Jezus over de Farizeeën en schriftgeleerden (1)
1991-10-11
Partij en functie- Jaargang 35
- nummer 21
In het Nieuwe Testament worden de Farizeeën en schriftgeleerden nogal eens in één adem genoemd. Daardoor lijkt het soms alsof deze beide woorden dezelfde mensen aanduiden.
Soms is dat wel eens het geval. Maar toch is er verschil. Voor een duidelijk beeld is het nodig dat onderscheid te kennen.
Het woord schriftgeleerde (wetgeleerde) duidt een functie aan. De schriftgeleerden waren de specialisten wat betreft het Oude Testament en wat betreft heel het complex van wetten en regels dat om en over de Schrift heen wasgebouwd.Daargavenzeonde~ richt in. Voor dat onderricht mochten ze zich niet laten betalen. Om in hun levensonderhoud te voorzien oefenden de meesten van hen daarnaast dan ook een beroep uit, meestal een handwerk, zoals timmerman of tenten maker.
Door hun onderwijs oefenden ze grote invloed uit op de mensen.
Het woord Farizeeër (= afgescheidene?) heeft niets met een beroep of functie te maken. Het duidt een aanhanger aan van een van de belangrijkste godsdienstige stromingen onder het joodse volk. Daarvan waren er in de tijd van het Nieuwe Testament verschillende: Sadduceeën, Essenen, Zeloten. De Farizeeën horen ook in dat rijtje thuis. Tussen deze godsdienstige partijen kwamen diepgaande verschillen voor. Zo geloofden de Farizeeën wel in de opstanding en de Sadduceeën niet.
Het overgrote deel van de schriftgeleerden behoorde tot de partij van de Farizeeën. Maar ook velen van de gewone bevolking behoorden tot deze partij. Het totale aantal Farizeeën was dus veel en veel groter dan het aantal schriftgeleerden.
Omdat de meeste schriftgeleerden tot de partij van de Farizeeën behoorden en hun godsdienstige ligging dus dezelfde was, worden ze in de evangeliën vaak in één adem genoemd en soms ook min of meer met elkaar geïdentificeerd, zoals in Matth. 23.
Gerespecteerd
Onder ons staan de Farizeeën in een slechte reuk. Het woord Farizeeër is in onze taal zelfs een scheldwoord geworden.
Tijdens de oorlog zongen we het liedje: .
Op de hoek van de straat staat een Farizeeër.
't Is geen man en geen vrouw maar een NSB-er.
In de tijd van het Nieuwe Testament had het woord beslist niet de betekenis van een scheldwoord. Toen was het een erenaam, een naam om trots op te zijn. Het was iets waarmee je kon geuren. De mensen keken tegen je op en groetten je eerbiedig. Vóór zijn bekering was Paulus dan ook maar wat trots op die naam.
Wij kunnen dat moeilijk begrijpen, want in onze oren klinken de woorden van Jezus: wee u, Farizeeën, gij huichelaars!
Wij kunnen het niet goed plaatsen, dat de mensen uit de tijd van het Nieuwe Testament de Farizeeën met zoveel respect tegemoet traden. Hoe kun je nu waardering hebben voor huichelaars!
Die verdienen geen respect.
Daar heb je alleen maar verachting voor. Hoe kan het nu, dat men toen de Farizeeërs niet verachtte maar met .respect en eerbied bejegende? Vond met huichelarij toen niet zo erg?
Iedereen voelt wel aan dat we de oplossing niet in die richting moeten zoeken. Er is geen tijd en geen cultuur geweest, waarin huichelarij als iets positiefs ervaren werd.
Dat was ook in de tijd van het Nieuwe Testament niet het geval.
Hebben de mensen dan niet doorgehad dat de Farizeeërs huichelaars waren? Dat komt er dichter in de buurt.
Maar als we niet meer weten te zeggen, hebben we er toch nog niet een goed zicht op en blijft het allemaal ver van ons bed.
Huichelaars
Wanneer de Here Jezus de Farizeeërs huichelaars noemt, vatten we dat automatisch op in deze zin, dat de Farizeeërs zich opzettelijk mooier voordeden dan ze waren. In ons nederlandse spraakgebruik is een huichelaar iemand die doet alsof. In jouw nabijheid 'doet hij alsof hij je aardig en sympathiek vindt, maar hij meent er geen barst van. Zodra je uit zicht bent, zegt hij de meest lelijke dingen over je en breekt hij je tot de grond toe af. En op godsdienstig gebied is een huichelaar voor ons iemand die zegt dat hij in God gelooft en zich heel vroom voordoet, maar er in werkelijkheid niets van meent.
Als de Here Jezus de Farizeeërs als huichelaars typeert, vullen we dat onmiddellijk zo in. Dan denken we: de Farizeeërs waren dus mensen die niet rneenden wat ze zeiden. Wat ze de mensen voorhielden, lag mijlenver verwijderd van wat ze werkelijk dachten.
En natuurlijk kunnen we dan alleen maar verachting voor hen hebben.
Maar bij deze invulling komen we toch in de problemen. Natuurlijk zullen er wel eens Farizeeërs geweest zijn van wie gold dat hun vroomheid alleen maar schijn was, een lege façade.
Maar de Here Jezus heeft het niet over enkele op zichzelf staande gevallen.
Hij spreekt de Farizeeërs als groep aan (zie b.V. Matth. 23). Volgens Hem is een Farizeeër per definitie een huichelaar, een hypocriet.
Moeten we dus aannemen dat elke Farizeeër bewust de mensen voor het lapje hield en niets meende van al zijn vrome woorden?
Dat ligt natuurlijk niet erg voor de hand. Het klopt ook niet met de realiteit.
Kun je van Paulus in de tijd vóór zijn bekering, toen hij een volbloed Farizeeër was, ?:eggen dat hij toneel speelde en dat zijn godSdienstige ijver en fanatisme niet oprecht gemeend waren? Geen sprake van. Alles wat hij toen zei en deed, deed hij uit volle overtuiging. Hij stond daar ten volle achter. Hij was er echt van overtuigd dat hij God een dienst bewees. En als je kennis neemt van de rabbinistische literatuur, krijg je eenzelfde beeld. De schriftgeleerden en Farizeeën die je daar tegenkomt, zijn helemaal geen toneelspelers. Ze komen op de je af als mensen die heel oprecht zijn in hun vroomheid en er eerlijk van overtuigd zijn dat ze God dienen (zie bijv. Hand. 22:3).
Zadok
Ik geef daarvan één voorbeeld: rabbi Zadok. Hij was een lid van het Sanhedrin in de dagen van Jezus en heeft Hem mee ter dood veroordeeld. Rabbi Zadok was ervan overtuigd, dat het vroeg of laat eens tot een bloedige botsing zou komen tussen Joden en Romeinen. Dat zou dan volgens hem een straf van God zijn over de afval van het volk. In een poging die dreigende catastrofe te voorkomen begon hij tijdens het optreden van Jezus een persoonlijke vasten-actie.
Hij vastte twee dagen per week om daardoor God te vermurwen het onheil over Jeruzalem af te wenden. Deze vasten-actie heeft hij 30 jaar lang volgehouden. Ze heeft diepe indruk gemaakt op het volk.
Natuurlijk heeft Zadok dat echt gemeend.
Anders houd je zoiets geen 30 . jaar vol. Hij stond er met heel zijn overtuiging achter. En als je zoiets leest, kun je je ook voorstellen dat de Farizeeërs bij het volk in hoog aanzien stonden en dat er met respect over hen gesproken werd.
Deze rabbi heeft model gestaan voor de gelijkenis van Jezus over de Farizeeër en de tollenaar. Maar Jezus geeft geen blijk van bewondering.
Integendeel. Hij benadrukt dat de Farizeeër door God wordt afgewezen (Luc. 18:9-14). Dat moet bij de mensen die het hoorden, als een bom ingeslagen zijn.
Was die man een huichelaar? Was het alleen maar toneelspel van hem? Natuurlijk niet. Er klinken vandaag dan ook steeds meer stemmen die zeggen: het Nieuwe Testament doet de Farizeeën geen recht. Het schuift de Farizeeën dingen in de schoenen die niet· kloppen en nergens op slaan.
Is dat zo? Heeft Jezus zich op de Farizeeën verkeken?
Die suggestie kunnen we niet aanvaarden.
Toch is het ook duidelijk, dat we de Farizeeën niet als notoire bedriegers mogen doodverven. Dat betekent dat er nog maar één andere mogelijkheid is, namelijk dat het woord hypocriet, huichelaar, in de mond van Jezus een andere betekenis heeft dat in ons nederlandse spraakgebruik.
Wetteloos
Als we die mogelijkheid onderzoeken, blijkt dat inderdaad het geval te zijn.
Het woord hypocriet is.een grieks woord en betekent: toneelspeler. In het grieks kan het ook in negatieve betekenis gebruikt worden: iemand die doet alsof, een bedrieger, een huichelaar.
Maar in de joodse wereld kreeg het woord een andere betekenis: In de Septuagint (de griekse vertaling van het Oude Testament) heeft het woord niets uit te staan met je anders voordoen dan je bent.
Daar is het het tegenovergestelde van de HERE vrezen. Het is: je niet aan zijn wetten houden. Het is daar een synoniem van: wetteloze, goddeloze (Job 34:30; 36:13; Sir. 32:15; 33:2).
Tegen de achtergrond van die betekenis in de Septuagint moeten wede woorden van Jezus lezen. Als Hij de Farizeeën en schriftgeleerden hypocrieten, huichelaars, noemt, wil Hij daar niet mee zeggen dat hun vroomheid niet subjectief eerlijk is, maar dan wil Hij daarmee zeggen dat hun vroomheid - die heus wel echt gemeend is - zelf tegen Gods wet ingaat.
Dat is dus heel ingrijpend. De wetgeleerden waren voortdurend bezig met Gods wet. Die plozen ze na en die overdachten ze. Ze baseerden er allerlei bepalingen op voor het dagelijkse leven. Maar heel die activiteit, waar ze zelf helemaal achterstonden en waarmee ze oprecht meenden God te dienen, ging ten diepste tegen Gods wet in.
'Een radicaler kritiek is niet.denkbaar.
Iemand als Paulus heeft dat na zijn bekering ook scherp leren zien. Ik dacht in die tijd dat ik bezig was een behoorlijk kapitaal bijeen te sparen op mijn godsdienstige bankrekening bij God, schrijft hij. En ik had niet door dat ik met al mijn godsdienstigheid hoe langer hoe verder in de rode cijfers terecht kwam (Fil. 3:4 v.v.).
De spits van Jezus' kritiek is dus niet: jullie doen alleen maar alsof. Maar: jullie vroomheid zelf staat haaks op Gods wet.
Dat kan dus. Iemand kan er zelf ten volle van overtuigd zijn God te dienen en rekening te houden met Gods Woord, terwijl hij in feite vierkant tegen dat Woord van God ingaat, niet maar op onderdelen of ten aanzien . van specifieke punten, maar in de totaliteit van zijn leven.
Rijstijl en weg
Laat ik dat met een voorbeeld proberen te verduidelijken.
U moet naar een belangrijke vergadering in Amsterdam: U stapt in uw auto en gaat op weg. Maar op de een of andere manier heeft zich in uw hoofd vastgezet dat de vergadering in Rotterdam is. En in plaats van de weg naar Amsterdam neemt u dus de weg naar Rotterdam. Onderweg rijdt u precies volgens de regels. U rijdt niet door rood. U vergeet niet richting aan te geven. U haalt niet op onverantwoorde wijze in. U overschrijdt de snelheidslimiet niet. U houdt goed afstand. Kortom, aan uw rijstijl mankeèrt niets. Maar dat brengt u niet waar u wezen moet, want u zit op de verkeerde weg.
Precies zo stond het met de Farizeeën en schriftgeleerden. Die wisten natuurlijk nog best een heleboel goede en zinnige dingen te zeggen en te doen.
Alleen maar: het bracht hen niet waar ze wezen moesten, want ze zaten niet op de goede weg. Het kader waarin het stond, deugde niet.
Dat bedoelt Jezus als Hij zegt: wat ze zeggen, doet dat en onderhoudt dat, maar doet niet naar hun werken (Matth. 23:3). Met andere woorden: houd je maar aan hun rijstijl en aan de aanwijzingen die ze daarvoor geven.
Maar volg hen niet, want ze zitten helemaal op het verkeerde spoor.
Alles wat zij zeggen, doet dat, zegt Jezus tot de scharen en zijn discipelen.
Dat klinkt heel absoluut, maar zo is het natuurlijk niet bedoeld. Want Christus heeft zelf ook meer dan eens ingrijpende kritiek gehad op wat de schriftgeleerden zeiden (Matth. 16:12; 23:16 v.v.). Om het beeld nog even vast te houden: er zaten wel goede dingen in hun rijstijl, maar ook die was niet helemaal vlekkeloos. Dat moeten we bij deze woorden van Jezus wel in rekening brengen.
Maar voorzover de schriftgeleerden Mozes laten spreken, moeten ook de discipelen naar hen luisteren. Want dan hebben ze niet te maken met de schriftgeleerden, maar met Mozes, met het Woord van God. Dat is ook vandaag nog een belangrijk gegeven.
Je kunt - terecht - diepgaande bezwaren hebben tegen het rooms-
katholieke leersysteem en tegen de positie van de paus. Maar op de momenten waarop de paus de Schrift laat spreken, hebben we maar te doen wat hij zegt. Niet omdat de paus het zegt, maar omdat de Schrift het zegt.
(wordt vervolgd)