Lichtsignalen

2010-10-29
  • Jaargang 54
  • nummer 21
Ook het Oude Testament is evangelie. Het gaat over God die reddend omziet naar een verloren wereld. Dat is tegelijk een wereld, waarin de dood oppermachtig is. Daardoor is de weg van Gods kinderen in heel het Oude Testament een strijd op leven en dood.

Het treurige refrein in al de geslachtsregisters markeert de weg van alle vlees. Iemand bereikt de huwbare leeftijd, hij verwekt zonen en dochters. Daarna leeft hij nog zo en zoveel jaar en hij sterft.

Geen sterven gelijk
Direct na de zondeval doet de dood haar intrede in de wereld. En het eerste sterfgeval is ook gelijk een moordzaak, broedermoord (Gen. 4:8). Het laat direct al zien, dat er verschil is tussen sterven en sterven. Mensen komen heel verschillend aan hun eind. De één wordt van het leven beroofd, de ander blaast in vrede de laatste adem uit. Prediker klaagt over het feit, dat alle mensen eenzelfde lot treft. Ze belanden allen in het dodenrijk, waar de banden met het leven onder de zon zijn doorgesneden (Pred. 9:3). Toch is het ene sterven het andere niet.

Het Oude Testament spreekt zich ook uit over het verschillende lot van de ene gestorvene en dat van de andere. Asaf is het zich bewust geworden (Ps. 73:17). Voor de een is het leven een voortdurend sterven tot het graf erop volgt: ‘U zet hen op een glibberig pad en stort hen in een diepe afgrond, … wie ver van U blijven komen om!’ (vs. 18 en 27). Voor de ander heeft sterven veel weg van thuiskomen: ‘… Ik weet mij altijd bij U, u houdt mij aan de hand en leidt mij volgens uw plan. Dan neemt u mij weg, met eer bekleed. ’Al bezwijkt mijn hart en vergaat mijn lichaam, de rots van mijn bestaan – al wat ik heb – is God, nu en altijd.’ Toch is in alle gevallen het sterven pijnlijk. Niets om heldhaftig over te doen of het te verheerlijken. Het sterven werpt een schaduw over het leven. En het is onontkoombaar.

Uitzondering als teken!
Op een enkele uitzondering na. We lezen van Henoch bij wie de regelmaat van het refrein wordt doorbroken. ‘Aan zijn leven kwam een einde, doordat God hem wegnam’ (Gen. 5:24).
We zijn getuige van Elia’s heengaan. Voor onze ogen wordt hij in een stormwind meegevoerd naar de hemel (2 Kon. 2:11). Herhaaldelijk lezen we ook van het herleven van doden, kort nadat ze gestorven zijn. Elia wekt de zoon van de weduwe van Sarepta tot leven (1 Kon. 17:22) en Elisa de zoon van de Sunamitisiche vrouw (2 Kon. 4:35).

Wat zeggen die uitzonderingen? Ze weerspreken de regel. Ze verwijzen naar de werkelijkheid van de Almachtige God. Ze laten zien dat niet de dood, maar Hij het laatste woord heeft. In het Nieuwe Testament leren we, dat de dood de laatste vijand is. Maar al in het Oude Testament wordt duidelijk, dat deze vijand niet autonoom is. Het is al duidelijk vanaf het uur dat de dood zijn intrede deed. Hij kwam niet op eigen gezag op het toneel. Hij kwam, tevoorschijn geroepen door Gods vloek.

Dat behoort tot het pijnlijke van de dood. Maar dat laat ook haar grenzen zien. De dood is onderworpen aan de heerschappij van de Almachtige. Dat mocht de sterveling in het Oude Testament bemoedigen. Het gaf hem perspectief. De dood stelt geen grenzen aan de Almachtige. Zomaar wordt hij verzwolgen in diens overwinning.
Daarom wordt het refrein van de Klaagliederen ineens onderbroken. Midden in oordeel en dood zingt de sterveling: ‘Wij zijn nog in leven, Zijn ontferming kent geen grenzen!’

Ruimte voor emoties
Bij de pijn van de dood hoort rouw. Pijn verscheurt het hart van wie achterblijven. En daar maken ze in het Oude Testament geen geheim van. Het scheuren van het opperkleed en een veelheid van andere rouwgebruiken geeft daar in alle toonaarden uitdrukking aan. Het gaat om de expressie van al de tegenstrijdige emoties die Gods kinderen kennen, als de dood in hun samenleven toeslaat. Verbijstering, verslagenheid en machteloosheid, onbegrip, ontroostbaarheid en wanhoop. Daar is ruimte voor.

Maar er zijn grenzen aan rouw. Ook in het Oude Testament behoorden Gods kinderen zich te onderscheiden van andere mensen, die geen hoop hebben (vergelijk 1 Tess. 4:13). Daarom mochten ze zich ook in hun rouwgebruiken niet laten gaan, zoals de omringende volkeren. Mozes houdt het volk Israël voor: ‘Wanneer je een dode te betreuren hebt, scheer dan het haar aan je slapen niet weg en knip geen stukken uit je baard, kerf geen tekens in je lichaam en breng geen tatoeages aan’ (Lev. 19:27, 28; vergelijk Deut. 14:1). Hij zinspeelt daar op rouwgebruiken bij de Kanaänieten. Het haar met z’n geheimzinnige groeikracht werd wel in de strijd geworpen tegen de dood en het aanbrengen van bloedige tekens in de huid had waarschijnlijk alles te maken met de pijn van het afscheid. Maar Israël mag leven in de wetenschap, dat de dood niet het laatste woord heeft. Daarom heeft ook de rouw en rouwverwerking niet het laatste woord.

De dag komt...
Het eerste en het laatste woord heeft God, die zijn kinderen troost en hen in het vooruitzicht stelt, dat er eenmaal een einde komt aan alle rouw. Jesaja kondigt aan wat met de komst van de Messias in vervulling gaat: ‘De Geest van God, de HEER, rust op mij, want de HEER heeft mij gezalfd. Om aan armen het goede nieuws te brengen, heeft Hij mij gezonden, om aan verslagen harten hoop te bieden (...) om allen die treuren te troosten, om aan Sions treurenden te schenken een kroon in plaats van stof, vreugdeolie in plaats van een rouwgewaad, feestkledij in plaats van verslagenheid’ (Jes. 61:3).

Zo kent het Oude Testament hetzelfde perspectief als het Nieuwe. De dag komt, dat God zelf al de tranen uit de ogen van de mensen zal wissen. Dan zal er geen dood meer zijn, geen rouw, geen jammerklacht, geen pijn, want wat eerst was, is dan voorbij (Openb. 7:17; 21:4).

Rustplaats
Bij de manier van omgaan met de dood die God aan Israël leert, hoort ook het begraven van de doden. Deels is dat te zien als een gewillig ondergaan van de smaad, die met de vloek gegeven is: ‘Stof ben je, tot stof keer je weer terug.’ Tegelijkertijd kent het Oude Testament het graf als een rustplaats, die in zekere zin een zegen is. De dichter van Psalm 16 kan getuigen van de hoop, die hij koestert bij de gedachte aan het graf: ‘Daarom verheugt zich mijn hart en juicht mijn ziel, mijn lichaam voelt zich veilig en beschut. U levert mij niet over aan het dodenrijk en laat uw trouwe dienaar het graf niet zien’ (vergelijk hierbij Hand. 2:31).

Omgekeerd is niet begraven worden een onderdeel van Gods vloek over de goddelozen.
Zo kondigt Jahweh aan Jeremia aan, dat Hij zijn volk zijn liefde, vriendschap en erbarmen gaat ontnemen, zodat klein en groot in het land zullen sterven. En van deze gestorvenen geldt: ‘Zij zullen niet worden begraven en niemand zal om hen rouw dragen’ (Jer. 16:6).

Dal van de vloek
Symbool van deze vloek is in het Oude Testament het dal Ben Hinnom, net buiten Jeruzalem. Jeremia heeft daarvan geprofeteerd dat het een executieterrein wordt, waar lijken onbegraven liggen (Jer. 7:33) en Jesaja vermeldt deze plaats als de keerzijde van het heilsperspectief van de nieuwe hemel en aarde dat hij verkondigt. Hij zegt van de onbegraven lijken, ‘de worm die aan hen knaagt zal niet sterven, en het vuur waarin ze branden zal niet doven; ze worden verafschuwd door alles wat leeft’ (Jes. 66:24).

Jezus zal later dit beeld gebruiken in de verkondiging van het eeuwige oordeel van God (Mat. 5:22, 29; 23:33). Het onbegraven liggen wordt daarin geassocieerd met eindeloos bij vol bewustzijn lijden onder de vloek (Mat. 13:42, 50).

Breuk
Er is perspectief en verwachting dat het graf niet het laatste woord heeft. Toch brengt volgens het Oude Testament het sterven een radicale breuk teweeg. Hierin verschilt Israëls geloof van de voorstellingen omtrent dood en dodenrijk bij de Egyptenaren en bij andere oud-oosterse volkeren.
Het dodenrijk geeft geen vervolg te zien van het leven op aarde onder andere condities. Verder is het een wereld waarmee geen contact mogelijk is, net zomin als vanuit het dodenrijk contact is met of zelfs maar bewustzijn van het land van de levenden. In die zin weten de doden niets (Pred. 9:5).

Niet zoeken
Aan Israël wordt ook nadrukkelijk verboden om die kloof te overbruggen door contact te zoeken met de geesten van doden. Wie betrapt werd op spiritistische praktijken moest worden gestenigd (Lev. 19:27). Daarbij gaat het er niet alleen om, dat Israël zich moet onderscheiden van de omringende volkeren. In contact treden met de dood en het dodenrijk, alsof het een verlengstuk van het leven is, is een belediging van de Schepper. Het getuigt ook van weinig respect voor zijn vloek over de zondeval.

Onrein
Voor een belangrijk deel kan hieruit ook verklaard worden, dat iemand die met een dode of met het graf in aanraking was gekomen onrein was. Hij moest zich door de priester, met speciaal daarvoor bereid reinigingswater, laten reinigen (Num. 19:11-13). Anders kon hij niet deelnemen aan de eredienst. Zou hij het toch doen, dan zou hij uit de gemeenschap van Israël gestoten moeten worden.

Dat de tent van God bij de mensen is en Hij bij hen zal worden, en dat de dood er dan ook niet langer zal zijn (Openb. 21:4) heeft wellicht ook hiermee te maken.

Doden zullen herleven
Het graf heeft ook in het Oude Testament niet het laatste woord. Het is een rustplaats die in zekere zin een belofte in zich bergt. Je leest in het Oude Testament niet alleen over de opwekking van doden, maar ook over terugkeer uit het graf. De HEER troost zijn door de vijand gedecimeerde volk met dat vooruitzicht. ‘Jullie doden zullen herleven, de lijken opstaan.’ Hij zelf beveelt de doden op te staan. ‘Ontwaak, jullie daar in het stof, en jubel!’ (Jes. 26:19). Uit ditzelfde hoofdstuk is ook duidelijk, dat het vooruitzicht van de opstanding uit de dood niet voor alle mensen geldt. In vers 14 is sprake van de vijanden van de HEER, tegen wie Hij is opgetreden, die Hij heeft vernietigd. Van hen wordt gezegd: ‘De doden zullen niet herleven, schimmen niet opstaan’. Dit betekent niet dat de goddelozen na hun dood niet eenmaal voor Gods gericht zullen worden gedaagd. Zij zullen ontwaken om voor eeuwig te worden veracht en verafschuwd’ (Dan. 12:2). Maar wie zou dat opstanding willen noemen.

Opstanding als geheim
Het graf van de rechtvaardige bergt een geheim in zich. Wat een verbijsterende ervaring voor die rouwstoet in de tijd van koning Joas, kort na de dood van de profeet Elisa, die wel de Jezus van het Oude Testament wordt genoemd. ‘Het was het seizoen waarin elk jaar weer de Moabitische benden het land binnenvielen. Toen de plunderaars eraan kwamen, werd er juist iemand begraven. Snel wierpen ze de dode in Elisa’s graf. Zodra hij in het graf in aanraking kwam met het gebeente van Elisa, kwam de dode weer tot leven en stond op’ (2 Kon. 13:20,21). Het graf van de rechtvaardige bergt een geheim in zich: het is het geheim van het open graf van de Meerdere van Elisa, de kracht van de opstanding van Jezus Christus.

Dr. Melle Oosterhuis is predikant van de GKv Kampen-Zuid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief