De Wittenbergse Nachtegaal (2)
1991-11-08
De vorige keer beloofde ik u een voettocht door het lied 'Nun freut euch, lieben Christen gemein' van Maarten Luther. In het Liedboek treffen we een vertaling aan van Ad den Besten en Jan Wit (gezang 402). Neemt u die er even bij? In strofe 2 vinden we de worsteling terug die Luther vóór zijn bekering doormaakte: - Jaargang 35
- nummer 23
Dem Teutel ich getangen lag, im Tod war ich verloren, mein Sünd mich quälte Nacht und Tag, darin ich war geboren.
Hier herkennen we Psalmregels van David. Psalm 32:3,4: "Mijn gebeente kwijnde weg onder mijn gejammer de ganse dag, want dag en nacht drukte uw hand zwaar op mij." En vooral Psalm 51:7: "Zie, in zonde ben ik geboren, in zonde heeft mijn moeder mij ontvangen." Twee Psalmen die door Luther als 'Paulinische Psalmen' werden aangeduid. Maar Luther gaat verder dan David in het beschrijven van zijn ellende:
Ich tiel auch immer tieter drein, es war keln Guts am Leben mein, die Sünd hat mich besessen.
De zonde is geen incident, maar een neerwaartse spiraal. In strofe 3 neemt hij twee zaken op de korrel die in die dagen als uitweg werden aangewezen: de goede werken en de vrije wil. De goede werken vormden een artikel waarvan de Kerk van Rome, dankzij het surplus van de heiligen waarover zij kon beschikken, een grote voorraad in huis had. Arme zondaars, vooral rijke zondaars, konden uit dat surplus wat goede werken opkopen om zichzelf of hun gestorven familieleden enkele weken tot tienduizenden jaren vagevuur te besparen. ("Als het muntje in de geldkist klinkt, het zieltje in de hemel springt. ") Luther was te eerlijk voor dergelijke koehandel, hij wilde door éigen goede werken in de hemel komen. Hij voelde dat het niet lukte:
Mein guten Werk die galten nicht, es war mit ihn verdorben.
Mijn vrije wil
Als de goede werken al verdorven zijn, hoe komt een mens er dán? Erasmus bood een elegante oplossing. De mens heeft immers van nature een vrije wil, waarmee hij in staat is voor God en het goede te kiezen? Als de mensen nu maar verlost werden van bijgeloof en onwetendheid en de Bijbel konden lezen in hun eigen taal (getrouw overgezet uit de grondtalen), dan zouden ze redelijke wezens blijken te zijn, in staat te kiezen voor een redelijke, minzame God. Ook Luther zag het belang in van een Bijbel in de eigen landstaal onder ieders bereik, maar van die 'vrije wil' geloofde hij niets: hij en Erasmus discussieerden daar schriftelijk over: Ook in dit lied krijgt Erasmus een sneer:
Der trei Will hasste Gotts Gericht, er war zum Gutn erstorben.
Luther gaat hier heel ver. De vrije wil, zegt hij, was gestorven voor het goede en alleen nog maar in staat tot haat tegen Gods gericht (we herinneren ons zijn haat teg.en de uitdrukking 'gerechtigheid Gods' in het vorige artikel). Met andere woorden: die vrije wil was allesbehalve vrij, ze was tot niets goeds in staat. Dodelijker voor de humanistische theorieën kan het niet.
Het valt me overigens op dat Luther hier, in tegenstelling tot de vertalers in het Liedboek, niet spreekt over 'mijn vrije wil', maar over 'de vrije wil', als een soort theologisch monstrum. Was 'de vrije wil' voor hem een theologisch fabeldier dat, áls het zou bestaan, een monster van slechtheid zou zijn? We zouden er goed aan doen in ons Liedboek de uitdrukking 'mijn vrije wil' van aanhalingstekens te voorzien.
In de rest van de 3e strofe zien we de monnik Luther weer kronkelen over de vloer van zijn cel:
Die Angst mich zu verzweiteln trieb, dass nichts denn Sterben bei mir blieb, zur Hölle musst ich sinken.
Kein Scherz
Dan neemt het lied een totaal onverwachte wending. De 'camera' verlaat de monnikscel te Wittenberg en richt ons oog op een tafereel "in de eeuwigheid":
Da jammert Gott in Ewigkeit mein Elend übermassen; er dacht an sein Barmherzigkeit, er wollt mir helten lassen; er wand zu mir das Vaterherz, es war bei ihm fürwahr kein Scherz, er liess's sein Bestes kosten.
Toen ik dat zinnetje "Es war bei ihm fürwahr kein Scherz" voor de eerste keer las, was ik geneigd aan rijmdwang te denken. Luther was nu eenmaal geen hoofse renaissancedichter.
Maar al is zijn taal stug en weerbarstig, hij is wél altijd expressief. Slappe zinnen, voor de gedachtengang in het lied overbodig (stoplappen dus), kom je bij hem niet tegen. Elke zin is geladen met betekenis. Als Luther dichtte, bracht hij met geestdrift de 'nieuwe' leer, de leer van Gods vreemde gerechtigheid, die er alles voor over heeft om onrechtvaardigen rechtvaardig te maken. Ook in dit zinnetje: "Het was voor God bepaald geen grapje, Hij liet het zich het beste kosten dat Hij had." God stuurt niet maar een engeltje om zich op te offeren, maar "mijn geliefde Zoon, mijn enige, in wie Ik mijn welbehagen heb".
Hier blijkt dat Luther niet alleen over zijn eigen bekeringsgeschiedenis zingt, maar over Gods heilsplan met de wereld. Het is voor hem één zaak.
In de tekst: "Alzo lief heeft God de wereld gehad ..." vult hij vrijmoedig zijn eigen naam in: "Alzo lief heeft God Maarten Luther gehad ...", en hij moedigt ons aan hetzelfde te doen en ook onze eigen naam in te vullen. In dit lied beschrijft hij in wezen de ge-.
schiedenis van iedere christen, al zal niet ieder kind van God het zo intens beleefd hebben als Maarten Luther.
Het komt ons niet toe te streven naar een 'hevige' bekeringservaring: wie eerst de ervaring wil hebben gehad dat bij Pniël z'n heup ontwricht wordt vóór hij in de Here Jezus durft te geloven, heeft het ongetwijfeld op z'n heupen, maar ontvangt het koninkrijk Gods niet als een kind. "Bekeert u door het evangelie te geloven" zegt de Heiland in Markus 1:15.
In mijn gestalte
Dit lied herinnert me aan een gebeurtenis in mijn eigen leven. Ik was bijna 18jaar, toen iemand mij vertelde dat ik nooit was wedergeboren. Hij bedoelde het goed, maar hij had wel ongelijk: als kind al had ik de Here zeer lief.
Maar het spelen met paranormale zaken kan leiden tot een gevoel van totaal door God verlaten zijn. In een depressie kon ik aan niets anders meer denken dan aan de eeuwige straf. De angst groeide uit tot een wurgende obsessie. "Here, antwoord mij toch!" riep ik op een gegeven moment uit en ik greep mijn Bijbel. Die viel open bij Lukas 22 en het eerste waar mijn oog op viel was vers 44: "En Hij werd dodelijk beangst en bad des te vuriger. En zijn zweet werd als bloeddroppeis die op de aarde vielen."
Natuurlijk kende ik dat Schriftgedeelte al, maar het was liefdevol van de Heer dat Hij me er op dat moment op wees en zo de angel uit de depressie wegnam.
In de 5e en 6e strofe beschrijft Luther hoe God zijn Zoon opdraagt: "Ga naar de aarde en wees het heil van de arme, help hem uit de nood van de zonde, wurg de bittere dood voor hem en laat hem met U leven." En de Zoon gehoorzaamt aan zijn Vader. Door mijn armelijke gestalte aan te nemen, lokt Hij de duivel in de val en weet Hij hem te vangen.
En dan komt de tweede wending in het lied: de Heiland gaat de verloste zondaar zelf toespreken. Zo is het ook in de Bijbel: er wordt ons niet alleen veel over Jezus verteld, hoeveel woorden van de Heiland zelf hebben de evangelisten niet voor ons opgetekend? En als de Heer zijn leerlingen aanspreekt, voelen wij ons toch door Hem aangesproken?
Er sprach zu mir: "Halt dich an mtch, es soli dir jetzt gelingen; ich geb mich selber ganz für dich, da will ich für dich ringen; denn ich bin dein, und du bist mein, und wo ich bleib, da solist du sein, uns soli der Feind nicht scheiden.
"Es soli dir jetzt gelingen"? Het zal je nu gelukken? Ja, de eenheid tussen Verlosser en verloste is zó groot, dat alles wat de Meester is en doet - wijsheid, rechtvaardigheid, heiligheid, liefde en trouw - nu ook het eigendom wordt van de knecht, alsof die knecht dat allemaal zelf is en doet. Iemand zei het eens zo: "Wilt u koning worden?
Nestel u dan als het winterkoninkje tussen de veren van de Koningsadelaar, om met Hem koning te zijn." Het winterkoninkje kan dan oneindig veel hoger vliegen dan waartoe zijn kleine vleugeltjes hem in staat stelden.
Heer van ons leven
Dat dit voor Luther maar niet een abstracte theoloqlsche gedachte was, maar concrete werkelijkheid, blijkt in de laatste strofen van zijn lied. Want vergeving van zonden zou half werk zijn, als Jezus niet de Heer werd van ons leven. De Heiland verlost ons niet alleen van de straf op de zonde, Hij verlost ons leven van de zonde zelf.
"Es soli dir jetzt gelingen!" Wát zal ons gelukken?
Was ich getan hab und gelehrt, das solist du tun und lehren, damit das Reich Gotts werd gemehrt zu Lob und seinen Ehren.
Drukt Luther zich hier niet te vrijmoedig uit? Kunnen wij doen en leren (teach) wat Jezus deed en leerde? Ik hoor nogal eens christenen zeggen: "Wij doen het niet beter dan de ongelovigen, het verschil is dat wij bidden om vergeving van onze zonden." Toch spreekt Luther hier net iets minder vrijmoedig dan de Heer Jezus zelf in Joh. 14:12: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie in Mij gelooft: de werken die Ik doe zal ook hij doen, en grotere nog dan deze, want Ik ga tot de Vader en wat ge ook vraagt in mijn naam, Ik zal het doen, opdat de Vader in de Zoon verheerlijkt wordt."
Gen Himmel zu dem Vater mein fahr ich van diesem Leben; da will ich sein der Meister dein, den Geist will ich dir geben.
Door de Heilige Geest wil Hij onze Meester zijn en door die Geest zet Hij zijn werk met onze handen voort.
Vruchtbaar
Toen de reformator van Pommeren, Paul Speratus, in 1523door een bisschoppelijk leger in de gevangenistoren van Olmütz (Moravië) werd opgesloten, schijnt hem dit lied van Luther in handen te zijn gespeeld. Het inspireerde hem tot het dichten van een eigen gezang, dat hij bestemde als troostlied voor zijn gemeente in Iglau die herderloos was achtergebleven.
Het heet: 'Es ist das Heil uns kommen her'. In de Aanvullende Gezangen bundel van onze kerken, die dit jaar nog verschijnt, treffen we een vertaling aan van Pieter Boendermaker. De 4e strofe zingt van het nieuwe leven door de Geest van Christus:
Wie dit geloof ontvangen heeft, diens leven wordt een teken dat God de krachten rijkelijk geeft die aan de mens ontbreken.
Gehoorzaam gaat hij op Gods pad, dat Christus vóór hem eens betrad.
Gods kracht vernieuwt het leven.
Gezang 344 in het Liedboek is een vrije nadichting van Ad den Besten van ditzelfde lied van Speratus. Bij hem luidt de 4e strofe:
Want wie hier leeft op Gods gezag, die is voor God rechtvaardig, hij vindt zijn handen elke dag tot goede werken vaardig; als nieuw wordt rond hem het bestaan en in hem vangt het voorjaar aan van 's Heren nieuwe aarde.
Luthers gezang begon met een spontane oproep aan alle christenen:
Nun freut euch, lieben Christen gmein, und lasst uns fröhlich springen!
Laat ons van vreugde springen! Als David voor de ark.
Laat Michal maar lachen. Zij bleef onvruchtbaar.