Recht en kerk (2)
1991-10-11
Nieuwe facetten- Jaargang 35
- nummer 21
Geleidelijk aan voltrekken zich een aantal veranderingen in het door de overheid uitgevaardigde recht en in de rechtspraak van de rechter. Ontwikkelingen, zo betoogde ik in het vorige nummer, die ook direct te maken hebben met wijzigingen in deopvattingen van kerkleden of, ruimer genomen, overheid en burgers. Laat ik dat met enkele voorbeelden illustreren. Voorbeelden, die bepaald niet
verzonnen zijn, maar zeer direct ontleend aan de rechtspraktijk. '
Ter illustratie
a. Mededelingen en uitspraken in de kerkdienst, in preek en gebed.
Zoals wellicht bekend is, werd in 1989 door de president van de rechtbank te Arnhem vonnis gewezen in een zaak, waarin uitspraken in preek en gebed van een predikant in geding waren. De predikant zou in zijn gebed in de kerkdienst niet hebben mogen stellen, aldus de rechter, dat een bepaald dooplid, dat zich aan opzicht en tucht van de kerkeraad had onttrokken, "zich van Gods verbond en woorden niets meer aantrekt", zonder daarbij te noemen, dat dat dooplid zelf van mening was "dat uitschrijving geen breuk met God en zijn gebod impliceert". De kerkeraad werd ook verplicht in de kerkbode een mededeling omtrent de opvatting van de betrokkene zelf met die inhoud op te nemen.
Het vonnis - ik acht het nog steeds onjuist - leidde niet tot een uitspraak in hoogste instantie. Partijen sloten na het vonnis een compromis.
Het voorbeeld maakt alleen wel duidelijk, dat een procedure van kerkleden of ex-kerkleden tegen hetgeen een predikant op de kansel betoogt bepaald geen theoretische zaak is. Zeker niet indien de betrokkene een be-' paalde organisatie achter zich heeft staan, die bepaalde doeleinden nastreeft en/of die zich niet zo direct door bijbelse normen laat leiden.
b. een vrouwelijke diaken.
Een geheel ander aspect kwam aan de orde in een procedure, die onlangs werd gevoerd voor de rechtbank in Den Bosch. Inzet was de wens van een vrouwelijk lid van de R.K. kerk, dat toegelaten wilde worden tot de opleiding tot diaken aan het seminarie van het bisdom 's-Hertogenbosch. Zij werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard, en wel omdat zij het seminarie had gedagvaard en de beslissing om iemand toe te laten tot de desbetreffende opleiding en bediening volgens de Codex in handen lag van desbetreffende bisschop. Een aardig voorbeeld van hoe kerkrecht en burgerlijk recht in elkaar kunnen grijpen.
Over de zaak zelf wordt overigens nog verder geprocedeerd. T.z.t. zal dan ook nader beslist worden over haar betoog, dat het feit, dat zij niet toegelaten werd omdat zij vrouw was, in strijd zou zijn met nationale en internaticnale discriminatiebepalingen.
c. Recht op inzage ingevolge de Wet persoonsregistraties.
Een derde voorbeeld, waarin ook op dit moment, als aan zekere voorwaarden is voldaan, de rechter zal kunnen worden benaderd, wordt geboden door de Wet persoonsregistraties. Op grond van het in die wet gegeven inzagerecht kan een ieder nagaan of er in een bepaalde persoonsregistratie gegevens over hem voorkomen en zo ja, welke gegevens dat zijn en wat de herkomst daarvan is. Dat inzagerecht geldt ook voor kerkelijke persoonsregistraties.
De houder van een dergelijke administratie is, behoudens enkele uitzonderingen, op grond van de wet verplicht de betrokkene daarover te informeren. Zou dat worden geweigerd, dan kan men aan de registratiekamer of een belangenorganisatie, bij voorbeeld de consumentenbond, vragen te bemiddelen en evt. zich ook tot de rechter wenden om te bepalen dat inzage zal worden verleend of dat bepaalde correcties worden aangebracht.
Mogelijkheden, die zich in de toekomst zeker zullen kunnen voordoen.
d. De rechtspositie van een predikant
Een vierde voorbeeld is te vinden in een procedure, die onlangs door de Hoge Raad werd beslist. In een conflict tussen een predikant en zijn kerkeraad besliste de Hoge Raad, dat in het desbetreffend geval geen sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van het Burgerlijk Wetboek. Een uitspraak waaruit overigens niet mag worden afgeleid dat dat in alle gevallen bij werkzaamheden van predikanten het geval is. Men denke aan situaties, waarin predikanten (tevens) in dienst zijn van bejaardentehuizen, stichtingen, ziekenhuizen. Men denke ook aan zgn. pastorale medewerkers, kosters en organisten.
Procedures als hier bovengenoemd spelen zich gelukkig niet in groten getale af. Duidelijk is echter wel dat thans eerder naar het middel van de burgerlijke rechter wordt gegrepen dan voorheen. (Nog) niet altijd met evenveel resultaat maar niettemin.
Men kan er met de nodige voorzichtigheid een tweetal conclusies uit trekken.
Allereerst dat hetgeen het kerkrecht aan bescherming biedt bepaald niet altijd en door een ieder als afdoende wordt ervaren. Een aspect dat in de toekomst ongetwijfeld nog wel eens vaker tot procedures aanleiding zal geven. Voorts dat in een aantal gevallen toch veel gemakkelijker naar de burgerlijke rechter wordt gestapt dan voorheen het geval was.
Kerkelijk recht?
Moet men, gezien die ontwikkelingen, ook in de toekomst geen rekening houden met een enigszins bredere opzet van wat in het verleden veelal met de term kerkrecht werd aangeduid?
Ook in de opleiding? D.w.z. naast het onderricht in het (interne) kerkrecht en meer summiere beschouwingen over hetgeen er zo al aan kerkrechtelijke structuren bestaat dat 'kerkrecht' uitbreiden tot of met een 'kerkelijk recht' zodat de betrokkenen ook iets meer afweten van een aantal andere juridische aspecten waarmee zij in hun functie te maken kunnen krijgen? In ieder geval kan het duidelijk zijn, dat bepaalde aspecten, die in het verleden nauwelijks van enige betekenis konden worden geacht, in de toekomst meer aandacht zullen vergen. Zoals het ook goed is je van te voren rekenschap te geven van het feit, dat bepaalde uitspraken soms onverwachte en onaangename consequenties kunnen hebben. Een andere tijd en ontwikkelingen in de wetgeving kunnen het gewenst maken accenten te verleggen. In dat verband lijkt het ook vermeldenswaard, dat aan de VU in het komende kalenderjaar een nieuw keuzevak wordt gestart, dat de naam draagt van 'kerkelijk recht'. Een keuzevak, dat zowel door juridische als door theologische studenten zal kunnen worden gevolgd en dat ten doel heeft beter inzicht te verschaffen in de bijzondere plaats van kerkgenootschappen in ons recht, in de grenzen van de vrijheid van godsdienst en in de doorwerking van theologische visies in het interne en externe functioneren van kerken. Een cyclus, waarin deze materie zowel vanuit een theologische, een historische, een staats- en bestuursrechtelijke als een rechtspersonenrechtelijke invalshoek aan de orde zal komen. Een keuzevak, dat gegeven zal worden door één theoloog en een vijftal juristen.