Nabij in afwezigheid
1991-10-25
Tussen vele psalmen die zingen van Gods betrokkenheid op en zorg voor ons leven zijn er ook die de ervaring van Gods afwezigheid bezingen.- Jaargang 35
- nummer 22
Godsverduistering avant la lettre, en daarmee zijn het herkenningspunten voor die momenten dat we het zicht op God wat kwijt zijn. Dat lijkt overigens in onze tijd een algemeen euvel te worden. De geschiedenis met haar afschuwwekkende daden, de wetenschap met haar vele ontdekkingen en het verlies van een enkele overkoepelende zingevingsstructuur hebben er toe geleid dat we God veel minder kunnen ervaren. Persoonlijke ervaringen kunnen we daar nog aan toevoegen, en het beeld van de Godsverduistering is rond. In Psalm 22 en 77 wordt die ervaring beschreven en bezongen (overigens: ook in psalm 10, 13,42,55, 63,69, 74, 79, 102). Het is dus niet zo'n modern verschijnsel, en in elk geval een ervaring die we met een beroep op de Bijbel serieus mogen nemen en doorleven.
Contrasten
Psalm 22 en 77 bestaan in contrasten.
Beide beginnen met een roep om hulp en eindigen met een lofzang om de hulp. In Psalm 22 ligt de grens tussen vers 22a en 22b, in Psalm 77 tussen vers 11 en 12. Wil je het tweede deel serieus nemen, dan zul je dus eerst het eerste deel moeten doorleven.
Maar eerst een enkele opmerking over de situatie waarin de psalmen zijn ontstaan. Omdat de dichter van Psalm 22 (David!?) hier niets over zegt is het moeilijk conclusies te trekken. Ook in de tekst zijn geen concrete verwijzingen.
De meningen variëren van de belegering van het volk Israël tot een lichamelijke kwaal, tot het lijden van de komende Messias. Het meest waarschijnlijk lijkt op grond van de tekst een situatie waar David persoonlijk werd bedreigd door meerdere aanvallers.
Ook bij Psalm 77 vinden we geen concrete aanduiding. Wanneer we een historische verwijzing vermoeden kunnen we bijvoorbeeld denken aan de ballingschap, of ook aan de aanvallen van de Chaldeeën. Er lijkt een duidelijke parallel te zijn tussen Psalm 77 en Habakuk 3. Wanneer het voor het verstaan van de psalmen nodig was de precieze achtergrond te weten had de Heilige Geest ons daar wel over ingelicht. Nu overstijgen de psalmen een concreet moment en krijgen ze haast universele geldingskracht.
Psalm 77 beschrijft in het eerste deel een moeilijke weg. Van de ervaring van de nood gaat het via de twijfel naar de pijnlijke conclusie. Asaf roept tot God, maar hij kan niet getroost worden. Ook niet door zijn geloof. Te makkelijk gaan we er soms van uit dat het geloof in situaties van lijden en moeite onze troost dient te zijn. We spreken mensen aan op dat geloof, maar dat is niet altijd zinvol, ethisch en pastoraal. David spreekt zelfs over de spotters die hem nu op zijn geloof wijzen (22:8,9). En Asaf kan alleen maar kreunen als hij aan God denkt.
Het gebruikte woord (een klanknabootsing) betekent zoiets als het wanhopige grommen van een beer. Het geeft aan hoezeer Asaf weg zinkt in de moedeloosheid.
Aan God denken maakt het alleen maar erger, wari't als God je nabij is, hoe kan het dan dat dit allemaal met hem gebeurt? De conclusie van Asaf is bijna ondraaglijk: "Daarom zeg ik: dit krenkt mij, dat de rechterhand van de Allerhoogste verandert"
(77:11). Het doorboort zijn hart als hij merkt dat God niet meer de oude is, niet meer Degene is die voor Asaf zo betrouwbaar was.
Profetie?
De beschrijving van Psalm 22 is voor ons met name bekend door de citaten uit de lijdensgeschiedenis. In het evangelie naar Mattheüs vinden we binnen vijftien verzen (27:35-46) ten minste vier directe verwijzingen naar Psalm 22. Het duidelijkst en bekendst in die woorden die Psalm 22 kenmerken: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Deze woorden geven het scherpe contrast tussen de nabijheid (Mijn God) en de afstand weer. Toch doen we er goed aan Psalm 22 niet alleen te zien als een messiaans-profetische psalm. De herkenbaarheid en universele gelding van Psalm 22 betreft de menselijke ervaring van Gods afwezigheid. Tussen de twee delen van Psalm 22 gebeurt er iets.
Misschien moet je het zo zeggen, dat de Here Jezus in de diepste ellende van ons menselijk bestaan is getreden om die te dragen. In die Godsverduistering, die verticale eenzaamheid is Hij binnen gekomen. Hij heeft die universele ervaring van Gods afwezigheid opgenomen en mee-beleefd. Dat is misschien wel de meest persoonlijke betekenis van het evangelie dat de Heiland van deze wereld, de Zoon van de Allerhoogste God, binnen treedt in de soms ondraaglijke ellende van het menselijk bestaan. Psalm 22 voorzegt niet alleen het lijden van de Messias, maar beschrijft ook onze eigen ellende waarin de Messias wil delen. Hij is gekomen om die ellende voor ons te dragen, ons daarin nabij te zijn. God zelf identificeert zich aan het kruis met de diepste ellende van het menselijk leven. Daarin zien we hetzelfde gebeuren als bij de vaak zo zoetig beschreven kribbe in Bethlehem. Ook daar neemt de Here God, de Koning van hemel en aarde genoegen met een plaatsje aan de onderkant van het bestaan. Niks geen macht en majesteit, maar een kwetsbaar kind dat in alles afhankelijk is van zwakke mensen.
God levert zich uit. Hij geeft zich over. Hij treedt binnen in de zwakheid en kwetsbaarheid van ons bestaan.
AN1WOORD
Daarmee is de Here Jezus ook het enige ware antwoord op de ervaring van Gods afwezigheid. Hij Zelf is ons komen opzoeken in die afwezigheid.
Hij is afgedaald tot op de bodem van onze put. Daarom kan Psalm 22 na de breuk verder gaan met de woorden: "U hebt mij geantwoord". Dat is de paradox van het evangelie dat God overwint door schijnbaar te verliezen.
Hij antwoordt door schijnbaar te zwijgen.
Hij is nabij in zijn afwezigheid.
Het evangelie biedt geen goedkope antwoorden van "bidt maar en het komt wel weer goed". Dat zeggen de spotters (22:9). Het antwoord van het evangelie is niet het roepen vanuit de put, maar het afdalen in de put. Wie dat ontdekt kan ook de tweede helft
gaan mee zingen. Die kan met de gemeente weer de lof van God zingen.
In Psalm 77 wordt die overgang nog iets meer in detail beschreven. Daar verbreedt het perspectief zich in het tweede deel. In de eerste plaats verschuift het gezichtspunt van het persoonlijke naar het collectieve. Eenzaamheid is de eerste klacht in het lijden van mensen. Het isolement moet worden doorbroken en dat gebeurt in Psalm 77 door het hele volk in ogenschouw te nemen. Als we zien wat de HEEREgeeft aan broeders en zusters -en in broeders en zusters blijken er ook signalen van Gods aanwezigheid te zijn. De gemeenschap is een eerste aanknopingspunt voor de ervaring van de genade.
De tweede perspectief-verandering is van klacht naar gedachtenis. Dat wil zeggen dat de gebeurteni~sen een andere interpretatie krijgen. Troost door gedenken hebben de vertalers er boven gezet. Terwijl David eerst moet kreunen als hij aan God denkt, nu vindt hij troost door aan God te denken.
Dat is een hele overgang. In beide delen van de psalm wordt er gedacht en gepeinsd, maar in een heel ander licht. Dat komt doordat Asaf in het eerste deel alles ziet vanuit zijn huidige ellende, terwijl hij in het tweede deel alles beziet vanuit de onbetwijfelbare daden Gods in het verleden. In de eerste optie wordt alles betwijfeld en onzeker, in de tweede relativeer je de ellende door te zien op de vaste grond van de Magnalia Dei, de grote daden van de HEERE.
Sporen in het water
De derde wijziging van gezichtspunt vinden we in het contrast van de laatste verzen van Psalm 77. Enerzijds belijdt Asaf dat Gods werk herkenbaar is in het natuurgeweld. Zo sterk en duidelijk, zo onontkoombaar, zo is God ook. Maar anderzijds belijdt Asaf aan het einde dat Gods weg door de wateren gaat. Onherkenbaar, verborgen.
De voetsporen van God worden niet gekend. Asaf gaat zien dat ook in de schijnbare afwezigheid van God Hij nog wel eens bezig zou kunnen zijn met ons leven. Zoals Hij het volkdoor de wateren heen - redde in de tijd van Mozes en Aäron, zo kan Hij ook nu achter de schermen bezig zijn met ons leven.
Het blijft alles voorlopig en gedeeltelijk.
We zijn nog niet op de nieuwe aarde. Maar het is al wel mogelijk om via de Here Jezus die in onze ellende kwam de overstap te maken naar het nieuwe perspectief: dat van de hoop.
Niet in het grootse, maar als een voetstap in het water.