
Om niet al te negatief te eindigen, leg ik nog een laatste ei. A. Keizer is bij mijn weten stichtingsbestuurslid van het Ned. Geret. Seminarie. Als ik de woordcombinatie 'wetenschappelijke theologie' noem, krijg ik associaties aan geschriften van hem en anderen, waarin het feilen van veel theologie en zowat alle theologische opleidingen scherp wordt aangewezen. Nu heb ik wat zitten lezen in de door hem warm aanbevolen Companion Bibie. Ongetwijfeld zit er een schat aan waardevolle informatie opgeslagen in de omvangrijke marge en in de 198 Appendices.
Ongetwijfeld is er door verder onderzoek ook heel wat achterhaald.
Maar wat me onmiddellijk opvalt is een grote mate van belangstelling voor indelingsschema's en taalconstructies, die een sleutel blijken te vormen voor het ontdekken van allerlei betekenissen. Dit geldt ook bij een aantal exegetische vraagstukken rond de gepresenteerde chronologie. Ik ben theologisch ongeschoold, maar bij een aantal dingen die ik lees zou het me niet verbazen als er een sterke invloed is van zeer oude bronnen (joodse?).
Ik moet er nog niet aan denken dat een aantal van de in mijn ogen merkwaardige opvattingen uit die bijbeluitgave vanaf de preekstoel over ons zouden worden uitgestort. Misschien zou een scriptie over de theologische wortels van de extra's uit de Companion Bible een brede waardering kunnen ontmoeten onder ons, als bijdrage van de wetenschappelijke theologie ten behoeve van het periodieke onderhoud van onze leesbrillen.


Noten
1 Opbouw, 35e jaargang, nr 13-18 2 W.H. Green, 'Primeval Chronology', Bibliotheca Sacra, 47 (1890), 285-303 3 Wat ik minder goed begrijp is A. Keizers bewondering voor het oeuvre van Velikovsky.
Het is bekend dat er Christenen zijn, die wedden op het paard van het catastrofisme als alternatief voor dat van het evolutionisme, en die in Velikovsky een geleerde en dus welkome steun zien. Wie echter vindt dat de aarde stil hoort te staan, moet eerlijk zijn en 'Werelden in botsing', een grondleggend boek in genoemd oeuvre, op de 'Index' plaatsen.
Belangrijker is echter, dat wie zo fel uithaalt naar medechristenen als Keizer doet, niet de indruk moet wekken dat Velikovsky een nauwkeurige en daarmee respectabele lezer van het O.T. is (zie tweede aflevering). De astronoom Carl Sagan laat in een (vooral natuurwetenschappelijke) analyse van 'Werelden in botsing' juist met een voorbeeld uit de bijbel

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief