Na vijfentwintig jaar (2)
1991-11-22
Veranderingen- Jaargang 35
- nummer 24
Het lag in mijn voornemen Om na vijfentwintig jaar aandacht te besteden aan de vraag hoe onze kerken zich moeten opstellen in het geheel van Christus' kerkvergaderend werk.
Het is, zo schreef ik, nooit de bedoeling geweest het aantal gereformeerde kerken in ons land met één uit te breiden; integendeel, de Open Brief moet gezien worden tegen de achtergrond van het streven naar verzoening om te komen tot een kerkelijke eenwording van hen die in het gereformeerd belijden de inhoud van hun christelijk geloof hebben weergegeven.
Intussen heeft het Ned. Dagblad op 26 Oktober ook aandacht besteed aan het conflict dat tot kerkscheuring leidde en het lijkt me nuttig eens na te gaan of er na zo veel jaren zich mogelijkheden voor een gesprek tot beter verstaan voordoen. Tot nu toe was zo'n discussie nauwelijks mogelijk want steeds weer werden de oude stellingen betrokken.
In het Ned. Dagblad zou men de indruk kunnen krijgen dat ik optimistisch en er vast van overtuigd ben dat in onze dagen de Open Brief niet tot een conflict zou hebben geleid. Hier is een misverstand ontstaan, want ik citeerde vrijgemaakte broeders die mij dit hebben verzekerd, zelf heb ik mijn twijfels; wel zie ik velen bezig met inhaal-manoeuvres.
Er zijn veranderingen met name in het Neder!. Dagblad. Wanneer ik me voor de geest haal hoe in de jaren 1966e.v. het Gereformeerd Gezinsblad reageerde op de Open Brief is er veel veranderd. In allerlei artikelen en citaten werd destijds de brief stuk geschreven en dit werkt nog door. Zelfs kregen de ondertekenaars het ongevraagd advies zich met Prof. H.M. Kuitert c.s. te verenigen ...
Nu treffen we een veel objectievere benadering aan van de hand van drs. H. Hoksbergen, die zijn best doet geen vertekening van de zaak te geven en onze woorden recht weergeeft. Hier openen zich mogelijkheden voor een gesprek. Gelijk wordt uit de artikelen van drs. H. duidelijk hoe moeilijk het is aan een volgende generatie duidelijk te maken wat ons in de jaren van de strijd bezig hield en bezielde. De conclusie in een grote kop boven het artikel: "Open Brief had er nooit mogen komen" is voor onderscheiden uitleg vatbaar. Ik heb in de loop van de jaren heel wat broeders en zusters gesproken die zeiden: "de O.B. is voor ons te laat gekomen".
Zij hadden zich in 1945 met overtuiging vrijgemaakt, maar konden niet leven met de ontwikkelingen rond samenspreking en samenwerking en gingen in arren moede terug, zij het niet van harte.
Het is nu niet de bedoeling 'in te gaan op de inhoud van de O.B., dat is elders overvloedig gedaan; wel wijs ik er op dat de samensprekingen in Groningen na de terzijde stelling van de vervangingsformule niet op initiatief van wijlen ds. A. van der Ziel zijn gehouden, zoals drs. H. schrijft.
Anderen begonnen die samenspreking en men vroeg ds. V.d. Z. er bij omdat hij de vrijmaking in Groningen had meegemaakt en er mede leiding aan had gegeven.
Het is daarom niet juist over een provocatie van ds. V.d. Z. te spreken en na lezing van wat br. A. Sneep aan drs. H. vertelde over de gang van zaken rond de ondertekening van de O.B. kan hier evenmin van provoceren gesproken worden.
Ik herinner mij dat er een predikantenconferentie was in de hitte van de strijd.
Gezien de beschuldigingen aan ons adres was een conferentie moeilijk op te brengen; dus besloot ik niet te gaan.
Anderen hebben ons toen bewogen toch te gaan om niet verder uiteen te groeien.
Ons komen naar de vergadering werd uitgelegd als provocatie en toen ben ik maar gegaan. Het zijn in de regel de machtigen die zich geprovoceerd voelen en het zou een winst zijn wanneer dit woord uit de discussie verdwijnt.
Verder wil ik voorstellen de persoon van ds. B.J.F. Schoep buiten het gesprek te houden. Ook nu wordt gesproken over zijn dubieuze leringen. Hierbij moet worden opgemerkt dat zowel op de synode van Assen 1961 als van Rotterdam-Delfshaven 1964 bezwaarschriften tegen de kerk van Amstelveen en ds. S. op tafel lagen, maar de synoden zagen geen aanleiding tot een veroordeling van deze "leringen".
Nog steeds het oude lied
De veranderingen in de opstelling tegenover onze kerken die we bij het Ned.
Dagblad constateerden zijn niet algemeen.
Uit ingezonden stukken blijkt dat de voorlichting uit de jaren 1966 e.v. nog steeds doorwerkt.
In de Variant van 26 oktober komt ds. J. Luiten aan het woord die beweert: "De Ned. Geref. Kerken zijn een tweestromenland.
Een soort harde kern voert een Open-Briefkoers. Die wil minder binding aan de confessie. Dit is eenvoudig niet waar, maar laat zien dat de O.B. nog van alles de schuld krijgt. Belangrijk is dat de redactie van het N.D. Prof. Dr. C. Trimp aan het woord laat. Deze hoogleraar nam destijds het voortouw in de bestrijding van de O.B. en dat was zijn goed recht. Zelf had C. Trimp ook bezwaren tegen ontwikkelingen in de kerken en hij sprak van krampachtigheid, introvertie, steriliteit, zelfgenoegzaamheid, Judaïstische ijver of farizeïstische hoogmoed. Dat was nogal wat, maar ja de één mag scherpe kritiek hebben terwijl de ander "valse beschuldigingen"
uit. In zijn verwerping van de inhoud van de Open Brief en van de ondertekenaars was Prof. T. heel duidelijk. Aan het slot van zijn bespreking schreef hij op zijn beurt een open brief aan ons adres waarin stond te lezen: "Wanneer gij onverhoopt mocht blijven bij de constructie van uw Open Brief, dan zullen de schapen u niet volgen en gij zult u zelf hebben getekend als "de vreemden"
van wie de Heiland sprak in de gelijkenis van de goede Herder".
In gelijke zin met nog krassere termen schreef Prof. J. Kamphuis. De ondertekenaars restte maar één ding: hun handtekening terugnemen en als zij dit niet deden konden ze tuchtmaatregelen verwachten en een van hen werd al spoedig geschorst. Door mij op deze beschuldiging van Prof. T. attent gemaakt legde de redactie van het N.o. deze woorden hem weer voor en dan hoop je maar dat er een opening komt en een gesprek. Het gaat daarbij niet om het gelijke maar om Christus' kerk. Helaas neemt Prof. T. zijn woorden niet terug met een beroep op de wet van oorzaak en gevolg en alles zit nog muurvast. Nu kan gesteld worden dat de beschuldigingen door de feiten zijn achterhaald want, om in de termen van Prof. T. te spreken, de schapen zijn ons blijven volgen en geen van ons verwachtte in die moeilijke dagen dat er zovelen ons lot zouden delen. Het was een vertroosting maar ook een zware verantwoording. In zijn open brief schreef Prof. T. nog meer beschuldigingen die achterhaald zijn b.v. "ik moet u zeggen dat ik in uw brief geproefd heb een eeuwen-oud verzet tegen het gereformeerde leven en elders: "nog even, mannenbroeders en gij marcheert mee met Dr. H.M. Kuitert ..... ik zeg u dat gij binnen korte tijd in dit gelid zult meemarcheren, omdat in uw spreken over de vrijmaking uw weerzin tegen het gereformeerde verleden en heden blijkt".
Onze kerken zijn nog steeds gereformeerde kerken en we marcheren niet met Prof. Kuitert c.s.
Het kan zijn dat sommige lezers er moeite mee hebben dat deze dingen weer worden opgehaald. Wel, al zo'n 25 jaar bereiken mij verzoeken en opwekkingen om mijn handtekening onder de Open Brief alsnog terug te nemen als een bijdrage tot herstel van de verhoudingen; daarom heb ik geprobeerd duidelijk te maken dat hiermee de zaak niet is opgelost. Nog eens het gaat niet om het gelijk maar over de wijze waarop wij in Christus' kerk met elkaar verkeren.
Nu het niet gelukt is beweging in het front te brengen wil ik het nog eens over een andere boeg gooien.
In een moeilijke zin verwijt Prof. T. de ondertekenaars dat zij hun concrete gemeente kleineren tot denominatie binnen de gereformeerde gezindte met haar elastieken grenzen. Hier komen we in de buurt van de kern van de zaak in geding. Er is aanstoot aan genomen dat in de O.B. de vrijmaking een broedertwist rond de inzettingen van de Heer is genoemd. Ds. P. Lok die ook aan het woord komt in het N.D. wijst hierop, noemt dit de achtergrond van de zaak en rekent zelf de vrijmaking tot de voortgaande verlossingsdaden van de Zoon van God. In deze gedachtengang over de kerk vond er in 1944 e.v. geen kerkscheuring plaats, maar werd de eenheid hersteld en de breuk ontmaskerd.
In de Open Brief wordt de gehoorzaamheid in de vrijmaking als een werking van de Heilige Geest erkend, maar is de vrijmaking ervaren als een breuk tussen broeders en zusters van het zelfde huis.
De achtergrond van de brief moet gezien worden in het streven naar het herstel van de eenheid van de gereformeerde belijders in ons land. Daarom hebben we de tot standkoming van het Contactorgaan Geref. Gezindte toegejuicht en nemen we er van harte aan deel. Van de elastieken grenzen waar Prof. T. van sprak, zijn we ons wel bewust.
Het kerkelijk besef lijdt niet in de besprekingen en we blijven hopen.
Ik meen te hebben geconstateerd dat in vrijgemaakte kring wat genuanceerder wordt gedacht over wat de gereformeerde gezindte wordt genoemd. Voor ons zijn zowel de vrijgemaakte als de ned. geref. kerken een deel van de gereformeerde geZindte en zullen we moeten blijven streven naar een herstel van de eenheid van de gereformeerde kerken in ons land.
Opent zich hier een weg naar het aanvaarden van elkaar of zijn en blijven wij de "vreemden"?