Pastorale notitie
1991-10-25
- Jaargang 35
- nummer 22
G. v.d. Brink, Veenendaal
De godsdienstleraar
Een godsdienstleraar zei voor de EO TV: "De godsdienstles moet niet gegeven worden door leraren van andere vakken, maar door de vakleraar godsdienstige vorming".
Laat ik nu jaren lang het tegendeel beweerd hebben!
Dat komt natuurlijk omdat ik dacht aan een dominee als vakman-godsdienst.
Ik heb in Zwolle een paar jaar godsdienstlessen gegeven op een MAVO.
Als oud-onderwijsman genoot ik ervan weer eens in de leraarskamer te zijn en voor de klas te staan. Maar in Rotterdam was het andere koek. Daar heb ik het één jaar volgehouden. Daarmee brak ik wel een duurrecord. Mijn voorganger (OOkeen weleerwaarde heer) hield het 6 weken vol. De man daarvoor 2 of 3 weken. De jongelui speelden het spelletje: domineetje pesten.
Daarin waren ze voortreffelijk. Toen zei ik: de vakleraren moeten het doen.
We mogen toch veronderstellen dat ze als belijdende christenen de stof meer dan beheersen. Bovendien hebben ze een relatie met de leerling. Tenslotte doet hun belijdenis meer dan die van een predikant. Als een dominee zegt: "Ik geloof in God de Vader" heb je kans dat sommige jongelui met Bob Dylan zeggen: Your profession is your religion, dat wil zeggen: u moet zo praten want u wordt ervoor betaald.
Maar ik moet toegeven dat ik buiten de vakman 'godsdienst' gerekend heb. Hij is voor dit vak opgeleid, kent het inhoudelijk het beste en zo ook de bijpassende methodieken. Dus: akkoord met de EO-spreker.
Dat het vak godsdienst, gegeven door een leraar van een andere discipline echter niet minder hoeft te zijn, is ook duidelijk. Als de biologieleraar zegt: Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, die hemel en aarde geschapen heeft, maakt dat meer indruk dan wanneer een godsdienstman dat zegt. En dat zijn methodiek niet minder hoeft te zijn, bewijst het volgende verhaal.
De biologieleraar zag dat de geschiedenis van Zacheüs aan de beurt was.
Hij zette een tafeltje voor de klas en pootte er enkele 17 jarigen aan: "Nu zijn jullie de kerkeraad".
Gejoel natuurlijk, want a) de kerk staat er toch al niet te best op en b) de kerkeraad nog minder. Sommigen wisten trouwens niet eens wat een kerkeraad was. Dus werd dat eerst duidelijk gemaakt: de kerkeraad beslist over toelating, ja of neen.
Toen kwam de opdracht: Er is een brief binnengkomen van meneer Adolf de Mof. Die is goed fout geweest in de oorlog. Hij heeft wel niet gemoord, maar wel heeft hij zich - wederrechtelijk - enorm verrijkt. De man vraagt heel dringend toegelaten te worden in de christelijke gemeente. Vraag: wat doet de kerkeraad met die brief c.q. man?
De 'kerkeraad' vergadert een paar minuten en komt tot een unaniem oordeel: Dit verzoek wordt afgewezen.
Die man moet eerst maar eens bewijzen dat hij veranderd is. Dus: eerst verandering, dan toelating. De klas is het er mee eens.
Dan wordt de geschiedenis van Zacheüs gelezen. De Here Jezus bewijst de oppertollenaar eerst genade en dan komt de verandering: achteraf dus. Dat schokt de klas. Het vormt aanleiding tot een geanimeerd gesprek over de diepste dingen. De God van Israël voert zijn volk uit Egypteland zonder voorwaarden vooraf. De verandering komt achteraf, bij Sinaï. De Here Jezus sterft voor de zonden van de wereld aan het kruis, zonder voorwaarden vooraf. De verandering komt achteraf.
Conclusie: deze klas is intens bezig geweest met het hart van het evangelie.