Onze lieve doden zijn bij de Heer thuis

2010-10-29
  • Jaargang 54
  • nummer 21
Sterven en dan? Die vraag heeft in de kerkgeschiedenis soms tot heftig debat geleid. Een boek van de paus geeft antwoord op die vraag. Waar het op aan komt, is het hebben van een relatie met de Opgestane Heer. Bij de dood wordt die relatie niet verbroken en gaan we dus bij Hem inwonen.

Onder de titel Over dood en eeuwig leven schreef kardinaal Joseph Ratzinger, de huidige paus Benedictus XVI, een niet eenvoudig, maar belangwekkend boek, dat in 2009 in Nederlandse vertaling verscheen. Titel en inhoud roepen herinneringen op aan het boek Sterven... en dan? uit 1960 van ds. B. Telder, predikant van de GKv Breda, en aan vergelijkbare geschriften van ds. C. Vonk uit Schiedam in de jaren daarna. Hun publicaties waren mede aanleiding tot het schisma van 1967. Collega H. de Jong deed eerder de suggestie om aan de hand van Ratzingers boek het debat rond de opvatting van ds. Telder nog eens over te doen. Na lezing van Over dood en eeuwig leven is mijn conclusie dat het boek inderdaad een overvloed aan materiaal biedt om met Telder en Vonk in discussie te gaan.

Anti-Griekse rage
Ratzingers boek is voor deze discussie van belang, omdat hij het belangrijkste argument van ds. Telder om antwoord 57 van de Heidelbergse Catechismus te kritiseren omverhaalt, namelijk dat ons denken over het leven na dit leven bepaald zou zijn door Grieks, platonisch denken. Volgens Telder was de uitspraak van de H.C. dat onze ziel bij het sterven direct tot Christus wordt opgenomen, van dit Griekse denken een uiting.
Ratzinger doet een dringende oproep om te stoppen met de ‘rage’ van het anti-Griekse denken. Hij kritiseert meer dan tien Duitstalige theologen, die van oordeel zijn dat we met de tegenstelling tussen een onsterfelijke ziel en een sterfelijk lichaam gevangen zijn geraakt in een Grieks, platonisch denken. Telder was dus bepaald niet de enige die zo dacht. Echt Bijbels denken, zo oordeelden deze theologen, ziet de mens als een volstrekte eenheid die als hij sterft, helemaal sterft, naar lichaam én ziel. Maar volgens Ratzinger wordt daarmee zowel aan het Griekse als aan het Bijbelse denken onrecht gedaan.

Joodse denken
Joseph Ratzinger erkent dat in het spreken over een onsterfelijke ziel Griekse invloeden een rol spelen.
Hij zelf is van mening dat in de ziel van de mens geen spoortje te vinden is van een onsterfelijke substantie.
Maar volgens hem kan alleen een onzorgvuldige kennisname van de Griekse filosofie tot de bewering leiden dat het bij de Grieken gaat om een tegenstelling tussen het lagere lichamelijke tegenover het geestelijke als het hogere. En het belangrijkste: de overtuiging dat er direct na de dood een voortleven is, is volgens Ratzinger niet Grieks, maar door en door Joods. Het geloof dat we na ons sterven naar de hemel gaan heeft volgens hem niets, maar dan ook niets te maken met Plato of Aristoteles. Het Joodse denken heeft vanouds geloofd dat er aparte plaatsen in de sheool waren voor rechtvaardigen en onrechtvaardigen.
Rechtvaardigen werden bewaard onder het altaar, opgenomen in de schoot van Abraham, naar het paradijs gebracht. De bewijzen daarvoor vindt Ratzinger niet alleen in het Nieuwe Testament en in de laatjoodse apocriefen, maar ook al in het vroegjoodse denken.

