Op reis door Oost-Europa, anno 1991

1991-10-25
  • Jaargang 35
  • nummer 22
Ruim twee jaar geleden rondde ik mijn studie geschiedenis aan de Rijksuniversiteit van Utrecht af. Mijn afstudeeronderzoek hield zich, indirect, bezig met de gebeurtenissen in de Duitse concentratiekampen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Ik heb in dat kader ook enkele gesprekken met oud-gevangenen gevoerd.
Na de studie vervulde ik mijn dienstplicht als officier aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag, een instelling die onder meer het.
militair-strategisch en -tactisch onderwijs voor hogere landmachtofficieren verzorgt.
Hier kon ik van dichtbij meemaken hoe aan de lopende band de regels van de tactiek, de oefeningen en de lessen herschreven moesten worden vanwege de voortdurende veranderingen in Oost-Europa.
Deze ervaringen gaven een extra impuls aan het reeds aanwezige verlangen om de sfeer te gaan proeven in het nu voormalige Oostblok en dan tevens een bezoek te brengen aan het Poolse Oswieçim, oftewel: Auschwitz.
Na mijn afzwaaien uit militaire dienst, ging ik in april en mei van dit jaar op reis.

Berlijn
Mijn eerste reisdoel: Berlijn.
Ik huurde een kamer in een goedkoop pensionnetje in het westelijk gedeelte van de stad en trok te voet en voorts gebruikmakend van bus, metro en S-bahn (soort stadstrein) de stad in.
Ik vond het bepaald een sensatie om, komende vanuit de Tiergarten, onder de beroemde Brandenburgertor door te lopen en Unter den Linden op te kuieren. Geen muur die me tegenhield.
Naast de Brandenburgertor, op een kaalgeslagen terrein waar vroeger de muur had gestaan, werd op dat moment een grote vakbondsdemonstratie voor meer werkgelegenheid gehouden.
Van de Brandenburgertor is het slechts een wandelingetje van een paar minuten naar het Rijksdaggebouw.
Dit verschafte onder meer onderdak aan een tentoonstelling die een overzicht gaf van de Duitse geschiedenis van de afgelopen 200 jaar: "Fragen an die Deutsche Geschichte". Veel aandacht hierbij ook voor de periode van het Derde Rijk. Van de verwerking van dit deel van het verleden getuigen overigens vele monumenten en musea in Berlijn.
Vanaf de Rijksdag slenterde ik over Unter den Linden oostelijk Berlijn in.
Dit maakte een enigszins grauwe en troosteloze indruk; het koude, sombere weer was hier deels debet aan.
Met de kraag van m'n veel te dunne windjack hoog opgeslagen sloeg ik rechtsaf de Friedrichstrasse in, op zoek naar eventuele restanten van het beruchte 'Checkpoint Charlie', de grenspost tussen de vroegere Russische en de Amerikaanse zones. Voor je het weet ben je het punt echter al voorbij. Slechts een wachttorentje en twee slagbomen die doelloos de lucht in prikken, herinneren aan de zwaar bewaakte en gebarricadeerde overgang van weleer. Vlak er naast trachtte nu een haveloos uitziende koopman een voorraad Oostduitse officierspetten en VoPo-helmen aan de man te brengen. Het kan verkeren.
Berlijn: in korte tijd een overweldigende hoeveelheid impressies. Lopen over het Alexanderplatz in oostelijk Berlijn: in de twintiger en dertiger jaren bruisend middelpunt van de stad, nu een groot en kil plein omgeven door grijze kantoor- en hotelflats waar je met je hoofd in je nek omhoog kijkt naar de honderden meters hoge Fernsehturm; met een groep toeristen je staan te vergapen aan een na veel speuren gevonden stukje 'muur'; door ijs en weder getergd naar de voorstad Potsdam met 'Sans Souci', de residentie van de Pruisische koning Frederik de Grote en 'Schloss Cecilienhof', waar in augustus '45 de laatste geallieerde oorlogsconferentie werd gehouden.
Van daar door de neerstromende regen teruglopen naar de stadsgrens van Berlijn, waarbij je de beroemde Glienicke Brücke oversteekt en je je in de schemering van de namiddag heel goed kunt voorstellen hoe de brug vroeger meer dan eens het toneel vormde voor spionnen-uitruil tussen Oost en West.
Mijn verblijf in Berlijn werd besloten zondag 's morgens met een kerkdienst in de Wilhemsgedächtniskirche, een modern kerkgebouw in het centrum van (westelijk) Berlijn dat dient ter vervanging van de gelijknamige, in de oorlog verwoeste, kerk. De ruïneuze toren van de oude kerk staat nog overeind en wordt zorgvuldig in stand gehouden als het symbool voor de tijdens de oorlog aangerichte verwoestingen.

Weimar
De volgende dagen bracht ik door in Weimar, een betrekkelijk kleine stad in de voormalige DDR, enkele 'treinuren' gaans ten zuid-oosten van de Duitse hoofdstad. Hier heeft in de afgelopen eeuwen een onwaarschijnlijk groot aantal hoofdrolspelers uit de Duitse cultuur gewoond en gewerkt: J.S. Bach, Goethe, Schiller, Liszt, om er enkele te noemen. De stad is ook bekend vanwege de Republiek van Weimar die er in 1919 werd uitgeroepen.
Ik vond dit alles natuurlijk zeer aantrekkelijk, maar de keuze viel ook op Weimar omdat ik na Berlijn wel eens in een gewone provinciestad de sfeer wilde proeven.

Een kamer vinden bij particulieren leverde geen enkel probleem op. Velen zijn er die door kamerverhuur een broodnodige aanvulling op hun inkomen proberen te verkrijgen. Ik beschikte over een kamertje in het eenvoudige huis van een gepensioneerd arbeidersechtpaar. Talloze gesprekken heb ik met deze mensen gevoerd.
Over de moeilijke tijden onder 'der Honni' (Honecker) toen ze in onmacht moesten toezien hoe het land economisch en sociaal aftakelde. Over hun dochter die met een West-Berlijner was getrouwd en die ze daarom niet meer mochten bezoeken, evenmin als hun kleinkind en die ze daardoor alleen nog konden zien tijdens heimelijke ontmoetingen in Tsjechoslowakije.
Over de ingrijpende gebeurtenissen tijdens 'die Wende' in 1989, toen de mensen in alle consternatie en onzekerheid niet wisten waar ze het zoeken moesten en het openbare - en private - leven in een chaos veranderde.
Maar ook het heden kwam aan de orde: de dankbaarheid voor de verkregen vrijheid werd echter overheerst door de desillusies. Stijgende prijzen, werkloosheid die de pan uit rijst en het superioriteitsgevoel van de West-Duitsers ten opzichte van hun landgenoten uit de voormalige DDR.
Opmerkelijk was ook de zéér gereserveerde houding - ik druk mij mild uitten opzichte van buitenlandse arbeiders en asielzoekers, een fenomeen dat in Duitsland de laatste tijd een zeer bedenkelijke vorm en omvang aanneemt.

Tijdens één van mijn zwerftochten door de stad, raakte ik verzeild in een oploop van enige tientallen mensen die zich verdrongen rond een verkooppunt waar naam- en salarislijsten werden verkocht van leden van de gevreesde 'Stasi' . Deze vonden gretig aftrek: men wilde maar wat graag te weten komen wie er allemaal 'fout' waren geweest. Ik trad in gesprek met een aantal mensen. Ook hier overheerste de bitterheid. Sommigen gingen zich te buiten aan tantasieën over de straffen die de voormalige Stasi- en Partijbonzen, waarvan velen zich al weer in goede posities en betrekkingen zouden hebben gewerkt, eigenlijk hadden moeten ondergaan. Er heerste de bepaald onaangename sfeer van 'bijltjesdag'. Toen ik een foto van het tafereel wilde nemen, werd mij beleefd doch dringend verzocht dit na te laten: angst voor een wellicht nog onderhuids opererende Stasi.
Weimar leverde, onverwacht, nog een ervaring op. De stad vertegenwoordigt, ik zei het al, in hoge mate dat wat Duitsland aan cultuur heeft voortgebracht.
Even buiten Weimar wordt je echter wreed geconfronteerd met een andere zijde van het Duitse verleden: het concentratiekamp Buchenwald. Ik was stellig van plan het niet te bezoeken.
Polen stond al op het programma.
Toch ben ik er naar toe gegaan, omdat ik getroffen werd door het keiharde contrast tussen deze twee kanten van het Duitse verleden. Nog nooit eerder had ik ze in deze extreme vorm naast elkaar in één plaats aangetroffen.
Het verblijf in Weimar was kort, heftig en niet altijd om van in een juichstemming te geraken. Het was de hoogste tijd geworden om de biezen te pakken en de schreden nog verder oostwaarts te richten naar 'de stad met de duizend torens': Praag.

Praag
Praag is ronduit een heerlijke stad.
Een kleine week heb ik er rondgezworven, door de Oude Stad met de talloze gotische, renaissancistische en barokke gevels, langs de Moldau, over de Burcht met de immense St. Vituskathedraal en door het oude Joodse ghetto dat eens het centrum van het "Joodse culturele leven in Europa vormde.
Ik proefde er ook een sfeer van onbekommerdheid, vrijheid-blijheid; temidden van het flanerende volk op de Oude Markt en het Wenceslausplein gaven straatmuzikanten 'm van katoen met jazz en vroege nummers van de Beatles en de Stones. Vlak bij mijn kamer stond een monument in de vorm van een Russische T-32 tank, bovenop een sokkel. Het zorgde voor nogal wat vermaak en opwinding toen deze op een nacht door inventieve lieden van een roze verfje werd voorzien.

Toch was er zeker niet alleen vrolijkheid.
De vele bedelaars op straat getuigden van armoede. Een eerste indicatie hiervan had ik overigens al gekregen bij mijn aankomst in Praag op het centraal station. Amper stond ik toen met mijn rugzak op het perron, of ik werd omstuwd door allerlei mensen, van jong tot bejaard, die me vroegen, haast smeekten, om voor weinig geld een kamer bij hen te huren.
Vanaf dezelfde plaats vertrok ik zes dagen later voor een treinreis van zo'n zes uur naar de industriestad Ostrava in het oosten van Slowakije, om van daaruit de Poolse grens over te steken, richting Oswieçim (Auschwitz).

Auschwitz
Omdat Ostrava op het eerste gezicht weinig meer leek te bieden dan veel industrie en een daardoor verziekte atmosfeer, besloot ik dezelfde nacht nog verder te reizen naar Auschwitz.
In de nachttrein naar Warschau deelde ik een coupé met een Russisch echtpaar dat op koopjesjacht was geweest in Tsjechoslowakije. Bij de grondige controle aan de Poolse grens bleek waaruit die koopjes bestonden. Een tiental koffers en dozen moest open en van tussen de shirts en de onderbroeken werd tot mijn niet geringe vermaak en tot ergernis van de douanebeambte de ene fles Wodka na de andere te voorschijn getrokken. Het duurde een uur voordat de trein verder ging. Even later kwam de trein opnieuw tot stilstand, nu op een duister rangeerterrein. Ik gokte erop dat ik er daar uit moest om de overstaptrein naar Auschwitz te kunnen nemen.
Terwijl ik m'n rugzak naar buiten smeet en op het perron sprong, zette de trein zich al weer in beweging. Het Russische echtpaar zwaaide mij slapjes na, zich in kennelijke verbijstering afvragend wat die Hollander daar om 02.00 uur 's nachts te zoeken had. Een vermakelijk incident dat een aangrijpend bezoek aan Auschwitz inluidde.
Auschwitz: je kunt er lang over uitweiden zonder dat dit wezenlijk bijdraagt aan een inzicht in wat je bij. het bezoek voelde en dacht. Verstand en gevoel staan er namelijk vrijwel stil. Doorgronden van het gruwelijke leed behoort al helemaal tot de onmogelijkheden.
Je loopt onder de poort door en leest 'Arbeit macht frei', je loopt lan.gs de woonkazernes van Auschwitz, je aanschouwt er het krematorium, je staat op het selectieperron van Birkenau en je kunt eigenlijk niet veel anders dan kennis nemen van de feiten zoals die je in een gekochte brochure worden voorgeschoteld. Bij de poging enigszins aan te voelen wat er gebeurd is, schiet je inlevingsvermogen gewoonweg te kort. Hoewel dit waarschijnlijk maar goed is ook, ervaar je er toch een soort schuldgevoelover.
Wat er eigenlijk het diepste 'in hakt', zijn de spullen en eigendommen die door de gevangenen zijn achtergelaten: een kamer vol beenprotheses, een kist met kinderschoentjes. Een waardevol bezoek, dat wel, al was het alleen maar vanuit het oogpunt van piëteit jegens de miljoenen slachtoffers.
Een bezoek ook, waarvan je pas naderhand merkt hoe diep het toch op je ingewerkt heeft.

Na Berlijn, Weimar, Praag, Auschwitz en alle ontmoetingen en wederwaardigheden die ik hier onbeschreven heb ge''lten, wilde ik me laven aan de rust van de natuur. Daarvoor had ik de Tsjechoslowaakse zijde van de Hoge Tatra uitgekozen, het hooggebergte op de grens van Polen en Tsjechoslowakije.
Op weg erheen ontmoette ik nog een Poolse architect, Jan, die het heerlijk vond met iemand engels te kunnen spreken, die de vertwijfeling nabij was toen ik vertelde dat ik niet naar zijn geboorteplaats, de historische stad Krakow, zou gaan en er vervolgens op stond mij te trakteren op een warme maaltijd in een restaurant. Dit terwijl hij mij er uitvoerig over had ingelicht dat hij vrijwel blut was en dat daar ook weinig verandering in zou komen gezien de beroerde staat van de tandseconomie.
Laat diezelfde dag bereikte ik het zwaarbesneeuwde gebergte. Ik wilde er toch nog doorheen om Tsjechoslowakije te bereiken, hoewel het al tegen de schemering begon te lopen.
Per bus naar de grens, hoog in de bergen. Van daar kon ik gelukkig meeliften met een Duitse speelgoedfabrikant, met wie ik daarna nog een paar maal contact had en 's zondags een Lutherse kerkdienst bijwoonde. Na een aantal dagen van stevige wandeltochten door de bergen, aanvaardde ik de terugreis naar Utrecht die 30 uur zou duren.
Zo'n Europa-reis is als een zak met snoepjes: je raakt totaal verzadigd, maar het duurt niet lang of het smaakt naar meer.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief