Pastorale notitie
1991-11-08
‘Zand in je eten’ - Jaargang 35
- nummer 23
Dat is de titel van een schokkende bundel, waarin kinderen hun verhaal vertellen. De ondertitel luidt: 'Hoe kinderen onuitstaanbare mensen kunnen worden'. Ze worden dat voor hun mede(kerk)mensen, maar ook voor zichzelf. Eén van hen zegt: "Wij zijn zand in het eten van de ouderen. Het knarst tussen je tanden. Je spuugt het uit. Je spoelt je mond na". Hij vraagt zich af wat God deed toen de honderdduizenden sperma-zaadjes van zijn vader op weg waren naar het eitje van zijn moeder toen hij 'ontvangen' werd.
Zei God toen tegen het mooiste en sterkste zaadje: "Vooruit, jij moet het doen?". Nou bij deze jongen mooi niet!
Heeft God het beroerdste zaadje uitgekozen en heeft Hij gezegd: "Word jij maar een rotzak?" Dat lijkt er meer op. Of heeft God de hele horde maar voort laten stormen zonder één vinger uit te steken? Zo zal het wel geweest zijn! Ik ben gewoon een mislukkeling!
In het (kerk)gezin waarin ik ben groot geworden en in de maatschappij van nette, keurige mensen.
Uiteraard is elk verhaal weer anders.
Het gemeenschappelijke is het levensgevoel.
Frank Matthijsen dient de vertellers aan als "de kinderen van Kierkegaard", de filosoof die zich - ook in de kerk - voelde als "ins Dasein geworfen " = in dit bestaan neergesmeten.
Ze voelen zich onwennig, vreemd, angstig, onmachtig en onwillig zich aan te passen, niet nodig, niet opgenomen: "zand in je eten". Vandaar dat de auteur elk hoofdstukje opent met een citaat van Kierkegaard.
Sommige lezers zullen zeggen dat de verhalen hen nogal gezocht voorkomen, maar de auteur put uit een grote ervaring met jongeren van deze tijd.
Hij voert personen ten tonele die echt bestaan of hebben bestaan. Soms kwamen ze uit Franks eigen gereformeerde milieu (ook het onze) van na 1944. Waren ze erfelijk belast? Waren ze niet begeerd (de ouders beschikten immers nog niet over de pil?) Trok vader de liefde af van de confessie en dacht hij desondanks de trouw overgehouden te hebben? Misschien was het de ijspegel van 1 meter 80 op de preekstoel die hen afstootte? In elk geval voelen ze zich het onkruid dat het gerecht verpest.
Jacob vertelt dat hij bij zijn moeder weggehaald werd en plotseling bij een 'oom en tante' werd gedropt: Was ik maar groot, ik zou ze allemaal vermoorden, zodat er niemand meer overbleef! Marietje werd op transport gesteld vanuit het verre oosten en voelt zich als doorgedraaide groente.
Dik vraagt zich af: "Ben ik een mens of een homo?" Christiaan wil alleen maar dood: "Ik vraag dan net als de moordenaar aan het kruis of ik met Christus mag leven!" Bas groeit uit tot een algemeen gerespecteerd econoom, maar blijft emotioneel gefixeerd op het niveau van een kind. Jongetje X vertikt het tot in de kleuterschool één woord te zeggen. Iedereen denkt dat hij stom is. Tot hij plotseling begint te ratelen. En de verklaring?
Margrietje wordt bijna gewurgd door de bezorgdheid van haar moeder. Een aquariumliefhebber moet sommige soorten scheiden: ze vreten elkaar op.
Zijn conclusie: kerkmensen zijn net vissen. Probeer ze maar eens in één bak te zetten: breekt niet de hemel, maar de hel los! Stefan fantaseert dat Jezus Jan heet. Nu komt Hij heel dicht bij. Jan zei ... Jan deed ... "Als ik iets aan mijn Vader vraag, zorg ik altijd dat mijn grote Broer erbij is ". Nico: "Vader bidt altijd hetzelfde. Hij wil ogenblikkelijk gehoorzaamd worden. We eten zwijgend. Hij maakt rotopmerkingen tegen Moeder. Ik snap niet dat zij zo lief voor hem blijft. Ik denk dat ik niet uitverkoren ben."
De kinderen praten ongenormeerd. En we moeten ze niet in de rede vallen met onze waardevolle gereformeerde dogmatiek of ethiek. Matthijsen zegt: luister nu eerst eens en luister nog eens en probeer ze te begrijpen. Anders kunnen we ze wel afschrijven. En onszelf als hulpverleners!
Vooral het laatste hoofdstuk is schokkend.
Ik heb er lang over zitten piekeren.
Het roept - evenals het hele boekje - veel vragen op. Er staat boven 'Het is m'n moeder!' en het opent met het volgende citaat van Kierkegaard.
Ja, zeker wel, God is soeverein, maar toen kwamen al deze lieden en wilden in het christendom de dingen inrichten, zoals het voor hen het beste uitkwam - en de duizend predikantendus kan niemand zalig sterven zonder tot hen te behoren en dan worden zij soeverein en is het geheel gedaan met de soevereiniteit van God".
Dan begint een jongetje te praten: een intelligent, gepassioneerd mannetje.
Hij vertelt wat hij tijdens de kerkdienst ziet, hoort, doet. Hij voelt er zich zo vreemd. Dan wordt hij volwassen en hij praat door. Hij is nu een intellectueel geworden, maar hij voelt zich in de kerk nog steeds niet aangepast. Hij maakt een aantal "zo genoemde reformaties"
mee. In het begin was de sfeer warm en liefdevol. Maar toen "kwamen de koninkjes" en ze "betwistten elkaar de kroon en de plaats naast Christus". Dat doet zo pijn, want de kerk is toch zijn moeder? Hij opent trouwens zijn verhaal met een bijna Hoseaanse symboliek: Mijn Moeder is dement. Ze zegt telkens hetzelfde.
Elke zondag ga ik bij haar op bezoek.
Ze vindt het fijn als ik kom. Maar ik mis haar lieve woordjes en haar warme omhelzing. Waar doe ik het voor? Ja, maar ze is toch mijn moeder?
En als de beeldspraak voorbij is, volgt dit: Natuurlijk, we gaan naar de kerk om Gods Woord te horen. Maar wat zou je zeggen van een vader die zijn zoon op een stoel zet en uren lang tegen hem aan praat en telkens zegt: Ik hou van je. Dan zegt zo'n knul toch: "O.Ké pa, maar je moet niet zo zeuren!
Wat gaan we nu doen?" Deze mens kan in de kerk met zijn activiteit niet uit de voeten, niet met zijn emoties, niet met zijn sociale gevoelens, niet met zijn fysieke verlangen naar hartelijkheid en vriendschap. Dit "onmogelijke mens" (???) eindigt zijn verhaal met de smartelijke uitroep: "Misschien word ik nog een keer als onkruid uitgetrokken; maar ik weet dat ik door Christus graan mag zijn ".
'Zand in je eten' is geen opwekkend boek: ik ben geschrokken van het aantal kinderen dat dood wil zijn. Maar ik ga van harte akkoord met de uitgever die op de achterflap zegt dat dit boekje gelezen moet worden door ouders, hulpverleners en jongeren. En met de schrijver die zegt: "Ik hoop dat dominees en pastors de verhalen lezen en dat ze nu eens niet meer denken een pasklaar en sluitend antwoord te hebben".
Wat deze kleine en grote 'kinderen van Kierkegaard' nodig hebben is liefde en nog eens liefde. De auteur zegt: ze moeten - ook met hun lijf - voelen dat ze erbij horen.
Zeer aanbevolen.
'Zand. in je eten', door Frank Matthijsen, Uitg. Dekker & Van de Vegt, ASSEN, 97 blz. f 27,50.