Paulus
Paulus was een Joods theoloog. Hij zat in een beroerde gevangenis, in afwachting van zijn proces. Wat zou het worden? Wat hij voor zichzelf graag zou willen, was niet belangrijk. Christus was belangrijk. Mijn leven in Christus, zegt hij kortweg (Fil. 1:21). Het proces kan twee kanten op. De rechter kan hem ter dood veroordelen, maar dat zou merkwaardigerwijs het beste zijn wat hem kon overkomen. Hij zou dan immers bij Christus zijn, zijn Heiland, die hem op de weg naar Damascus zo machtig en genadig had verlost en in dienst genomen. ‘Ik word naar twee kanten getrokken’, zegt Paulus. Enerzijds verlangt hij ernaar te sterven en bij Christus te zijn, want dat is het allerbeste. Aan de andere kant zou het voor de Filippenzen het beste zijn als hij bleef leven, want dan kon hij nog veel voor hen betekenen (Fil. 1:23,24). Hij maakt dezelfde tegenstelling in 2 Korintiërs 5: ‘Wij blijven altijd vol goede moed, ook al weten we dat zolang dit lichaam onze woning is, we ver van de Heer wonen. (...) ook al zouden we ons lichaam liever verlaten om onze intrek bij de Heer te nemen.’

Verhuizen
Wat gebeurt er bij ons sterven? Simpel gezegd: dan gaan we verhuizen. We gaan dan bij de Here inwonen.
Een van mijn liefste vrienden en collega’s, die jong moest sterven en een heel gezin achterliet, lag te glimmen op zijn sterfbed: ‘Nu zal ik binnenkort mijn Heiland zien’. Hetzelfde wordt verteld van een groot Duits theoloog. Toen hij stervende was. spraken zijn zonen hem moed in: ‘Vader, nu bent u bijna op de straten van goud’. Toen bromde de stervende verontwaardigd: ‘Wat straten van goud. Nu zal ik gauw bij mijn dierbare Heiland zijn!’ Dát is het. Onze lieve doden….waar zijn ze? Ze zijn bij de Heer thuis!

Op een afschuwelijke zondagavond in de jaren zestig vonden twee christenouders uit Brabant bij thuiskomst uit de kerk hun lieve oudste zoon Jantje (12) dood: een ongeluk had een eind gemaakt aan zijn jonge leven. Een lieve vriendin, zuster in de Heer en aanhangster van de nieuwe theologie van ds. Telder, riep uit: ‘Jantje is niet in de hemel’. Ze was stellig van plan die negatieve uitspraak vergezeld te doen gaan van een woord van troost, maar de geplaagde moeder schreeuwde ogenblikkelijk: ‘Waar is Jantje dan?’ Haar pastor heeft toen aan huis, in de kerk en op het kerkhof gezegd: Jantje is zijn intrek gaan nemen bij de Heer. Wat een troost! Jantje was thuis!

Uit de tijd
In de jaren zestig werd een nieuwe theologie geïntroduceerd die beweerde dat sterven gelijk is aan ‘uit de tijd’ gaan, zodat voor het besef van de gestorvenen het ogenblik van hun sterven ogenblikkelijk aansloot op dat van de opstanding. De tussentijd zou niet bestaan. Ds. Vonk schreef dat Stefanus op het moment van zijn steniging de nieuwe aarde betrad. Maar wat Paulus ons aan troost geeft, is iets heel anders. Het is een tijdens het lijden van de tegenwoordige tijd ‘in Christus’ zijn, een reeds in Christus opgestaan en in de hemel gezet zijn.

Gevoed met onsterfelijkheid
Ik beleefde eens een afschuwelijk sterfbed. Het was dat van een lieve vriendin, de kinderen noemden haar tante: tante Toni. Ze moest vroeg sterven aan kanker. Het was in de tijd toen ds. Vonk zijn hypothese van versnelde tijdsbeleving tussen sterven en opstanding nog niet had gelanceerd. Ik kreeg geen enkele kans haar te troosten. ‘Zeg me niet’, zo zei ze op de openhartige manier waarop wij met elkaar omgingen, ‘dat ik naar de hemel ga. Dat is iets dat jullie dominees hebben uitgevonden, maar dat ik nergens in de Bijbel lees. Ik heb geen onsterfelijke ziel. Dat is een uitvinding van Plato. Ik ga naar het graf. Zeg niet dat ik dat niet zal ervaren. Ik ben nu nog in het land der levenden. Ik lig te gruwen van het graf waar ik naar toe ga. De doden weten niets. Wat zal het nat en donker en koud zijn Als de Here Jezus nog 100 jaar uitblijft, zal ik er 100 jaar liggen. Ik gruw er van’. Elke verwachting was bij onze vriendin verdwenen, behalve de ‘verwachting’ van het graf. Ik wees haar op Christus, ons hoofd. Ik riep haar op zichzelf te zien in Hem. ‘Je bent in Hem al gestorven, al opgestaan, al in de hemel gezet’. Dat is sacramenteel gesproken, maar niet minder werkelijk. Het brood dat Jezus geeft, is voedsel dat niet vergaat, maar eeuwig leven geeft (Joh. 6:27). Wie met Christus verbonden is, door het geloof, is hier en nu de grens van de dood al overgestoken.
‘Wie in mij gelooft zal leven, al was hij ook gestorven’ (Joh. 11:25). Wie het lichaam van Christus heeft gegeten en wie zijn bloed heeft gedronken, is gevoed met onsterfelijkheid. De verlossing is niet een ver verwijderd apocalyptisch gebeuren, maar vindt hier en nu plaats. Luther heeft eens gezegd dat bijna heel de bekering van een mens bestaat uit de moed om zichzelf te zien in Christus. Psalm 39 vraagt: ‘Wat verwacht ik, Here?’ Paulus zegt: Ik ga naar huis.

Onze vriendin ging heen zonder enige verwachting dan die van het graf. Ik heb haar met mijn Bijbelse troost niet kunnen bereiken. Dat lag misschien aan mij. Maar het lag ook aan de collega’s die de Bijbelse verwachting in haar hadden gedoofd.

Graaf Adolf
Terug naar Joseph Ratzinger. Hij spreekt er in Over dood en eeuwig leven zijn verdriet over uit, dat de term ‘ziel’ bezig is uit de theologie te verdwijnen. Hij vindt dat een verarming, want de ziel is de drager van de tussentoestand. Ratzinger heeft er geen probleem mee om bij het sterven te blijven spreken van een ‘hij’ die sterft. Maar bij het gigantische sterven dat zich als een oordeel aan de mensenwereld voltrekt, staan we voor een zich telkens herhalend uiteengescheurd worden van lichaam en ziel. Geen mens ontkomt daaraan. Alleen de term ‘ziel’ staat tot onze beschikking als we dat dramatische gebeuren willen beschrijven. Het lichaam sterft en wordt begraven; de ziel treedt uit. Zoals ons Wilhelmus spreekt: ’Graaf Adolf is gebleven in Friesland in den slag.’ Dat is de ‘hij’ die sterft. Maar het vers vervolgt dan: ’zijn ziel in ’t eeuwig leven, verwacht den jongsten dag’. Ratzinger heeft gelijk: het wegvallen van het woord ‘ziel’ is een verarming. Sommigen willen de term ‘mijn ziel’ uit antwoord 57 van de catechismus schrappen. Maar dat moet zeker niet gebeuren.

Tussentoestand
Ik ben niet gesteld op de term ‘tussentoestand’. Hij is me te toestandachtig. Geef mij het feestelijke ‘bij de Heer zijn’ van Paulus maar. Maar de term heeft, als strijdpunt, nu eenmaal ingang gevonden. Met veel anderen verwijs ook ik naar de gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus. Ze sterven beiden. Lazarus ontwaakt in de schoot van Abraham, de rijke man slaat zijn ogen op in de hel. Natuurlijk gaat het in de gelijkenis om de waarschuwing voor bedrieglijke rijkdom. Maar zou Jezus zich in zijn gelijkenis aansluiten bij een onwerkelijke sprookjesverwachting? Of zal iedere Israëlitische luisteraar gedacht hebben: ‘Ja, zo zou het kunnen gaan na onze dood’?

De kwestie-Telder
Als predikant van de ongedeelde GKv van Eindhoven was ik vanaf 1961 nauw betrokken bij wat de kwestie-Telder is gaan heten.

De eerste fout in de behandeling van het boek van ds. B. Telder uit Breda werd gemaakt door de classis Noord-Brabant/Limburg toen die op 6 december 1961 uitsprak dat zij bij ds. Telder geen afwijking van Schrift en Belijdenis en dus geen ‘ernstige redenen tot nadenken’ had gevonden.
Het was de eerste classisvergadering die ik meemaakte en ik voelde me meer gast die kwam kennismaken dan verantwoordelijk lid van de vergadering. Dus liet ik dit besluit lopen, hoewel ik vond dat ds. Telder wel degelijk in strijd kwam met een stukje van de belijdenis. Het was geen wonder dat dit classisbesluit allerwegen bestrijding ondervond.

Zo’n vier jaar later, op 7 juli en 8 september 1965 bleek de mening van de classis geheel veranderd. De tweede fout die werd gemaakt, is dat in de toen nog ongedeelde kerken aan deze classicale zelfcorrectie nauwelijks aandacht is gegeven. De classis sprak uit
a) dat ze de uitspraak van 6 december 1965 ‘niet langer voor haar verantwoording nam en dat de kerkeraad van Breda zou moeten komen tot de uitspraak dat ds. B. Telder in zijn boek niet slechts inging tegen een gebrekkige formulering van zondag 22, maar tegen een materieel stuk daarvan’.
b) dat de Particuliere Synode van 1962/1963 ‘terecht had uitgesproken dat het gevoelen van ds. B. Telder … in strijd is met wat antw.57 van de H.C … leert, dat de gelovigen die ontslapen niet alleen als doden naar het graf worden gedragen, maar dat zij eveneens terstond bij hun sterven uit het lichaam opgenomen worden tot Christus Jezus om in zijn gemeenschap te verkeren, tot de dag toe dat zij als geheel verheerlijkte mensen zullen herrijzen uit de graven’.

Heden
Veel krasser en daarom meer omstreden is het derde kruiswoord: ‘Heden zul je met mij in het paradijs zijn’. Ik schaam me bijna voor alle gehannes met het openingswoordje ‘semeron’, dat heden betekent. Professor K.J. Popma vertaalde het met: Vandaag nog. ‘Vandaag nog zul je met Mij in het paradijs zijn’. Maar volgens ds. Telder kan Jezus dat niet gezegd hebben, want dan zou Hij Grieks gedacht hebben. En dus moest het woordje ‘semeron’, dat in de woorden van Jezus met nadruk voorop staat, verplaatst worden. Ds. Vonk beweerde verontwaardigd dat wie geloofde dat Jezus vandaag nog met de moordenaar in het paradijs zou zijn, zou ontkennen dat Jezus echt gestorven was. Maar Jezus was naar lichaam en ziel echt mens, zoals wij. Hij was tegelijk echt in het graf én in het paradijs, zoals dat met mensen het geval kan zijn: tegelijk in het graf én bij de Heer.

Relatie
Mensen met een technische opleiding of een technisch beroep vroegen mij in mijn Eindhovense tijd vaak: waar zit die ziel van de mens dan? Er doet een verhaal de ronde van een nieuwsgierige man, die zijn stervende vriend met bed en al op een grote weegschaal reed. Toen de ziel van de stervende zijn lichaam verliet, gaf de weegschaal een verschil aan van 1,45 gram aan. Ik weet niet wat er waar is van dat fantastische verhaal, maar in elk geval nam de onderzoeker het bestaan van de ziel serieus. Ratzinger wijst er op dat de Bijbel het woord ‘ziel’ in veel betekenissen gebruikt en dat de Bijbel het nooit nodig heeft gevonden ons een complete antropologie aan te bieden. Ratzinger schrijft: ‘Onsterfelijkheid huist niet in de mens zelf. Ze berust op een relatie’.

Niet meer stuk
Dat is fantastisch gezegd. Hij doelt op de relatie met Hem, die gezegd heeft: ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al is hij gestorven’, (Joh. 11:25). Waar het op aan komt is het hebben van een relatie met de Opgestane Heer. Waar de ziel zit, is niet belangrijk. Het is de kerk, die de vrijheid neemt om dat diepe ‘ik’ waarin en waarmee de mens de relatie met de Opgestane beleeft, ziel te noemen. En waarom zou dat niet mogen, vraagt Ratzinger. De kerk gebruikt het woord ‘ziel’ om het ‘ik’ aan te duiden dat na de dood voortbestaat. Wie deze relatie met de Opgestane heeft, heeft het leven. Die heeft ook het paradijs. Christus is het paradijs. Christus is het water des levens. Hij is het levende brood, dat we in het Avondmaal genieten. Opnieuw: Wie het lichaam van Christus heeft gegeten en wie zijn bloed heeft gedronken, is gevoed met onsterfelijkheid. Hij is de opstanding zelf in Persoon. Wie Hem heeft, kan niet meer stuk.

Naar aanleiding van: Joseph Ratzinger, Over dood en eeuwig leven, Lannoo 2009.

Ds. Gert van den Brink is emeritus predikant van de NGK Rotterdam-Overschie. Als predikant van de GKv Eindhoven (1961- 1970) was hij nauw betrokken bij de behandeling van de zogenaamde kwestie-Telder.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief