De macht van het gebed (1)

1991-11-08
  • Jaargang 35
  • nummer 23
Welke visie hebt u op de taak van de kerk? Welke visie hebt u op de plaats en de taak van de gemeente in de wereld? Welke visie hebt u op uw eigen taak en opdracht in dit alles?
De verzen, die hierboven staan aangegeven, vormen één van de meest aangrijpende woorden uit het evangelie.
In vs 36 wordt aangegeven met welke gezindheid Jezus zijn werk onder het volk doet en wat Hem daarbij beweegt.
Toen Hij de scharen zag, werd Hij met ontferming over hen bewogen, daar zij voortgejaagd en afgemat waren, als schapen die geen herder hebben.

Jezus' visie op de massa
Toen Hij de scharen zag ... Zien en zien is twee. Twee mensen kunnen naar het zelfde kijken en toch ieder iets anders zien. De scharen, de massa ...
Wat zie je erin? Hoe vaak worden op de massa niet woorden toegepast als gepeupel, het grauw, het plebs. Daar zit duidelijk iets van afkeer in of van onverschilligheid.
De massa kan in z'n massaliteit ook beangstigend zijn. Kijk naar een menigte in een voetbalstadion, schreeuwend en tierend en ophitsend. Of neem het krijsende, uitzinnige publiek bij een popfestival. Kijk naar een demonstrerende mensenmassa.
Jezus ziet de massa en raakt met hen bewogen. Wie ziet het volk zoals Hij?
Het hart draait Hem gewoon in zijn lichaam om! Waarom dan? Wat beroert Hem dan zo?
Nu, de ergste nood is niet allerlei narigheid, die Hij ontdekt. Het ergste zijn niet de talloze ziekten, of de sociale ellende of de politieke onvrijheid, enz.
Nee, Jezus ontdekt de grootste nood van het volk, de wortel van hun misère.
Dat is de herderloosheid van het volk. D.w.z. de grote massa, al die mensen buiten de kerk, zij hebben geen herder, die hen leiding geeft; geen voorman die hen in de goede richting voert; niemand die hun het doel van het leven wijst. Ze zoeken ernaar, individueel, samen, in de politiek, in godsdienstige bewegingen.
Men zoekt naar voormannen, goeroes, partijleiders, die de toon aangeven en visies ontwikkelen.
Maar niemand kent de waarheid van het leven. Niemand verstaat de zin van het bestaan. Het menselijk verstand is afgestompt. Er is geen openheid voor de openbaring van God. En daarom loopt alle zoeken en tasten' op niets uit. .
De massa buiten de kerk heeft geen herder. Dat betekent ook, dat ze gevaarlijk is blootgesteld aan opwellingen.
Dat ze uiterst beïnvloedbaar is voor valse leiding. Een politieke leider, die de gevoelige snaren van het hart weet.te bespelen, krijgt de massa zomaar mee op een totaal heilloze weg. Een welbespraakte godsdienstige dweper of sekteleider verandert haar in een fanatieke meute, die blindelings hem volgt.
Die massa, die zich zo ontpoppen kan, zo beangstigend, onthutsend - die scharen wekken Jézus' ontferming! Hij distantieert zich niet van hen. Ze irriteren Hem niet. Menselijk gezien is het een wanhopig beeld. Maar niet voor Jezus. Integendeel, hun richtingloosheid roert Hem. Hij krijgt tranen in zijn ogen als Hij ziet dat hun alle houvast in leven en sterven ontbreekt. Hij peilt hun nood, die hun ondergang is, en het hart krimpt Hem samen.
Hij weet: de wereld heeft een herder nodig, die de weg weet; die voor hen zorgt, strijdt, leiding geeft, geneest. En die Herder is Hij. Dat weet Hij als zijn opdracht. Hij geeft zijn leven voor deze wereld. Hij zet zijn bestaan op het spel voor de schapen. Hij gaat aan het kruis voor hen om hun weer leven te geven dat die naam werkelijk waard is. Daarvoor is Hij gekomen. De massa moet ontrukt aan de zinloosheid. De massa is bestemd voor God. Jezus ziet het als zijn taak de verlorenheid van hun bestaan te doorbreken en op te heffen..

De herderloze kudde - een rijpe oogst
En dat maakt dat het beeld in onze tekst plotseling verrassend verandert.
Het springt over van de rampzalige, herderloze kudde naar de oogst. En zo ontmoedigend het ene beeld is, zo hoopvol en veelbelovend is het andere beeld. Diezelfde herderloze massa vormt een oogst, die staat te rijpen op het land, goudgeel, klaar om binnengehaald te worden. En de oogst is groot, overvloedig. De velden, overgoten met de zon van Gods liefde, strekken zich uit tot de verre horizont.
Opvallend genoeg wordt hier niet gesproken over de zonde en de schuld van de scharen. Jezus' oordeel is niet een veroordeling van een groep eigenzinnige, bokkige schapen. Nee, Hij ziet die stuurloze massa in al hun goddeloosheid en ellende als een veld vol zware korenaren, rijp om te worden geoogst.
En Hij kán het alleen zo zien, omdat Hij aan het kruis hun ellende en zonde heeft weggedragen. Als Hij, door ontstaan, wat blijft er dan nog over van hun zonde, hun ellende? Hun zonde is juist hun nood, die Hij zielsgraag van hen weg wil nemen. Jezus sluit de herderloze, stuurloze massa in zijn hart. En zo wordt het een oogst, die er op wacht om te worden binnengehaald.

Werkers gevraagd?
De herderloze schare is een immens grote oogst. Maar - en dan lijkt het alsof de hoop, die even voor de massa gloorde, toch weer de bodem wordt ingeslagen - waar zijn de arbeiders?
En dan kijkt Hij naar zijn discipelen, zijn volgelingen. Dan kijkt Hij naar hen, die het eerste begin vormen van de kerk. Jezus kijkt naar de wereld, peilt de diepste nood van de massa, en kijkt dàn naar de kerk. Hij zegt eerst iets over de massa daarbuiten.
En naar aanleiding dáárvan richt Hij het woord tot zijn volgelingen. Hij stelt vast dat de wereld een immens groot werkterrein vormt. En komt dàn met zijn opdracht tot de gemeente. Een opdracht voor de wereld!
Laten we dat goed beseffen: De kerk is er voor de wereld. De gemeente van Christus heeft een roeping voor de massa. Wij zijn er ten behoeve van die herderloze menigte, die ook de huizen en straten van onze woonplaatsen bevolkt en die - als God het niet verhoedt - haar doel niet zal bereiken en buiten de stal van de goede Herder ten prooi valt aan de vernietiging.
Hoe reageert u op Jezus' constatering dat er maar weinig arbeiders zijn? Als u ook maar iets begrepen heeft van de blik van Jezus op de scharen, als u ook maar iets meemaakt en meebeleeft van zijn ontroering over hun lotdan stokt u bij deze vaststelling de adem in de keel. Jezus ziet de scharen in hun verlorenheid. Tegelijk weet Hij van de geweldige mogelijkheid van hun redding. Daar zal Hij zijn leven voor geven. De talloze verdwaalden kunnen worden thuisgebracht in zijn stal.
Maar waar zijn de arbeiders? Hoevelen staan klaar om daaraan hun tijd en hun aandacht te geven?
Dus maar snel aan het werk, natuurlijk!
Er op af! Redden wat er te redden valt. God heeft arbeiders nodig. Christus zoekt medewerkers. Aktie gevraagd!
Wie biedt zich aan?

Bidders gevraagd!
Wacht even! Want nu komen we tot het hart van de tekst. Want nadat Jezus de nood heeft vastgesteld en nadat Hij van de vaste hoop gesproken heeft, maar tegelijk een ontstellend gebrek aan arbeiders heeft geconstateerd, stuurt Hij niet onmiddellijk zijn volgelingen er op uit. Nee, Hij draagt hen op te bidden!
Dat onderstreept nog eens temeer de diepte van de nood, de immense zwaarte van de taak. De verlorenheid van de scharen is niet maar eventjes door ons aktivisme op te heffen. De problemen van de niet-gelovige samenleving zijn niet zomaar door ons in kaart te brengen aan de hand van diepborende analyses en breed opgezet onderzoek. Niet dat dat onbelangrijk is! Dat gebeurt misschien nog wel te weinig.
Maar het moet ergens anders beginnen.
Het moet beginnen met en gedragen blijven door het gebed. Alleen biddend leren wij te kijken naar de massa met de ogen van Jezus. Alleen biddend leren we samen met elkaar en ieder voor zich onze opdracht kennen, hoe en waar wij in Gods oogst aan de slag kunnen.
Bidden is een belijdenis: God in de hemel, U bent de Heer van de oogst.
Wie weet beter dan U waar we aan de slag kunnen en moeten? En hoe we dat moeten doen?
Als volgelingen van Jezus weten we dàt God ons gebrUiken kan. Maar in onophoudelijk gebed laten we Hem beslissen hoé en wáár Hij ons gebruiken wil. En zo'n gebed mag gebeuren in de zekere verwachting, dat Hij ons leiden zal. Dat Hij ons konkreet zal duidelijk maken, wat er van ons verwacht wordt. Want Hij is de Heer van de oogst. En al biddend krijgen we deel aan de ontfermende blik van Jezus, die de nood tot op de grond doorziet.

Het geheim van ons gebed
Bidt de Heer van de oogst dat Hij arbeiders uitzendt ... Maar is dat eigenlijk geen wonderlijke opdracht als je er goed over nadenkt? Kan Christus dat zelf niet bidden? Zou één gebed van Hem niet meer effekt hebben dan duizend van ons? En ziet God, de Heer van de oogst, dan zelf die nood niet?
Zal Hij op zijn tijd geen arbeiders uitzenden, ook zonder ons gebed?
Dit zijn vragen die ons brengen tot het diepste, ondoorgrondelijke geheim van het gebed en van de macht die het heeft in het Koninkrijk van God. Het legt een enorme verantwoordelijkheid op ons. En tegelijk staat het onder een geweldige belofte. Een biddende gemeente, die daarin luistert naar de stem van haar goede Herder, die daarin niet verslapt, maar volhoudt, die mag een stroom van heil en liefde verwachten over zichzelf en haar omgeving.
Wij hebben in ons gebed de macht ontvangen om te voorzien in de nood van de wereld. Zeg maar heel konkreet: de nood van de grote massa ongelovigen, overal waar wij onze plaats in de samenleving innemen.
En de Heer van de oogst zal ons gebed om leniging van die nood verhoren.
Hij wil toch dat de oogst wordt binnengehaald? Dat heeft de Heiland toch wel duidelijk gemaakt? En geloof maar gerust, dat Hij die ons tot dit gebed opriep, dit gebed zal bekrachtigen bij de Vader. We mogen van zulk aanhoudend bidden veel verwachten.
Ik ben er dan ook van overtuigd, dat dit gebed niet gauw een te grote plaats in ons persoonlijk en gemeenteleven in kan nemen.
Maar moeten we niet eerlijk vaststellen, dat die bewogenheid om de wereld ons nog al teveel ontbreekt? En zou dat niet de oorzaak zijn voor het schreeuwende gebrek aan arbeiders in de oogst, ook vandaag nog, na zoveel eeuwen christendom? Hebben we het als gelovigen en als kerk eigenlijk niet veel te druk met ons zelf en de binnenkerkelijke en interkerkelijke problemen, dan dat we ons ook nog kunnen bekommeren om hen die buiten zijn? Maar missen we zo niet het doel van ons gemeente-zijn? Lopen we zo niet onze roeping mis?
Daarom, laten onze huizen gebedshuizen zijn. Laten onze bijbel- en kontaktkringen gebedskringen zijn. Laten onze erediensten nog meer gebedsdiensten zijn. Wat zullen we zo kunnen uitgroeien tot bereidwillige arbeiders in Gods grote oogst! Wat zullen we zo deel kunnen nemen aan Christus' herderschap over een herderloze wereld. Als we als kinderen van God en als gemeente van Christus deze opdracht serieus nemen en bidden voor de omgeving waarin we leven en werken, dan zullen we verhoord worden.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief